Een beestachtige uitvinding
Linus Huibers

Het ongeoefende oog slaagt er al snel in onderscheid te maken tussen de gewone Boomklever (Sitta Europaea):

de Turkse Boomklever (Sitta Krueperi):
de Corsicaanse Boomklever (Sitta Whiteheadi):

de Grote Rotsklever (Sitta Tephronota):

of de Rotsklever (Sitta Neumayer):

Toch leiden deze vijf vogelsoorten exact hetzelfde leven: ze voeden zich met rupsen, insecten, larven en maden die ze op en onder boomschors vangen. Noten en zaden staan ook op het menu. Klevers hebben hun naam te danken aan een bijzondere vaardigheid die ze voor dat levenspatroon hebben ontwikkeld: met hun sterk ontwikkelde poten kunnen ze zich uitstekend vastgrijpen aan boomschors en andere ondergronden. Daardoor zijn ze in staat tegen bomen op te lopen en zelfs langs een boomstam omlaag. Een echte klever’ dus, die bij gebrek aan bomen ook genoegen neemt met rotsen. Het grootste deel van hun leven brengen ze zo door: tegen bomen op en van bomen af lopend. Vliegen doen ze alleen op korte stukjes, om van boom naar boom te komen.
De nuttigste kleur voor een boomklever is die van boomschors. Zo kunnen roofvogels ze namelijk het slechtste zien. Rotsklevers hebben prooitechnisch gezien wellicht meer behoefte aan een midden-grijs tintje, als het maar op rots lijkt. Wie de vogels echter bekijkt, ziet felle verschillen van dat ideaal. Een kastanjebruine borst, een staalblauwe rug, spierwitte kelen, knalgele buiken en opvallend contrasterende zwarte strepen op de kop. Dat heeft een reden.
Grote Rotsklever zijnde, investeer je liever geen energieverslindend balts- en paringsgedrag in een gewone Boomklever of een Turkse. Dat is een hoop moeite voor nul nageslacht. Iedere klever is er dus bij gebaat om klevers van een andere soort te kunnen onderscheiden. Zo komt het dat evolutionair juist die diersoorten worden bevoordeeld, die zich voor hun soortgenoten duidelijk kenbaar kunnen maken als soortgenoot. Bij vogels gebeurt dat met een visueel signaal: door variatie in kleur en kleurpatroon, of door zang. Ter wille van een iets succesvollere voortplanting offeren klevers dus een deel van hun optimale schutkleuren, of van hun optimale onhoorbaarheid op.
Dit verschijnsel is vrij algemeen in de natuur. Er bestaan zelfs diersoorten die er exact hetzelfde uitzien als je ze vangt in het leefgebied waar ze als enige voorkomen, maar die er ineens anders uitzien als je ze vangt in het leefgebied waar de andere soort ook voorkomt. De reden voor het verdwijnen van het verschil buiten het overlappingsgebied is eenvoudig: daar kost het onderscheidende verenpatroon, of de verschillende zang alleen maar moeite, zonder dat er een voordeel tegenover staat.
Palestijnen plegen zich bij voorkeur niet met Israeli’s voort te planten. Wie daar toch energie in steekt, ziet zijn inspanningen vaker beloond met nul nageslacht dan zij die zich bij de eigen soort’ houden.
De mens is de symbolisch meest begaafde diersoort op deze planeet, één die zich zonder enige moeite onderscheiden kan in groepen waaraan een via symbolen gemaakte identiteit’ aan wordt toegekend. Al is dat welbeschouwd waanzin: Homo sapiens is het nog steeds niet gelukt om zichzelf op te splitsen in biologische soorten en met de toenemende globalisering zal dat ook nooit lukken.
De meest werkzame manier om zich in groepen op te splitsen is het gebruik van een afwijkende set symbolen, door taal dus. Verschillend gedrag helpt ook. De één geeft een hand, de ander steekt zijn tong uit en de volgende maakt een buiging voor hetzelfde doel: een volstrekt nutteloze, symbolische handeling die in iedere cultuur voorkomt: de begroeting. Maar de mens is niet veel meer dan een gewone diersoort en visuele signalen zijn veel sneller waarneembaar dan gedrag.
Voor optimaal succes in de reproductie heeft de mens zich in de loop van de geschiedenis dan ook uitgeput in het uitvinden van visuele signalen om hullie en zullie al zo vroeg mogelijk in het verleidingsproces uit elkaar te kunnen houden: oorlogskleuren, kafiyya’s, adelaarsveren, tulbanden, hanenkammen, Lonsdale-kleren, neusringen, navelpiercings, lipschijven, spijkerbroeken, tatoeages, jodensterren, berenmutsen, peniskokers en hoofddoekjes.
Zo kan zelfs het ongeoefende oog verschil zien tussen een Papua van stam A en één van stam B of tussen een Israeli en een Palestijn. Bijzonder nuttig, want dat laatste verschil schijnt zelfs genetisch niet te bepalen te zijn.
Dergelijke signalen zijn publieke verzoeken om discriminatie in de letterlijke zin van het woord: onderscheid maken’. Vooral waar het de reproductie betreft, is dat op dezelfde manier nuttig als bij Boomklevers: ervoor zorgen dat het symbolische construct identiteit’ niet verwaterd raakt tijdens de voortplanting. Het gaat dan niet om de inhoud van het symbool, maar om M.C. Hammers Can’t touch this (of juist wél). Een peniskoker verschilt dan niet wezenlijk van een hoofddoekje.
Dat laatstgenoemde signaal is daar een goede illustratie van. De moslims die in de zevende eeuw de halve bekende wereld veroverden, waren nog lange tijd een minderheid. Daardoor raakte hun zelfgekozen identiteit in de reproductieve verdrukking: de kans dat een moslim zich voortplantte met een niet-moslim werd steeds groter naarmate het islamitische rijk groeide. De oudste islamitische voorschriften met betrekking tot visuele signalen gaan vooral over verschillende kleding voor moslims, ongeacht of dat nu mannen of vrouwen waren. Aanvankelijk werd er zelfs meer nadruk gelegd op het aanbrengen van verschil, dan op de concrete maatregel. Moslimmannen dienden zo bijvoorbeeld een baard te dragen waar het onder niet-moslims mode was om zich te scheren, maar ook andersom. De islam trof in het kielzog van haar veroveringen een aantal nuttige visuele signalen aan, die dan ook dankbaar werden overgenomen. De bedekking van vrouwen stamt uit Perzië. Zo is bijvoorbeeld de chador van oorsprong geen islamitisch kledingstuk. Het werd door de inheemse Perzische vrouwen als liturgisch gewaad gebruikt in de Zoroastrische eredienst. De islam nam het over als visueel signaal: moslima!’ en gaf er zo een nieuwe symbolische waarde aan.
Nadat dit visuele signaal eenmaal vereenzelvigd was geraakt met de islam kon het ook terug worden gelezen in de heilige teksten. Zo kon het gebeuren dat de suggestie om in het huis van de profeet een gordijn op te hangen, zodat diens vrouwen niet steeds werden gestoord door mensen die zonder kloppen binnen kamen vallen, ineens betrekking kreeg op de vrouwelijke bedekking’. Het gordijn uit die koranpassage -hidjaab’- is nog steeds de verzamelnaam voor de islamitische bedekking van vrouwen.
Het lot van Lonsdale is min of meer vergelijkbaar. Dit kledingmerk, dat oorspronkelijk door boksers werd gedragen en populair is geworden door de neger en moslim Muhammad Ali, werd door rechtse skinheads aangetroffen en vervolgens gekozen als vlag’. Lonsdalers onderbouwen die keuze met een toevallige lettercombinatie (loNSDAle), die niet alleen onvolledig is, maar van oorsprong ook volstrekt betekenisloos. Sindsdien is het merk steeds meer met extreem-rechtse politieke ideeën geassocieerd geraakt. Van belang is dat de associatie tussen het kledingmerk en de politieke ideeën niet alleen door de rechtse skinheads zélf wordt gemaakt, maar ook door hun tegenstanders. Zíj hebben het woord Lonsdale-jongere’ uitgevonden. De identiteitsvorming is alleen succesvol als zij die de nieuwe identiteit niet delen, wél de achterliggende symbolen en hun betekenis accepteren. Enkele maanden geleden bevestigde zelfs de importeur van Lonsdale in Nederland de associatie met extreem rechts door aan te kondigen dat ze zouden stoppen met de import van Lonsdale-kleding.
Exact hetzelfde mechanisme is werkzaam geweest bij de herintroductie van de hoofddoek onder moslims in Nederland. Daar zijn islamitische nieuwkomers een kleine groep. In principe bedreigt het reproductieproces dus de identiteit’ van deze moslims. Maar die identiteit bestond aanvankelijk niet, ondanks het feit dat de eerste moslims al in de zestiende eeuw hier kwamen, er al groepjes moslims in Nederland wonen sinds het einde van de negentiende eeuw en de eerste koranvertaling in het Nederlands stamt uit 1934. Er was alleen een nationale identiteit beschikbaar, zoals Turk’ of Marokkaan’: zowel de nieuwkomers als de Nederlanders waren het onderling eens over het bestaan van die identiteit.
De hoofddoek is echter instrumenteel geweest bij de introductie van de identiteit moslim’. Voor oudere vrouwen werd het vooral gezien als een onderdeel van het kostuum uit het land van herkomst, maar toen jongere, hier opgegroeide meiden ze gingen dragen, raakte dat een gevoelige snaar bij Nederlanders. Aanvankelijk had dat niets met religie te maken, maar met de andere positie van vrouwen.
Vrouwen die ooit een hoofddoek hebben uitgeprobeerd, vallen niet alleen de negatieve reacties van autochtone niet-moslims op, maar ook de opmerkelijk positieve reacties van de kant van moslims. Juist die set van reacties voldoet volledig aan het visuele verzoek om discriminatie’. Dat reguleert niet alleen de voortplanting in het vroegst denkbare stadium, maar het geeft moslims die prijs stellen op de identiteit moslim’ ook een ideale gelegenheid om aan niet-moslims een identiteitsbegrip dwingend voor te schrijven, dat vervolgens een rol krijgt in de discussie. Het begrip moslim’ heeft het bijkomende voordeel dat die identiteit veel breder kan worden toegepast: moslims die geen, of minder prijs stellen op een religieuze identiteit worden er tóch op aangesproken. Ook moslims-in-naam worden zo steeds meer doordrongen van het feit dat ze eigenlijk- moslim zijn. De identiteitsvorming voltrekt zich zo welhaast vanzelf.
De hoofddoek is daarvoor het ideale instrument. In een samenleving waar aparte kledingvoorschriften voor vrouwen geen plaats hebben en waar religie bij voorkeur niet op straat hoort, kán het als symbool niet anders opgevat worden dan als provocatie. Dat moet ook, anders lokt het geen reactie uit en kan de discriminatie’, of soortvorming’ zo u wilt, niet in stand worden gehouden. Maar niemand heeft last van een stuk stof of van waar dat stuk stof precies zit. Discussie over het voorwerp zelf gaat dus letterlijk over niets en ook dat is noodzakelijk. Moslims wordt zo op het rationele vlak de mogelijkheid geboden om een discussie over het symbool, of de betekenis ervan, te verwarren met een discussie over het voorwerp, zodat ze die discussie met een gerust geweten en een groot gevoel van eigen gelijk kunnen negeren.
Anderzijds is de discussie voldoende zinloos om op het emotionele vlak voor moslims zó irritant te zijn, dat het de door moslimzeloten zo gewenste polarisatie in stand houdt. Tot nu toe lijkt het er sterk op dat deze ijveraars voor het ware geloof zich kunnen verheugen in een toename van het aantal autochtone bondgenoten in hun opzet.
Linus Huibers (1964, ‘s-Gravenhage) studeerde wiskunde in Utrecht en geologie in Amsterdam. Hij werkte een tijd in de offshore in de Verenigde Arabische Emiraten en als gasexploratieboringsdeskundige in Siberië. Enkele jaren geleden ruilde hij dat goedbetaalde leven in voor een bestaan als exploitant van een hoofdstedelijke brasserie.
11 augustus 2005 — Linus Huibers
Reacties op dit artikel zijn gesloten. Wilt u reageren?
Stuur een e-mail naar de redactie.





RSS