Normaal
Lagonda

Illustratie Ad Kolkman
Ik weet nog hoe ik vroeger in mijn bed lag. Ik was nog jong. Vijf, zes jaar. De zon scheen naar binnen, en de reusachtige populieren aan de overkant van de straat kon je zacht horen ruisen in de wind. Een lauwe lentewind, wist je dan. Fris, en geurend naar de ochtend. Ik luister naar de geluiden van de wereld achter mijn raam. Het gekoer van de duiven op het dak. De pauw van de kinderboerderij. En heel in de verte voeren schepen de Waal af; de doffe dreun van hun motoren was rustig en vertrouwd. Van achter de bomen luidt de dorpskerk gedempt haar klokken. Het was zondag, wist ik. In de tuin van de buren stond een appelbloesem in bloei. Een wolk van lichtroze blaadjes bedekte onze tuinen.
Zo herinner ik mij de zondagochtenden uit mijn jeugd. Kalm en mooi, doortrokken van een traag licht. Met mijn vader liep ik het dorp in, om in De Gouden Leeuw een kop koffie te drinken. Ik kreeg limonade, en sabbelde op het koffiekoekje dat mijn vader voor me liet liggen. Ik keek naar buiten: op de trappen van de kerk stond Rieske, die de kerkgangers luid en uitbundig begroette. Rieske was een jongen met het syndroom van Down, of, zoals we die noemden, een Garenvelder. De Garenveld was een uitgestrekte zorginstelling voor verstandelijk gehandicapten; een begrip in de wijde omtrek. Hun patiënten, de Garenvelders, sierden het straatbeeld. Je zag ze meestal rondlopen in groepjes; een begeleider met drie tot vijf joviaal kwijlende pupillen onder zijn of haar hoede. De “betere” gevallen, zoals Rieske, mochten zonder begeleiding het dorp in.
De dorpsbewoners hadden de Garenvelders in hun hart gesloten; geen kwaad woord wilden ze erover horen. Lieden van buiten het dorp, die het waagden bij de aanblik van de Garenvelders grappen te maken over mongolen, kregen stevig de mantel uitgeveegd. Onze Garenvelders waren ook mensen, en al waren ze soms wat eigenzinnig in de omgang, en al zagen ze er wat vreemd uit, er viel prima mee samen te leven. De dorpelingen voelden zich in hoge mate verantwoordelijk voor het wel en wee van de Garenvelders. Bij de bakker hielpen alle klanten mee het boodschappenlijstje van een Garenvelder voor te lezen en het wisselgeld na te tellen, en bij de brievenbus was er altijd wel iemand die aan een Garenvelder wilde uitleggen in welke gleuf een brief het beste gepost kon worden. En soms, als het gedrag van een Garenvelder wat al te zeer dreigde de ontsporen, schroomden de dorpelingen niet om corrigerend op te treden: Eeej, Rieske! Doe es un bietje normaal!
Dat is nog geen 20 jaar geleden. Maar wie weet nog wat normaal is? Als ik nu door mijn dorp loop, dringt zich de onontkoombare conclusie aan mij op: Nederland is weg, en komt nooit meer terug. De Garenveld is, samen met de kinderboerderij en de Garenvelders, uit het dorp verdwenen. “Gedecentraliseerd omwille van kostenbesparing”, zoals dat heet. De vrijgekomen grond is vol gezet met goedkope flats, hoofdzakelijk bewoond door allochtonen; hun schoteltjes gericht op een golflengte die zij blijkbaar niet in hun gastland kunnen vinden. De nieuwbouwwijk in West, die in mijn jeugd werd aangelegd en destijds een frisse en zonnige aanblik bood, is naargeestig en grijs geworden. De huizen zijn slecht onderhouden, de kozijnen afgebladderd, de kapotgeslagen bushokjes worden niet meer opgeknapt. Groepjes jongeren hangen rond met hun scooters en spuwen werktuiglijk op de grond; de schaduw van hun petjes verbergt een boze en wantrouwende blik. Grauwgesluierde vrouwen haasten zich kromgetrokken voorbij, alsof ze ergens voor vluchten, of voor de avondklok binnen moeten zijn. Is dat normaal?
Een van de kroegen in het dorp wordt nu beheerd door wat in de volksmond de “Turkse Maffia” wordt genoemd. Autochtonen zijn er niet welkom, behalve om gestolen waar of drugs te kopen. Tijdens het EK van 2004 liep een klein incident volledig uit de hand; een autochtone dorpeling kreeg ruzie in de Turkse kroeg, en vluchtte daarop De Gouden Leeuw binnen. Zijn belagers werden aan de deur tegengehouden, dropen af, maar kwamen terug met versterking. Uiteindelijk moest de ME eraan te pas komen om het hele dorpscentrum schoon te vegen. De Gouden Leeuw, het café waar ik met mijn vader vroeger koffie dronk, werd een paar dagen later op een brandbom getrakteerd. Is dat normaal? En: geen van deze incidenten heeft het journaal, of ook maar de krant, gehaald — hoe normaal is dat? Door deze gebeurtenissen is het dorp dichtgeklapt; het laatste restje van de oude geest is er uit verdwenen. De mensen zijn gesloten, op hun hoede, angstig.
Er is een kracht actief in Nederland, die leeft van deze angst; een kracht die ervan geniet hoe de textuur van de traditionele samenleving kapot wordt getrokken. Het is de kracht der progressieven: zij haat gezapigheid, zij haat de burger die het waagt tevreden te zijn over zijn leven, zij haat de veilige zeepbel die de gewone man voor zichzelf wenst, zij haat de rust die de status quo van het burgerdom oplevert. Deze kracht heeft de burger altijd lastiggevallen met zogenaamde progressiviteit. Vrouwenemancipatie, het homohuwelijk, lange haren, legale wiet, etc. etc. Uiteraard heb ik niets tegen het homohuwelijk of vrouwenemancipatie, maar ik wantrouw de drijfveren van de progressievo’s die zo heel nodig ineens de rechten van homo’s of vrouwen gaan verdedigen. Deze lieden zijn niet *wezenlijk* geïnteresseerd in het verheffen van het mensdom; zij zijn slechts geïnteresseerd in leedvermaak. Telkens opnieuw heeft men superieur gelachen om die domme, bange burgerlul, die weer een van zijn heilige huisjes omver moest trekken, en weer chocola moest zien te maken van iets dat hij niet kende. De radeloze angst van de burger, is eten en drinken voor de progressieveling. Zelfgenoegzaam kan hij van zichzelf constateren dat hij erin geslaagd is een wereldbeeld te omarmen waar de burger juist voor terugdeinst.
Kijk, burgerlul! Ziehier onze wereld, en ziedaar jouw kleine benepen burgerlullenbestaan. Onze wereld is groter en dieper dan de jouwe; onze wereld kent lijden, onze wereld kent honger, en dood en geweld. Onze wereld kent grote idealen. Onze wereld begrijpt criminelen en pedofielen, onze wereld begrijpt terroristen, onze wereld begrijpt alles. Wij zijn daarom meer dan jij, en om dit te bewijzen, dringen wij onze wereld aan jou op, en wij zullen ons voeden aan jouw angst, en wij zullen lachen als je schreeuwend ten onder gaat. Want hoe *waag* je het te denken dat je tevreden met jezelf mag zijn? Steeds als je denkt ons te naderen, zullen wij de kloof verder opentrekken. Alles dat wij kunnen vinden, zullen we in je gezicht smeren; al je zekerheden zullen we ondermijnen; alles waar je je veilig bij voelt, zullen we besmetten. Je aartsvijanden zullen we juichend binnenhalen, en huisvesten onder je neus. Alles zullen ze van je afnemen, en wij zorgen ervoor dat je geen kant op kunt. Als je protesteert, zullen wij je beschimpen en kleineren. Als je je verzet, zullen wij je veroordelen. We gaan je net zolang manipuleren en beliegen dat je geen andere gedachte meer hebt dan de vurige wens bevrijd te worden van je schuld, en met liefde je eigen ondergang voorgoed zult bezegelen. We zullen je wereld veranderen in een hel; daar wordt een hoger doel mee gediend, al hebben wij geen idee welk doel dat precies is.
De progressieven hebben hun ontwrichtende werk goed gedaan; met de Islam als breekijzer is de geest van Nederland voorgoed gebroken, en worden de laatste traditionele structuren vernietigd. Wonen, werk, onderwijs, omgangsvormen; niets is meer wat het was. Niets is nog ongedwongen of vanzelfsprekend, maar bezwaard en aangetast. Want wie weet tegenwoordig nog wat normaal is? Wie weet nog welk gedrag men van elkaar mag verwachten, of eisen? De burger, die zo zijn best heeft gedaan zich steeds maar weer aan te passen, is volledig de weg kwijt. Alle eigenheid is hem afgenomen, alle manieren om zich te wapenen zijn machteloos geworden. Wij dienen ons lopend op eieren door onze eigen samenleving te bewegen, daarbij toegeschreeuwd door de propagandisten van de progressieve gemeente, die ons vertellen dat het allemaal onze eigen schuld is.
Maar er valt ons niets te verwijten. Uit de wijze waarop de Garenvelders destijds in het dorpsleven waren opgenomen, is een les te leren: burgers zijn inschikkelijk, en er is veel waar ze aan kunnen wennen. Nederland is van harte bereid geweest om ook aan de nieuwe medelanders te wennen, Ik zie niet wat een bevolking nog meer zou moeten doen; in onze aanpassingsgezindheid zijn we zelfs al veel verder gegaan dan redelijkerwijs van een groep mensen gevraagd of verwacht zou mogen worden. Och, wat hoop ik toch vurig dat dit besef eens doordringt, en dat in het hoofd van mijn medeburgers het licht weer eens aangaat! Ik ben toch niet de enige met heimwee naar het Nederland uit mijn herinnering? Wat hoop ik toch dat die cartoonrel, die door de politiekcorrecte Gestapo prompt is aangewend om de vrijheid van de pers ter discussie te stellen, eindelijk eens aan de Nederlander duidelijk maakt dat hij in een positie wordt gemanoeuvreerd die niet normaal is; een positie die hij niet moet accepteren. Want je moet helemaal niet in discussie gaan met mongolen die menen dat hun Allah belangrijker is dan jouw gevoel voor humor; dergelijke mongolen dienen simpelweg gecorrigeerd te worden. Eeej, moslims! Doe es un bietje normaal!
Lagonda is 49 procent mannelijk, 51 procent vrouwelijk en 100 procent esotericus. Haar schrijfstijl wordt door sommigen ervaren als ‘een warm bad’, door anderen weer als ’totaal genadeloos’. Het is maar hoe de pet staat. Meer op de Lagonda blogspot.





RSS