Compromis met de duivel

Peter Breedveld

Gerome4def (233k image)
Plaatje van Jean-Léon Gérôme

Ingenieur Marinus Hendrik Damme was één van de machtigste captains of industry van het vooroorlogse Nederland. Hij was directeur van de Amsterdamse NV Werkspoor, die machines en spoorwegmaterieel produceerde, en voorzitter van de Vereeniging van Metaal-Industrieelen. Toen Nederland in 1940 werd bezet door de Nazi’s, maakte Damme deel uit van een groepje industriëlen dat nauwelijks kon wachten om met hen in zee te gaan. Tegen het nadrukkelijke bevel in van Generaal Winkelman, plaatsvervanger van de naar Londen uitgeweken Koningin Wilhelmina, sleepten Damme en zijn kornuiten al in de eerste maand van de bezetting een flink aantal Duitse lucratieve opdrachten in de wacht.

Damme had gecollaboreerd met de Duitsers, en na de oorlog kwam er een gerechtelijk onderzoek naar zijn gedrag. “De zaak Damme was de testcase van het justitioneel optreden tegen grootindustrielen wegen economische collaboratie”, aldus jurist Joggli Meihuizen, schrijver van het boek Noodzakelijk Kwaad, over de bestraffing van de economische collaboratie.

Damme is echter nooit gestraft. Damme had namelijk vrienden. Hij maakte deel uit van wat Meihuizen het ‘wij-circuit’ noemt. Hij kende Dirk Stikker, oud-directeur van Heineken en oprichter en voorzitter van de in 1945 opgerichte Stichting van de Arbeid, waarvan Damme een paar jaar later voorzitter zou worden. Ook kende hij Prins Bernhard, die tegen de vervolging van economische collaborateurs had gepleit, omdat volgens hem het bedrijfsleven zichzelf wel zou zuiveren.

Stikker begon in de zomer van 1947 een actie om te voorkomen dat vooraanstaande Nederlandse industriëlen wegens economische collaboratie zouden worden berecht. Hij geloofde dat de economische wederopbouw van Nederland gevaar zou lopen als de top van het bedrijfsleven zou worden afgeroomd. Hij kreeg de voorzitters van de voornaamste vakverenigingen achter zich, die hij allemaal kende uit de Stichting van de Arbeid. Volgens Meihuizen was dat een kwestie van loyaliteit: Stikker had hen een plaatsje in de Stichting van de Arbeid gegeven, daar stond natuurlijk wat tegenover.

De Nederlandse regering besloot nog tijdens de oorlog dat economische collaborateurs als Damme niet zouden worden vervolgd. Dat voornemen dreigde te worden gedwarsboomd toen voorjaar 1945 na de bevrijding van het zuiden van Nederland, de directie van de prestigieuze Zeeuwse scheepswerf De Schelde toch wegens economische collaboratie werd gearresteerd.

Op aandringen van Stikker, de bankier Horatius Albarda en directeur F.Q. den Hollander van de Amsterdamse Artillerie-Inrichtingen Hembrug, werd door de regering een veertigtal zuiveringsraden voor het bedrijfsleven ingesteld, voor elke bedrijfssector één. In die raden zaten leden van het bedrijfsleven zelf. Meihuizen: “Het bedrijfsleven mocht zichzelf dus zuiveren. Daarmee was de angel uit de bestraffing van de economische collaboratie gehaald.”

Boven de zuiveringsraden stond de Centrale Zuiveringsraad, met als voorzitter de invloedrijke jurist Jan Donner, grootvader van de huidige minister van Sociale Zaken. “Donner was er van meet af aan van overtuigd dat het belang van de wederopbouw moest prevaleren boven het belang van een eerlijke en grondige berechting van economische collaborateurs”, zegt Meihuizen. Ook Stikker zat in deze raad.

Het voorkeursbeleid van de overheid ten aanzien van economische collaborateurs had succes: van de 32.000 gevallen van economische collaboratie kwamen er uiteindelijk circa zevenhonderd voor de strafrechter. Dat waren de industriëlen met pech, veelal aannemers, de ‘bunkerbouwers’. “Dat waren gewoon patjepeeërs, die hadden hun afkomst niet mee”, zegt Meihuizen cynisch. “Ze hadden zich bovendien schuldig gemaakt aan de meest zichtbare vorm van economische collaboratie: die bunkers kon iedereen zien. Dat gold in veel mindere mate voor de oorlogsschepen die bijvoorbeeld de Schiedamse werf Gusto voor de Duitsers maakte en het bankwezen was helemaal onzichtbaar voor de publieke opinie. Dat kwam dan ook vrijwel ongeschonden weer uit de strijd.”

Was Nederland, wat die economische collaboratie betreft, erger dan andere landen?

Meihuizen: “Vooral in vergelijking met België was de Nederlandse industrie erg gretig om met de Duitsers samen te werken. Vermoedelijk komt dat omdat België in de Eerste Wereldoorlog ook bezet is geweest, in tegenstelling tot Nederland. Belgische industriëlen, die toen met de Duitsers hebben samengewerkt, zijn later zwaar gestraft en dat werkte afschrikkend.”

U bent niet bang om in uw boek een ethisch oordeel te vellen. In de conclusie citeert u bijvoorbeeld Prins Bernhards vriend Beelaerts van Blokland, die zei dat de Hollanders als handelsvolk zelfs bereid zijn tot een compromis met de duivel.

“Wat ik aan dat citaat zo interessant vind is dat het van iemand uit dat wij-circuit komt, dus uit vrij onverdachte hoek.”

U zegt ook ergens dat generaal Winkelman, die er bij de industriëlen op bleef hameren dat samenwerken met de Duitsers verboden was, de enige held is in deze hele affaire.

“Winkelman was de enige die zijn rug recht hield, ja. Die industriëlen waren van meet af aan bereid tot samenwerking met de Duitsers, die nauwelijks dwang uitoefenden. Kijk naar de Schiedamse werf Gusto, die zich op 23 mei 1940, acht dagen na de capitulatie, al bereid toonde om elf oorlogsschepen voor de Duitsers af te bouwen. Oórlogsschepen! Zonder dwang, en achter de rug van Winkelman om.”

Joggli Meihuizen: Noodzakelijk Kwaad; de bestraffing van economische collaboratie in Nederland na de Tweede Wereldoorlog, uitgeverij Boom, Amsterdam. Dit artikel is eerder gepubliceerd in SER-bulletin.

10 november 2007 — Algemeen

Reacties gesloten. Reageren? Mail de redactie.

« home