Oproep tot verzet
Bart Croughs

Illustratie: Mirjam Vissers
Er wordt heel wat afgepraat over de zorgwekkende jeugdcriminaliteit in Nederland, maar een minstens even zorgwekkend probleem, waar nauwelijks aandacht aan wordt besteed, vormen de kinderen in de leeftijdscategorie waarin nog niet wordt geroofd en gemoord. Brutale, herriemakende kinderen; een ware plaag. Vooral in openbare gelegenheden maken ze de boel onveilig: tikkertje spelen, krijsen, het kan niet op.
Als zijn kroost zich misdraagt, maant de moderne vader het goedmoedig daarmee op te houden; maar het kroost luistert niet, en pappa weigert hieraan consequenties te verbinden. Hoe is deze merkwaardige houding te verklaren? Misschien zijn de jaren-zestig ideeen over anti-autoritaire opvoeding verantwoordelijk voor dit ziekelijke gedrag; best mogelijk dat deze ideeën, die bij de bedenkers ervan inmiddels alweer in discrediet zijn geraakt, nu pas tot grote lagen van de bevolking zijn doorgedrongen.
Misschien ook is het uit angst te werden beschuldigd van kindermishandeling dat pappa geen corrigerende tikken meer durft uit te delen; het gevaar daarop is in deze tijd nu eenmaal bepaald niet denkbeeldig. Een laatste mogelijke oorzaak: schuldgevoelens. Moderne ouders zijn weliswaar niet te beroerd om kinderen de wereld in te schoppen, maar ze hebben het te druk met carriere en zelfontplooiing om veel aandacht aan het kroost te kunnen besteden. Het verzorgen en opvoeden laten ze dus over aan oppas en creche. Als gevolg van het schuldgevoel dat hierover ontstaat, werden de kinderen gedurende de korte periode dat de ouders wel in hun nabijheid verkeren zoveel mogelijk in de watten gelegd; een draai om de oren is dan uiteraard ongepast.
Intussen bent u, als kinderloze of als iemand die nog de moed heeft z’n kinderen af en toe een ouderwetse draai om de oren te geven, het slachtoffer van deze terreur. U wacht tot de ouders ingrijpen, maar tevergeefs. Vervolgens wacht u tot iemand anders ingrijpt, ook tevergeefs. Dan denkt u erover zelf in te grijpen, maar dat doet u niet, want niemand grijpt in. Vervolgens gaat u over tot het werpen van vernietigende blikken naar de kabaalmakende kinderen, maar ook dat is zinloos. Het lijkt erop alsof de monstertjes zich zeer goed bewust zijn van hun onschendbare status.
Echt goede methoden om krijsende en hollende kinderen tot de orde te roepen zijn er niet, maar er zijn wel methoden die een groot gevoel van voldoening teweegbrengen bij degene die ze uitvoert. Het gevoel van frustratie verdwijnt op slag, en maakt plaats voor een stil genot waarmee zelfs het luidste kinderkabaal minimaal een half uur lang kan werden verdragen.
Ik geef twee voorbeelden. Als u wel eens in de trein zit, dan weet u dat het een geliefd tijdverdrijf van kinderen is om zich met beide handen aan de stoelleuningen aan weerszijden van het gangpad vast te klampen, en dan, steunend op de leuningen, de benen naar voren te slingeren; op die manier werken ze zich het gangpad door. Vaak wordt deze manier van voortbewegen gecombineerd met het spelen van tikkertje; onnodig te zeggen dat dit gepaard gaat met veel gekrijs. Als u geluk heeft, werken de kinderen op die manier de hele trein af, maar meestal beperken ze dit spelletje tot het deel van de trein waar u zich bevindt.
Om het enthousiasme van de kinderen wat in te dammen, heb ik de volgende methode ontwikkeld: op het moment dat u merkt dat een kind aanstalten maakt om voor zijn spel gebruik te maken van uw stoelleuning, laat u uw onderarm een paar centimeter boven de betreffende leuning zweven. Zodra u merkt dat het breekbare kinderhandje zich aan de leuning heeft vastgeklampt, drukt u uw elleboog naar beneden, zo krachtig als maar mogelijk is – uiteraard zonder zonder dat dit de aandacht trekt van uw medepassagiers. U dient uw hele lichaamsgewicht over te brengen op uw elleboog; de stoelleuningen in de Nederlandse treinen zijn helaas zacht en vangen de schok enigszins op – een schoolvoorbeeld van de arrogantie van de Nederlandse ontwerpers, die geen rekening wensen te houden met het dagelijkse gebruik van hun ontwerpen.
Als u de instructies goed heeft opgevolgd, hoort u onder uw elleboog iets kraken, direct gevolgd door een luidkeels uitgeschreeuwd ‘au!’, waarna een oorverdovend gehuil losbarst. U zult dan – misschien tot uw eigen verbazing – merken dat een huilend kind niet per definitie uw ergernis hoeft op te wekken; dit gehuil zal u als muziek in de oren klinken, en al zult u dat misschien nu niet geloven, u zult het zelfs jammer vinden als u het gesnik na enige tijd weer langzaam hoort wegebben. Probeer ’t maar!
Het is uiteraard wel zaak om uw gezicht goed in de plooi te houden bij het aanhoren van het door u veroorzaakte kinderverdriet. Als u na het krachtig neerplanten van uw elleboog de inleidende schreeuw van het kind hoort, dient u verbaasd en enigszins geirriteerd, dan wel verschrikt op te kijken; dit is van groot belang, aangezien op dat moment alle blikken in het treinstel op u gericht zullen zijn, meestal ook die van de verwekkers van het betreffende kind. Als uw gezicht de verkeerde uitdrukking heeft – een van grote vreugde bijvoorbeeld – dan kunt u problemen verwachten met de ouders of met andere passagiers.
Tot slot nog wat details waarop u bij de uitvoering speciaal dient te letten. De afstand tussen uw onderarm en de stoelleuning is zeer belangrijk. U moet uw onderarm niet te laag boven de leuning te houden – dan zien de kinderen niet dat er plaats is om hun handen neer te zetten, en loopt u het risico dat ze uw stoel overslaan – maar ook niet te hoog, want dan loopt de neerwaartse beweging van uw elleboog teveel in het oog voor uw medepassagiers. Dit luistert zeer nauw; de ervaring leert dat de ideale afstand zo om en nabij de vier centimeter ligt.
Een andere moeilijkheid wordt gevormd door de plaats waar het kind zijn hand neerzet. Dit dient exact onder de elleboog te geschieden; wordt de hand te ver naar voren geplaatst, dan verliest uw arm z’n kracht, en kunt u het kind, tenzij het erg jong is, onmogelijk aan het huilen krijgen; een korte schreeuw is dan doorgaans alles waarop u kunt hopen. Merkt u dat de hand van het kind te ver naar voren is geplaatst, houdt u daar dan rekening mee bij het neerdrukken van uw elleboog – het is weliswaar niet erg elegant, maar er valt op die manier nog heel wat te corrigeren.
Mocht u van nature niet zo handig zijn, mocht u bij de eerste schreden op uw pad aan uw slachtoffertjes niet meer dan een zwak kreetje kunnen ontlokken, mocht u uitgescholden of zelfs bedreigd werden door medepassagiers – doorgaans met een baard, zo leert de ervaring – laat u zich dan vooral niet ontmoedigen: oefening baart kunst.
Als u een kind op de hierboven geschetste manier met succes bewerkt heeft – en met succes bedoel ik: een flinke huilbui – dan valt het niet aan te raden om tijdens dezelfde rit nog meer slachtoffers te maken; dit loopt eenvoudig te zeer in de gaten. Deze aanwijzing mag eenvoudig klinken, de praktijk leert dat het niet eenvoudig is om op te houden als men eenmaal succes heeft geboekt; men zou kunnen zeggen dat het kindergehuil op veel mensen een verslavende uitwerking heeft. Bij half succes – een kreet – kunt u rustig een tweede poging wagen; ook als u overstapt, kunt u uiteraard een tweede keer toeslaan.
Een tweede voorbeeld: de openbare bibliotheek. Bood zo’n instelling vroeger nog een oase van eerbiedige rust, tegenwoordig doet de atmosfeer denken aan die van een zwembad. In de bibliotheek is het spelen van tikkertje gelukkig zeer effectief te bestrijden. Komt er zo’n hummel luid schreeuwend langsgerend – niets is eenvoudiger dan even de voet uit te steken. Het voorwaarts uitsteken van de voet is het eenvoudigst, maar ook achterwaarts valt er met enige oefening een verbluffend resultaat te behalen.
U bent uiterlijk geheel in het boek verdiept dat u zojuist uit de kast hebt gehaald, u stelt zich op de juiste plaats op – ongeveer een meter van de boekenkast – en steekt terloops, als het ware zonder er bij na te denken, uw voet uit. Het effect is weldadig: met een harde klap slaat de kleuter tegen de grond. Of dit gevolgd wordt door een huilbui, hangt voornamelijk af van de leeftijd en het geslacht van het betreffende kind. Bij meisjes onder de zes jaar is de kans hierop het grootst; deze categorie vormt dan ook het meest dankbare soort slachtoffer. Mocht u bang zijn voor ontdekking van uw daad, trekt u dan een bezorgd gezicht, ga op het kind af, spreek “ach, jongetje/meisje toch, heb je je pijn gedaan?” en help het kind overeind. Als u deze procedure volgt, dan kunt u uw kleine verzetsdaad later nog een keer herhalen bij een ander kind.
U heeft nu een idee gekregen van de bestaande methodieken. Tot slot zou ik iedereen die zelf geen herrieschoppende kinderen heeft, willen oproepen dit soort methoden zo vaak als maar enigszins mogelijk is zelf toe te passen. Niet alleen in trein of bibliotheek, nee, overal: bij familiebezoek, op de camping, in het buitenland – vooral Franse kinderen dienen hard aangepakt te werden – op straat, in het postkantoor, kortom, overal waar kinderen komen. Laat uw creativiteit de vrije loop en verzint u zelf eens wat nieuws; deel met anderen uw pasverworven kennis, en spoor ze aan hetzelfde te doen.
Alleen samen kunnen we de pest van dat kabaalmakende tuig uitroeien.
Bart Croughs (1966) is filosoof en tot voor kort columnist bij HP/De Tijd. Daar is hij mee gestopt omdat het dagelijks doornemen van kranten vol onzin en opiniebladen vol domheid hem na een paar jaar ‘de strot uit kwam’. Deze tekst is afkomstig uit zijn boek In de naam van de vrouw, de homo en de allochtoon.





RSS