De mythe van progressief Nederland
Elke Vlasveld

Ik was nog maar een kind in de jaren 60. Maar ook voor een kind viel aan de allesoverheersende politieke boodschap niet te ontkomen. Links was goed, want progressief, die wilden tenminste ergens naar toe. Rechts was slecht, een stel egoistische kapitalisten, die wilden alles houden zoals het was en liefst nog een beetje richting de vooroorlogse tijden van Colijn, De Geer en Ruys de Beerenbrouck terugtrekken. Al waren de progressieven met die moralistische onderverdeling in goed en slecht wél de oerarchitecten van het huidige wij-zijdenken: met dat tenminste vooruit willen van de progressieven hadden ze eigenlijk best een beetje gelijk.
Tenslotte was de progressieve beweging in de negentiende eeuw onstaan als reactie op het schrijnende leed in de steden, waar de fabrieksarbeiders die de Industriele Revolutie van handen en voeten hadden voorzien, in de meest erbarmelijke omstandigheden leefden. Er moest wat gebeuren en dat deden ze dan ook. Onderwijs, hygiëne, geboortebeperking, verbeterde arbeidsomstandigheden, menswaardige lonen, sociale woningbouw, afschaffing kinderarbeid, en in 1919 zelfs algemeen stemrecht. Allemaal ontstaan uit een subtiel evenwicht tussen de stormachtige ideologieën van het nieuwe denkbeeld, het socialisme, en het wat bedaagdere maar hartstochtelijk vrijheidslievende liberalisme, de cocktail die de Nederlandse opvatting van democratie grotendeels zou gaan vormgeven.
De confessionelen sloften steeds bij, hoewel altijd wat achterop en mokkend over zoveel verandering tegelijk. Samen met Vadertje Drees realiseerden de confessionelen zowaar nog de AOW. Wat was dat schitterend! Er zwelt een grote vaderlandsliefde in de borstkas als je terugdenkt aan de maatschappelijke heldendaden die toen zijn verricht.
Progressieven aan de macht
Met het kabinet Den Uyl zou dit allemaal voorgoed veranderen. Want voor het eerst kwamen de progressieven helemaal en volledig aan de macht. Niet alleen in de politiek, want de vanaf de twintiger jaren gehuldigde strategie plaatst onze menschen overal aan het roer, zorgde ervoor dat de politieke macht van het kabinet Den Uyl werd gebruikt om departementen, maatschappelijk middenveld, onderwijs en media letterlijk te overspoelen met een overtal aan progressieven. Een partijpolitieke infiltratie van het publieke domein, die tot op de dag van vandaag voortduurt. Eenmaal gezeten op de comfortabele zetels van macht en invloed, kwam de progressieve aap uit de mouw.
Tot dan toe hadden de progressieven zich bezig gehouden met het realiseren van hun drie hoofddoelen: delen van rijkdom, delen van kennis, delen van macht. Ja, dat delen van rijkdom was heus heel aardig gegaan, en dat delen van kennis evenzeer. Toen Den Uyl aantrad met zijn meest linkse kabinet van Nederland, was het Nederlandse proletariaat al redelijk welvarend geworden, en hun kinderen zaten tussen de bralbakkies en kakmadammetjes van de voormalige elites in de banken van de HBS en de universiteiten.
Gestrand met de haven in zicht
Na deze sucessen, kwam het dus op het laatste grote progressieve doel aan: het delen van de macht. En dáár strandde het progressieve schip. Want de macht, dat waren al lang niet meer de gehate fabrikanten van de negentiende eeuw. De macht, dat waren de progressieven inmiddels ook zelf geworden, ze zaten dankzij hun infilstratiestrategieën immers overal waar de lakens uitgedeeld werden. Ze verrekten het om hun macht te delen met het bevrijde proletariaat, dat tot hun grote teleurstelling veel minder uit massa’s rabiate, stakingsbereide socialisten bleek te bestaan dan ze gehoopt hadden. Moest hun met moeite verkregen macht dan in de handen van burgermannekes gelegd worden, die zomaar op de KVP of op de VVD konden gaan stemmen als ze daar zin in hadden? Progressief Nederland rilde bij het idee alleen al.
De progressieve leidslieden gooiden de kont tegen de krib, en startten de vorming van hun eigen elites op, die de burger consequent buiten de deur van het landsbestuur hielden. De politiek was nu ook volgens de progressieven opeens heel complex en érg ingewikkeld met veel rapporten en beleidsnota’s en zo, iets dat je als kiesgerechtigd burger zijnde maar beter aan (progressieve) specialisten kon overlaten.
Nieuw Links deed in 1969 een succesvolle greep naar de macht binnen de PvdA, en vormde al snel een ideologische stroming die het allemaal wel eens even zou gaan uitleggen aan de bevolking van Nederland. Uit hun midden kwamen een aantal van de ergste regenten, de meest Machiavellistische manipulators voort die dit gezellige moerasje sinds de Republiek der Zeven Provinciën had gezien: Bram Peper, Marcel van Dam, André van der Louw, Hans van den Doel, Max van den Berg, Han Lammers, Jan Nagel (bijgenaamd De Rasputin van het Gooi). Hun paternalistische mentaliteit verliet de progressieven, en vooral de PvdA nooit meer.
Bij de rest van de progressieve beweging ging het al net zo; PSP en PPR gingen met de communistische CPN op in GroenLinks en werden de elitairsten onder de progressieve elitairen.
GroenLinks werd ons eigenste ideologische Politburo, dat de burger angst aanjaagt met doemverhalen over stijgende zeespiegels, stervende bossen en zielige immigranten die door vuile rechtse racisten worden geweerd. Want naast het beloven van gouden bergen is angst altijd een probaat middel geweest om mensenmassa’s achter je aan te krijgen (u wilt toch ook geen in het door uw eigen schuld binnengutsende zeewater verzuipende racist wezen – of wel soms).
De niet tot enige modernisering te bewegen poldermarxisten, die natuurlijk al helemáál anti-burgers-aan-de-macht zijn met hun eeuwig doorgedreinde staatsbemoeienis, nivelleringszucht en collectivisme vonden een nieuw tehuis bij de SP, samen met alle goedgelovige minderbedeelden die wel wat zien in een uitkering ter hoogte van het salaris van een manager (de vuile kapitalist ). De vakbeweging verwerd tot een soort buitenparlementaire schaduwfractie van de PvdA, die mocht aanzitten bij het afkaarten van de politieke issues. Zij trekken zich verder niet bijster veel meer aan van hun achterban, tenzij deze gemobiliseerd moet worden voor partijpolitieke doeleinden.
Niks delen van macht de droom was uit. Het proletariaat (met zijn onderbuikgevoelens) moest het voortaan doen met periodiek een stembiljet invullen en verder kop houden. Gestrand, met de haven in zicht..
Progressief wordt conservatief
Mét het verraden van hun doel het delen van macht, veranderden de progressieven zichzelf in uitgerekend datgene, waar zij ooit zo fel tegen hadden gestreden. Elites die hun eigen regels vaststelden, hun macht consolideerden en gemeenschapsgelden naar doelen sluisden die hun eigen politieke stroming goedgezind waren. Zij huldigden geen uitgesproken standpunten meer, uit angst voor peilingen en verkiezingen. Vaag mompelden zij wat over ideologische veren afschudden en afstand nemen van Stalin en Mao als excuus voor het verlaten van een heldere koers met duidelijke keuzes.
De progressieven werden bangepoeperts, burgerlullen, staatskapitalisten, dwingelanden, intoleranten, relifundamentalisten en leugenaars ook nog. Met hun twee effectiefste propagandamechanismen, het onderwijs en de media, werd én wordt de schijngestalte van de vooruitstrevenden er onophoudelijk ingepompt. Met het keihard gespeelde links/rechts-goed/slechtmoralisme is immers de weg naar al te openlijke verrechtsing afgesloten. Het resultaat is een uiterst conservatieve, initiatiefloze beweging, die in de volksmond desalniettemin bekend staat als progressief.
Progressieven zijn burgerlullen
De vroeger echt, maar nu schijnprogressieven begonnen door hun gecontrueerde imago van sociale redders een electoraat aan te trekken, dat voortdurend gevoed wil worden met materiële beloften en fraaie maatschappelijke vergezichten. Enthousiast juicht dit electoraat iedere progressieve roep om meer geld voor willekeurig-wat-voor-geregel van de overheid toe. Daarmee zichzelf steeds minder, en de overheid steeds meer macht toekennend, het etatisme zodoende steeds verder uitbouwend. Kortom, de regel-jij-het-allemaal-maar mentaliteit de slapste knieën van het Vaderland. Zolang er maar voetbal is. En vakantietoeslagen, reiskostenvergoedingen, spaarlonen, kerstpakketten, tv-acties voor rampgebieden om het welvaartsgeweten mee te sussen, biologische onkruidbestrijdingsmiddelen voor het grindpad bij de prefabwoning, en een plastic bakje om het groenteafval en de batterijtjes (die immers de gevreesde Opwarming Van Het Klimaatgat In De Afsmeltende Ozonlaag veroorzaken) kwijt te kunnen. En natuurlijk Waddenbrood, eko-aardappelen en de Wereldwinkel. Ziehier de behoeften van het progressieve, overwegend middle-class electoraat. Panem et circenses de burgerlul optima forma.
Progressieven zijn bangepoeperts
De progressieven zijn ook bangepoeperts. Ze zijn óf zelf bangepoeperts, ofwel spelen ze genadeloos in op de angsten van de bangepoeperts. Bang voor eigen verantwoordelijkheid, bang voor de dynamiek van de planeet die zeespiegels doet stijgen en dalen, maar soms ook hele zeeën doet verdwijnen, bang voor het hebben van een baan zonder worgende ontslagbescherming, bang voor het opraken van het gas, bang voor “ut mejeu”, bang voor commerciële bedrijven en het bijbehorende winstoogmerk, bang voor alles, en daarom zo gul met betuttelende regeltjes om van alles en nog wat onder controle te houden.
Progressieven zijn intolerant
Maar vooral zijn de progressieven bang voor mensen die anders denken dan zij. Die niet het nivellerende “eenheidsworstdenken” aanhangen, dat de progressieven gemeen hebben met de islam, en waardoor ze zich kennelijk zo verbonden voelen met die religie. Het antisociale droesem van de progressieven, de radicaal linkse hooligans, schuwen zelfs het geweld niet om andersdenkenden het zwijgen op te leggen. Al houden de nette progressieven het gewoonlijk bij verketteren en uitsluiten.
Progressieven zijn asociaal
De progressieven in het Nederland van 2006 bestaan grofweg uit drie lagen:
– De babyboomers, grotendeels “progressief”, zij vormen het zware zandlichaam van de progressieven
– Hun aloude leidslieden uit de siksties en seffenties, geboortedatum net voor de oorlog.
– Hooligans, produkten van de “vrije opvoeding” die hen tot onuitstaanbaar arrogante pubers vormde, of juist in zeer streng-confessionele gezinnen gecrashte persoonlijkheden. Zij adapteren een soort chronische pubertijd; waarbij ze hun dwangmatige oppositionalisme op tragische wijze verwarren met vooruitstrevendheid.
De ouwe stoempers van bijvoorbeeld Nieuw Links (Bram Peper, Marcel van Dam, Max van den Berg etc.) werden zoals gezegd de ergste plucheplakkende regenten die Nederland sinds lang meegemaakt heeft.
Die chronisch (“gronies?”) puberale hooligans zijn in hun benepen, vrijwel geheel op uitkeringen en subsidies draaiende anti-alles-wereldje vooral bezig met wat ze niet willen: puur reactionair, geen greintje progressiviteit in te ontdekken.
Maar met name die zogenaamd progressieve babyboomers is een stel asocialen van formaat.
Progressief? Ammehoela! Solidair? Ammehoela! Een stel rücksichtlose graaikampioenen zijn het, die hun overtal keer op keer misbruikt hebben om hun eigen belangen veilig te stellen.
Toen ze in de zestiger jaren tieners waren, moesten we solidair zijn met de prille jeugd (en kregen we de jeugdcultus plus Vrije Opvoeding – ze moesten vooral niks moeten of hoeven). Toen ze in de zeventiger jaren studeerden, moesten we opeens solidair zijn met de studenten (inspraak, studentenraad, Maagdenhuis etc.). Toen ze tijdens de gitzwarte economische jaren tachtig massaal de arbeidsmarkt op wilden, werd er ook weer solidariteit met specifiek hen geëist: opsodemieteren in de VUT, ouwe. Toen ze op weg naar de milleniumwisseling carrière maakten en op het pluche kwamen te zitten, moesten we opeens solidair zijn met het landsbestuur waaraan zij deelnamen, en de organisaties waarin zij zich ophielden. De burger moest alles liever aan hen overlaten; dan kwam het goed.
De ongenoegens daarover liepen bij zowel burgers als progressieve bestuurders hoog op, en vonden een climax in de moord op Fortuyn, gepleegd door hoe kan het ook anders- één van de progressieve hooligans. En nu de babyboomers aan het begin van de eenentwintigste eeuw ouder worden, moeten we opeens solidair zijn met ouderen. Denk maar niet dat deze stierlijk verwende generatie straks genoegen neemt met de zorg, waarmee ze nu haar eigen ouders afscheept.
Progressieven zijn relifundamentalisten
Youri Albrecht zei het laatst al bij het tv-programma Goedemorgen Nederland: de PvdA lijkt onderhand wel een soort islamitisch CDA, ze richten zich sterk op geloof en godsdienst. Tengevolge van de door henzelf, om partijpolitieke redenen geschapen schijnverbanden tussen de begrippen tolerantie, geloofsvrijheid, immigratie en racisme, zijn de progressieven van 2006 verstrikt geraakt in hun eigen politieke correctheid. Ze strijden en eisen wat af voor de islam, op een fanatieke manier die André Rouvoet en Bas van der Vlies niet voor hun christendom zouden moeten flikken. Zo werpen de progressieven zich nu op als verdedigers van een godsdienst die bekend staat om zijn discriminatie van vrouwen, homo’s en andersgelovigen terwijl de laatste échte progressieven nu juist knalhard voor de rechten van die groeperingen hebben geknokt.
Progressieven zijn leugenaars
Wat te denken van het Maartje van Weegen-syndroom, de plotselinge Oranjeliefde die zoveel ooit rabiaat republikeinse progressieven bevangen heeft? Hun “strijd” tegen de “elites” bleek uiteindelijk slechts een leugen, een strijd om óók een elite te worden. Zodra ze tot de elite behoorden, kropen ze bij de Oranjes op schoot.
Aan de peilingen van Maurice de Hond te zien, snapt niet iedere kiesgerechtigde Nederlander wat de goede Oude Drees lang geleden al inzag. Willem Drees bedankte op 24 mei 1971 voor het lidmaatschap van de PvdA, uit ongenoegen over het spilzieke financiele beleid en het groeiende elitarisme binnen zijn partij, die zijn partij niet meer was. Hij was 67 jaar lid geweest, en had aan vijf na-oorlogse, uiterst spaarzame en progressieve wederopbouwkabinetten deelgenomen driemaal als minister-president. De dag dat hij zijn lidmaatschap van de PvdA opzei, is de historische grenspaal die het definitieve einde van de progressieve beweging in Nederland markeert.
Wat rest is slechts een met veel moeite en gemeenschapsgeld in stand gehouden mythe.
Elke Vlasveld (1959) groeide op in een sterk linksgeoriënteerd milieu. Nadat het gezin in de 70-er jaren zoals zovele alternatieven van Randstad naar het Noorden verhuisde teneinde “terug naar de natuur te gaan”, kwam ze nauw in aanraking met de wereld van biologisch dynamische tuinbouw, milieu- en vredesbeweging. Het welig woekerende dogmatisme in dit gesloten wereldje, deden haar kritischer en kritischer worden over de vaak bizarre beweringen en claims die er opgang deden. Na definitief besloten te hebben dat ze toch écht loepzuiver liberaal was, voegde ze de daad bij het woord en werd zelfstandig ondernemer.





RSS