De weg van de moslim
Linus Huibers

It’s life Jim, but not as we know it’, was de eerste gedachte die me bij het lezen van De Weg van de Moslim door het hoofd schoot. Dat was lang voordat het boek in de Nederlandse media de status van Mein Kampf kreeg, wegens de aanbeveling om homo’s van hoge gebouwen af te gooien. Het uitbreken van die rel was onvermijdelijk. Zonder homo’s waren vrouwen of ongelovigen wel het lont in het kruidvat geweest. Toch zijn homo’s, vrouwen en ongelovigen maar bijzaak. Het probleem zit veel dieper.
Om de discussie over de islam’ overzichtelijk te houden, maakt de Utrechtse islamoloog Nico Landman een onderscheid tussen de werkelijkheid van de islam’, de islam als ideaal’ en de normatieve islam’. De werkelijkheid’ staat voor hoe moslims in het echt leven, de islam als cultuur. Het ideaal’ staat voor het gedachtegoed van moslims voor wie de islam alles wat goed is vertegenwoordigt, zoals vrede, democratie en mensenrechten. De normatieve’ islam is een halachische godsdienst: een stelsel van regels dat zo nauwkeurig mogelijk moet worden nageleefd.
De Weg van de Moslim valt geheel in die laatste categorie. Het is geschreven door AboeBakr Djaber el Djezeiri, een in 1921 geboren Algerijn, afkomstig uit een gerespecteerde familie van koranreciteerders. Op 30-jarige leeftijd verhuisde hij naar Saoedi Arabie om er zijn religieuze studies voort te zetten.
AboeBakrs werk is uitgegeven in drie delen, maar bevat er eigenlijk vijf: geloof, gedrag, ethiek, religieuze praktijk en sociale betrekkingen. Een voor westerlingen wat eigenaardige onderverdeling. Ethiek’ blijkt echter meer een islamitische deugden- en karakterleer te zijn; gedrag’ gaat over wat wij sociale betrekkingen’ zouden noemen en sociale betrekkingen’ is een combinatie van privaat-, oorlogs- en strafrecht. De infame passage over homo’s is hier te vinden, evenals de uiterst leerzame hoofdstukken over jihaad, dat in dit boek toch écht een heilige oorlog is. De door moslims hier te lande veelgeroemde jihaad tegen jezelf’ komt er wel in voor, maar wordt slechts genoemd.
Het boek is bedoeld als een soort algemeen overzicht van de regels van de islam. AboeBakr ziet daarbij af van de vier rechtsscholen die de islam kent en waartussen nogal wat verschillen in regels bestaan. Zo verbiedt de ene rechtsschool bijvoorbeeld om bepaalde dingen te eten, waar de andere rechtsschool het alleen maar afraadt. Ook op het gebied van bijvoorbeeld vrouwenrechten bestaan er verschillen. De auteur heeft echter een overzicht willen schrijven waar alle moslims wat aan hebben, waar ook ter wereld. Aldus kan iedere moslim, die het in dit boek uiteengezette onderricht volgt, er ongetwijfeld zeker van zijn, dat hij zich aan de goddelijke wet conformeert’, zo stelt AboeBakr in zijn inleiding.
Geen enkel onderwerp, hoe onbetekenend ook, laat AboeBakr dan ook onbesproken. Anachronismen worden niet geschuwd. In het hoofdstuk over de jihaad wordt de verplichting beschreven voor moslims om tijdens de strijd de gesloten gelederen niet te verbreken. Goede raad wanneer voetvolk op de blanke wapens een aanval van ruiterij moet weerstaan, maar in het tijdperk van de kalashnikov en ander ongemak beslist géén goed idee. Het laatste hoofdstuk behandelt zelfs slavernij. Daarin wordt weliswaar de nadruk gelegd op het vrijlaten van slaven, maar een veroordeling van het instituut zelf tref je nergens aan. Voor een normatief moslim’ is dat ook onmogelijk. De koran en de verzamelde uitspraken van de profeet bevatten nu eenmaal passages over slavernij en de normatieve islam gaat ervan uit dat dat onveranderlijke regels voor altijd zijn.
De opzet per onderwerp is van een dodelijke eenvoud. Eerst wordt een regel geformuleerd, die vervolgens wordt ondersteund met citaten uit de koran en passages uit de verzamelde uitspraken van de profeet. Soms volgen dan de uitzonderingen die op hun beurt weer met koranpassages en citaten van de profeet worden onderbouwd. Ongeveer tweederde van AboeBakrs tekst bestaat zo uit citaten, behalve het laatste juridische deel. Het islamitisch recht is immers in zijn details veel minder op openbaringsbronnen gebaseerd. Ook de gewraakte homo-passage bestaat vooral uit citaten. Tijdens de media-rel hierover werd van moslimzijde beweerd dat de passage over het van hoge gebouwen gooien slechts’ in een citaat voorkwam. Dat is volkomen juist, maar dit is bij alle onderwerpen de manier waarop AbouBakr zijn onderricht’ vormgeeft. Hijzelf lijkt geen enkele mening te hebben. Hij is slechts doorgeefluik voor Gods woord en de uitspraken van de profeet. Het meest opvallende kenmerk van het boek is dan ook het totale gebrek aan enige vorm van tekstuitleg. Ook het gegeven dat alle teksten letterlijk’ worden genomen, wordt nergens toegelicht of beargumenteerd. Bij AboeBakr is geen sprake van reflectie, bij hem spreken de bronnen voor zich’. Iedere westerse theoloog weet dan dat hier de slechtst mogelijke vorm van exegese wordt beoefend, namelijk die waarbij de theoloog zich niet bewust is van de vooroordelen die hij in zijn tekst hineininterpretiert.
Dat blijkt ook uit een aantal beschamende blunders. AboeBakr geeft van het begin van vers 34 uit soerat an-nisaa (4) doodleuk de vertaling mannen hebben het recht op toezicht over de vrouwen’. Dat stáát er helemaal niet. Mannen zijn opzichters over de vrouwen’ (Kramers); De mannen zijn zaakwaarnemers voor de vrouwen’ (Leemhuis); De mannen zijn toezichtouders over de vrouwen’ (Siregar); Mannen zijn de onderhouders van vrouwen’ (Maulana/Rietberg). Dit zijn de reguliere vertalingen in het Nederlands. Er is geen sprake van een recht’. Mannen worden de qawwam van vrouwen genoemd: een woord dat niet alleen opzichter’, maar ook zaakwaarnemer’, voogd’, bewaarder’, bewaker’ en beschermer’ betekent en dus eerder over hun plichten gaat dan over hun rechten.
Wie bij het binnenstappen van het toilet altijd eerst zijn linkervoet naar voren moet zetten, zijn broek pas naar beneden doet als hij bijna op de pot zit, desnoods gedraaid op de WC gaat zitten om een bepaalde windrichting te vermijden en na gedane arbeid alleen met zijn rechtervoet het kleinste kamertje uit wil stappen, onderwijl de Almachtige om vergeving biddend, voldoet op een verontrustend aantal punten aan de criteria voor de diagnose obsessief compulsieve stoornis’. Tweeëneenhalve bladzijde worden aan dit soort regels rondom toiletteren gewijd. Natuurlijk staat het iedereen vrij om zijn stoelgang te beleven zoals hem dat goeddunkt. Niemand heeft er last van. Maar als gelovige sta je er toch hoofdschuddend naast. Beseft zo’n halve Saoediër dan werkelijk niet wat hij moslims hier in het westen áándoet? Had de vertaalster, drs. Jeannette Ploeger, de uitgever niet even kunnen waarschuwen? Heeft Project Dien, de uitgever, niets beters te doen dan het leven van nietsvermoedende moslims nóg moeilijker te maken door vooroordeelbevestigende lectuur te verspreiden?
AboeBakrs geloof’ bestaat vooral uit het soort dwangmatige gekkigheid dat je, op geheel andere gebieden, nog zou accepteren van verliefden. Maar helaas geeft hij er nergens blijk van te begrijpen dat geloof eerder op verliefdheid dan op een angststoornis zou moeten lijken.
It’s life Jim, but not as we know it.’ De Weg van de Moslim en de ideeën die zoal onder joden, christenen én moslims leven over wat geloof’ is of zou moeten zijn, staan nog verder van elkaar dan Star Trek en de werkelijkheid.
Maar laten we eerlijk zijn. Er staan ook behartenswaardige dingen in dit werk. Over de humane behandeling van dieren bijvoorbeeld. AboeBakrs tekst hierover kan zó in een brochure van de dierenbescherming. Over huwelijkstrouw die, in tegenstelling tot een wijdverbreid misverstand, in de islam niet alleen voor vrouwen geldt, maar óók voor mannen. Over het juiste gedrag tegenover voorbijgangers, een tekst die niet zou misstaan in menig jeugdhonk: Hij hoedt zich ervoor om geen enkele voorbijganger, wie het dan ook is, te hinderen noch via zijn tong (hem uitschelden of denigrerende opmerkingen maken), noch via zijn hand (hem slaan of hem van zijn bezit beroven) noch hem de doorgang te versperren.’ Ook van de voorschriften over de omgang met ongelovigen wordt je helemaal gelukkig. Een moslim is gehouden zich tegenover hen rechtvaardig te gedragen en aan hun noden moet hij tegemoet komen zoals hij dat doet voor alle stervelingen’.
Alleen jammer dat AboeBakr dat twee bladzijden verder weer verpest met de magistraal kinderachtige regel dat moslims ongelovigen nooit moeten laten voorgaan. Ook jammer dat hij niet inziet dat dat in flagrante tegenspraak is met de regels die hij elders geeft over gastvrijheid. Die regels illustreert hij met een verhaal over een man die onvoldoende eten in huis heeft om zijn gast te ontvangen. Hij lost dat op door zijn gast alle eten dat hij heeft in het donker voor te zetten, zodat hijzelf alleen maar hoeft te doen alsof hij eet en zijn gast voldoende te eten krijgt, zonder dat hij hem in verlegenheid brengt. Kijk, zó ken ik moslims weer. Die laten je gewoon voorgaan omdat je gast bent en letten niet op je geloof.
En hopelijk ook niet op de Weg van de Moslim.





RSS