Schrijf zelf uw reli-thriller (voor gevorderden)
Jona Lendering

Patriotic Women door Amir Normandi
Ontlezing is een schone zaak. Lezers herkennen clichés niet langer, zodat auteurs met minder intellectuele inspanning hun geld kunnen verdienen. Literatuur wordt nu formulewerk en een succesvol boek kan worden geïmiteerd. Jona Lendering legde al eerder uit hoe ook u een onverbiddelijke bestseller schrijft en behandelt dit keer twee voorbeelden van eigen bodem..
In de eerste aflevering van deze online-cursus kwam het recept van een succesvolle reli-thriller ter sprake. Begin met een moord, werk met twee helden die het opnemen tegen een even machtige als geheimzinnige organisatie, gebruik herkenbare toeristische locaties, zorg voor een stevige onthulling over de aard van de menselijke geschiedenis, verwijs naar een half-bekende (eventueel religieuze) cultuur, stop een mysterieus voorwerp in het verhaal, introduceer achtergrondinformatie door de hoofdfiguren in een docent-student-relatie te plaatsen, lok geleerde kritiek uit, benut stilistische trucs die op TV zijn uit te leggen (anders loopt u uw AKO-literatuurprijsnominatie mis) en vooral: probeer geen literatuur te schrijven. U verhoogt uw oplage alleen als u een doelgroep aanboort die anders niet leest.
Simone van der Vlugt begrijpt dit alles uitstekend. In Het laatste offer past ze de regels voorbeeldig toe, en haar boek is inmiddels dan ook genomineerd voor de NS Publieksprijs. Dat zal het rendement zeker vergroten. Corine Kisling en Paul Verhuyck schieten met Het leugenverhaal daarentegen in hun eigen voet. De literaire kwaliteit kan niet anders dan een negatieve invloed hebben op de verkoop.
Hoe het wel moet
Om met de deur in huis te vallen: Van der Vlugt presenteert – regel één – een goede onthulling. Deze plot achter de eigenlijke verhaalplot komt erop neer dat de oude Egyptenaren op elektronisch gebied zeer vergevorderd waren en dat deze kennis Mozes in staat stelde een massavernietigingswapen te maken, de Ark van het Verbond (regel twee). Na enkele omzwervingen zou dit voorwerp in Chartres zijn beland. Hoewel de vraag opkomt waarom de Joden hun geheime wapen niet benutten om een vruchtbaarder stuk Nabije Oosten te veroveren, is dit een beregoede plot: de wereldgeschiedenis is, in de betere reli-thriller, altijd verkeerd geïnterpreteerd geweest. Oudhistorici en archeologen zijn immers dom, hun opleiding dient slechts om oogkleppen te ontwikkelen en het is algemeen bekend dat amateurs tot sensationele wetenschappelijke inzichten komen door de Bijbel letterlijk te nemen.
Om de plot-achter-de-plot geloofwaardig te presenteren hebben we, conform regel acht, behoefte aan wat Godfried Bomans in De avonturen van Bill Clifford een sufferd’ noemde. De heldin van Het laatste offer kent wel wat Bijbelverhalen maar weet niets van Egypte, zodat haar tegenspeler ongeforceerd alles kan uitleggen.
Van der Vlugts gebruik van clichés confronteert me met de eindigheid van mijn voorraad superlatieven. Er loopt een louche figuur door het verhaal (regel dertien ) en de organisatie die het geheim bewaakt is kapitaalkrachtig genoeg om vernoemd louche figuur overal heen te laten reizen en steeds opnieuw het spoor van de twee helden te laten vinden (regel zeven). Ook stilistisch houdt Van der Vlugt het simpel. Korte hoofdstukken en een dubbele verhaallijn voeren de spanning op. Een geestige innovatie is hierbij overigens dat één verhaallijn, die bestaat uit flash-backs naar de getraumatiseerde jeugd van de heldin (regel elf), voor de plot geen functie heeft. In zekere zin is Het laatste offer daardoor een abstracte reli-thriller, waar alle structuurelementen in zitten zonder dat ze compositioneel met elkaar te maken hebben. Chapeau!
Vanzelfsprekend voldoet Van der Vlugt, vakvrouw die ze is, aan regel negen en speelt het verhaal zich af op plaatsen die de lezers van een toeristisch bezoek kunnen kennen, zoals de tempels van Luxor en de kathedraal van Chartres. Dat geeft de lezer het idee dat ook hij dit avontuur zou hebben kunnen meemaken. Eenmaal in Chartres lopen de held en heldin, die uiteraard ook geliefden zijn, door het beroemde labyrint, en eenmaal in het centrum aangekomen omhelzen ze elkaar. Gelukkig maar. Scènes dienen zo voorspelbaar te zijn dat ook functioneel analfabeten de plot kunnen volgen.
Meesterlijk is ook Van der Vlugts verwijzing naar de zogeheten Bagdad Batterij. Die bestaat inderdaad en bevindt zich nog altijd in het vier jaar geleden zo jammerlijk geplunderde Irakese Archeologisch Museum. Het voorwerp lijkt een simpele voltaïsche cel te zijn geweest die gebruikt kan zijn bij het vergulden van voorwerpen door middel van elektrodepositie
Let wel: het voorwerp kan hebben gediend om stroom op te wekken en lijkt een batterij. Elke archeoloog die Van der Vlugts boek leest, zal willen opmerken dat de interpretatie van het voorwerp met evenveel onzekerheid is omgeven als pakweg de bronzen dodecaëders die in Noordwest-Europa in Romeinse contexten zijn opgegraven. De Bagdad Batterij kan evengoed een andere functie hebben gehad. En elke historicus of aardrijkskundige zal opmerken dat een voorwerp uit het Babylonië van de eerste eeuw voor of na Christus niets, maar dan ook totaal niets, te maken heeft met het Egypte van de Late Bronstijd. We kunnen erop wachten dat een geleerde deze simpele kritiek publiceert, en zo extra aandacht voor Het laatste offer genereert. Van der Vlugt past regel vijftien toe met de accuratesse waarmee een matador een stier de laatste, dodelijke steek toebrengt.
Van der Vlugts grootste kwaliteit is echter dat ze volstrekt geen gevoel heeft voor taal. Neem deze zin uit het begin van Het laatste offer:
Het is al een hele tijd geleden dat ze seks heeft gehad en om eerlijk te zijn is ze er hard aan toe. (blz.19)
Wie is hier eerlijk? Op het eerste gezicht is het Van der Vlugt die oordeelt dat haar personage een goede beurt nodig heeft. Het is echter de enige keer in de hele roman dat de vertelster expliciet een eigen mening geeft over het handelen of gevoel van haar personages – een literair procédé dat al enige tijd in onbruik is. Het is daarom aannemelijker dat Van der Vlugt bedoelde:
Het is al een hele tijd geleden dat ze seks heeft gehad en als ze eerlijk tegen zichzelf was, was ze er hard aan toe.
Ik zou meer voorbeelden kunnen geven, maar het punt moge duidelijk zijn: Van der Vlugt begrijpt niet hoe taal werkt. En dat is een enorme pré. Ze schrijft immers voor een publiek dat zich even slordig uitdrukt.
Helaas krijgt Van der Vlugts boek van haar uitgeverij niet helemaal de zorg die het verdient. Het boek wordt namelijk gepresenteerd als literaire thriller. Dat is natuurlijk commerciële kamikaze. Literatuur berooft ons van vooroordelen en zo, maar wat heb je daaraan? Niemand betaalt voor onaangename waarheden. Het kan pas handel worden als een boek gangbare ideeën bevestigt – en dat is precies wat Van de Vlugt met haar piramidioterie doet. Het valt voor haar te vrezen dat het publiek zich door de genreaanduiding laat afschrikken.
Hoe het niet moet
Hoeveel minder dan Het laatste offer is Het leugenverhaal! Toegeven, de auteurs doen hun best. Ze beginnen met een moord (regel tien), voeren de spanning op met korte hoofdstukken (regel elf) en plaatsen de twee hoofdfiguren in een docent-student-relatie (regel acht). Maar verder blijken de twee auteurs niet opgewassen tegen de eisen van de bestseller. Ik begin met hun taalgebruik en neem opnieuw een citaat van een van de eerste pagina’s:
de datum van de krant toonde aan dat er inmiddels een decennium verstreken was. Het duizelde hem. De jaren waren als haaien gepasseerd: snel, meedogenloos, dodelijk. (blz.8)
Het gebruik van dit soort beeldspraken is een beginnersfout die ik niet had verwacht van auteurs die elk al vijf romans op hun naam hebben staan. Ze schrijven immers voor het grote publiek dat clichés niet herkent en het heeft geen zin daarvoor een mooie metafoor te verzinnen. Kisling en Verhuyck verspillen hun energie en maken het zichzelf nodeloos moeilijk.
Hun onthulling is ook niet wat ze zou moeten wezen. De beker die Chrétien de Troyes aan het einde van de twaalfde eeuw aanzette tot het schrijven van Het verhaal van de Graal, heeft zich, zo blijkt bij herbestudering van Van den vos Reynaerde , ooit in een abdij in Zeeuws-Vlaanderen bevonden, en verschillende groepen zijn op zoek naar de ruïne van die abdij. Dit druist in tegen regel één : in de plot-achter-de-plot moet minstens het voortbestaan van de wereld, of althans van alle gevestigde vormen van autoriteit, in het geding zijn. Zó moeilijk is dat toch niet? Laten Kisling en Verhuyck een voorbeeld nemen aan Van der Vlugt, die aan een handvol passages uit de bijbelboeken Exodus en Jozua genoeg heeft om Mozes te voorzien van massavernietigingswapens.
Ernstiger nog is de overtreding van regel twee: de verwijzing naar het aan de lezer half-bekende brok cultuurgeschiedenis. De beker die Chrétien aanzette tot het schrijven van de Graalroman’ is natuurlijk onvoldoende. Het moet de Graal zélf zijn, en het voorwerp dient van dien aard te zijn dat het met prehistorische vruchtbaarheidsculten in verband kan worden gebracht. Dan zouden de schrijvers ook de feministische dimensie (regel vijf) via de gedachte de Graal is de kelk in iedere vrouw’ aan Het leugenverhaal hebben kunnen toevoegen. Dit is een gemiste kans. Wat we voor een kaskraker nodig hebben, is het mysterieuze voorwerp zélf. Van der Vlugt zou zeker niet genomineerd zijn geweest voor de NS Publieksprijs als zij had gekozen voor het kistje dat de auteur van Exodus inspireerde tot de Ark’.
Ook op andere punten tonen Kisling en Verhuyck een contraproductieve originaliteit. Waarom is er geen geheimzinnige, machtige organisatie die het geheim van de Graal -of de beker die Chrétien op het idee bracht- desnoods met moord beschermt? Waarom krijgen de personages zulke menselijke motieven en is er geen sinistere kwade genius? Waarom speelt het verhaal niet in een toeristische metropool maar op het Zeeuws-Vlaamse platteland? Wat doen die natuurbeschrijvingen in dit boek? Waarom ontbreken de clichés? De schrijvers maken het de lezer op deze manier niet gemakkelijk; hij moet gaan nadenken, en dat staat, zoals we al hebben gezien, haaks op de rentabiliteit van het boek.
Tot slot: een reli-thriller is een boek voor een publiek dat afgeleid raakt bij vertoon van ésprit. De door Kisling en Verhuyck verzonnen politieke partij BLIK, die ijvert voor de hereniging van het over drie landen verdeelde historische graafschap Vlaanderen, is als grap te verfijnd. Opnieuw maken de auteurs een beginnersfout – regel zes schrijft voor dat niemand op echte humor zit te wachten. De grap dat de politiecommisaris van het Zeeuws-Vlaamse stadje Arthur Nobel heet en daarmee de namen van de koningen uit Het verhaal van de Graal en Van den vos Reynaerde combineert, heeft weliswaar het gebrek aan kwaliteit dat Van der Vlugt zo ogenschijnlijk moeiteloos bereikt, maar is te weinig om Het leugenverhaal naar het vereiste niveau neer te trekken.
Het vreemde aan deze mislukte roman is dat Corine Kisling en Paul Verhuyck best begrijpen hoe het moet. Ik rond af met nog een citaat, niet om te tonen dat ze ook na de eerste pagina’s hun energie nog verspillen aan mooie, lyrische zinnen, maar omdat eruit kan worden afgeleid dat ze de tijdgeest wel degelijk begrijpen. Aan het woord is een monnik wiens klooster wordt verkocht:
De naam van de holding is niet Investica, maar Investhetica. Ons klooster wordt het grootste schoonheidsinstituut van het land, zegt men, compleet met fitnesscentrum, operatiekamers en hotelfaciliteiten. [ H]et is zo volslágen anders. De absolute tegenstelling met wat ons bezield heeft. Als het nu een school zou worden, of een opvangcentrum voor asielzoekers, of een tehuis voor daklozen, zou ik me ermee kunnen verzoenen. Maar nu Ik moet er niet aan denken dat er allerlei ontklede snobs rondhopsen te midden van de geschilderde heiligenlevens in onze kapel. Alle waarden worden omgedraaid, binnenstebuiten gekeerd. Ondeugd is sexy geworden. Bezinning wordt glamour, inkeer wordt uiterlijk, hart wordt huid. (blz.74)
Kisling en Verhuck begrijpen dus wel degelijk wat de inzet is van het boekenvak. Het gaat om pegels en niet om passie. Het is mij een raadsel waarom ze, als ze toch beter weten, alle regels aan hun laars lappen en niets lucratievers produceren dan een thriller van hoge kwaliteit.
Jona Lendering is historicus, de man achter de website Livius en mede-oprichter van Livius Onderwijs, waar cursussen worden gegeven over de oude Mediterrane samenlevingen. Lees zijn boek over oorlogsverslagen in de klassieke oudheid, Oorlogsmist.





RSS