Zeden
Paul Lafargue

Plaatje van Jean-Léon Gérôme
Toen aan het einde van de 15e eeuw Vasco de Gama de kusten van Malabar (Oost-Indië) bereikte, landden de Portugezen bij een volk, dat uitmuntte door zijn hoge trap van beschaving, de ontwikkeling van zijn marine, de sterkte en organisatie van zijn leger, de rijkdom van zijn steden, de prachtige weelde en de beschaafde zeden van zijn bewoners: maar de maatschappelijke positie van de vrouw en de familievorm, die zij er vonden, waren in lijnrechte tegenspraak met al hun uit Europa overgebrachte beschouwingen.
Bachofen geeft in zijn Antiquarischen Briefen een uitvoerige beschrijving van de familie van de Naïren van Malabar, welke hij putte uit talrijke bronnen, namelijk de berichten van Arabische, Portugese, Hollandse, Italiaanse, Franse, Engelse en Duitse schrijvers van de middeleeuwen tot de tegenwoordige tijd.
De Naïrenfamilie heeft een ongewone levenskracht aan de dag gelegd: zij hield zich staande tegen de onderdrukking door de aristocratie van de brahmanen, tegen de islam en tegen het christendom.
De Naïren, de krijgshaftige aristocratie van Malabar, vormen grote families, welke ieder wel enige honderden leden omvat, die allen een gemeenschappelijke naam voeren, zoals dit ook het geval is bij de Keltische Clan, de Romeinse Gens en de Griekse Genos. Het onroerend vermogen is gemeen-eigendom van het geslacht; de grootst mogelijke gelijkheid heerst binnen de grenzen van het geslacht.
De man leeft niet met zijn vrouw en kinderen, maar blijft met zijn broeders en zusters in het huis van zijn moeder. Scheidt hij zich van deze af, dan wordt hij steeds door zijn meest geliefde zuster vergezeld; na zijn dood komt zijn roerend vermogen niet aan zijn eigen kinderen, maar aan de kinderen van zijn zuster.
De moeder, of na haar dood de oudste dochter, vormt het hoofd van de familie en de bestuurster van de huishouding; het beheer van grond en bodem valt echter haar broer toe, die de naam voert van: man, die te eten geeft’. De echtgenoot is een gast in het huis van zijn vrouw; hij betreedt het slechts op zekere, bepaalde uren, en zit aan tafel niet aan de zijde van vrouw en kind. ‘De Naïren’, zegt de Portugees Barbosa, ‘hebben een buitengewone eerbied voor hun moeder… op gelijke wijze vereren zij hun oudere zusters, die de plaats van een moeder innemen’.
De Naïrenvrouw bezit meerdere mannen, tien, twaalf en nog wel meer, wanneer het haar bevalt en die zij naar goeddunken wisselen kan; zij volgen elkaar langs de rij af op; ieder heeft zijn bepaalde echtelijke dag, gedurende welke hij in de kosten voor de huishouding bijdragen moet. Om aan te duiden dat zijn plaats bezet is, hangt hij zijn zwaard en zijn schild boven de huisdeur op. De vrouw wordt des te meer geacht en bewonderd, hoe meer echtgenoten zich tot haar onderhoud verenigen.
Om niet te moeten hongeren op de dagen, dat hij geen toegang tot zijn dame heeft, mag hij zich aansluiten bij andere huwelijksgezelschappen; hij kan ook naar believen het ene huwelijksgezelschap uittreden, om in een ander te gaan, en zijn dame heeft het recht hem af te wijzen, wanneer hij haar niet bevalt of zijn plichten niet voldoende nakomt. De Naïrenvrouw leeft in de veelmannerij (polyandrie) en de Naïr in de veelwijverij (polygamie of polygynie).
De kinderen volgen de moeder, deze heeft de plicht hen te voeden: ‘Geen Naïr kent zijnen vader’, zegt Buchanan, ‘veel meer beschouwt ieder zijn zusterskinderen als zijn erfgenamen’. Nog meer, hij voelt werkelijk voor hen die genegenheid, welke in andere delen van de aarde de vader alleen zijn eigen kinderen toedraagt. Ja. hij zou als een monster gelden, die bij de dood van een kind, dat hij wegens de gelijkenis en het lange samenleven met de moeder als zijn eigen beschouwen moet, dezelfde droefheid aan de dag legde, en evenveel tranen vergoot, als bij de dood van een zusterskind.
De Naïren schijnen zich tot taak gesteld te hebben, de zedelijke begrippen van de goede Europeeër t onderste boven te gooien. Het recht, een jonkvrouw haar maagdelijkheid te ontnemen, t welk de ridderschap van de middeleeuwen als een kostbaar voorrecht voor zich alleen behield, komt de Naïren als een hoogst lastige herendienst voor. Zij huren daarom voor dit doel vreemden, wie zij daarvoor een loon betalen. Bartema* verhaalt: ‘De Radjah van de Indische stad Tarnassari laat zijn vrouw tot ontmaagding over aan. . . blanke mannen, christenen of mohammedanen. Alvorens zij hun bruid naar huis voeren, zoeken zij een blanke op, nemen hem, wie hij ook zijn moge, mede naar huis en geven hem hun vrouw.’
George IV, koning van Engeland, deelde deze beschouwing van de Naïren, hij zei dat dit een arbeid voor stalknechts was.
Barbosa, die een levendige beschrijving van de huwelijksgebruiken bij de Naïren geeft, roept uit: ‘Een meisje, dat jonkvrouw blijft, vindt, naar hun wereldbeschouwing, geen toegang in het paradijs.’
Wanneer men zulke vreemdsoortige zeden bij wilden had aangetroffen, die op de onderste trap van de beschaving stonden, dan zou men spoedig klaar zijn geweest, hetzelfde oordeel te vellen, wat de Spanjaarden gaven over de Indianen, die door hen op de gruwzaamste wijze vermoord werden: De Naïren zijn mensen zonder rede’. De goede christenen en vele geleerde antropologen konden er bij voegen: De Naïren zijn een ontaard volk, hun afschuwelijke zeden dragen het stempel van de ontaarding’. In werkelijkheid waren echter de Naïren de aristocratie van een beschaafd volk, dat ongetwijfeld hoger stond dan de Portugezen van de zestiende eeuw.
Men zou kunnen vragen: Is de Naïrenfamilie, die berust op de gemeenschap van het grondeigendom binnen de grenzen van de stam, op het veelzijdige huwelijk tussen beide geslachten, op het opperbestuur van de moeder, van de soevereine meesteres van het huis, wier oudste broeder slechts een soort van huisbestuurder van majordomus is, op de erfopvolging in de vrouwelijke linie, terwijl de moeder alleen, naam, rang en eigendom op haar kinderen overdraagt – is deze familie een verschijnsel zonder voorbeeld, een maatschappelijk onding, door geheel buitengewone toestanden geschapen, dat zijn gelijken nergens vindt?
Zelfs wanneer dit het geval ware, wanneer wij dergelijke zeden bij geen ander volk vinden zouden, moest de man van de wetenschap toch erkennen, dat er geen wonderen bestaan. De teratologie (de leer van de wangedrochten, monsterachtigheden) van Geoffroy Saint-Hilaire rekent ook de misgeboorten tot de klasse van de dieren, daar ze slechts organismen zijn, die in hun ontwikkeling tegengehouden werden, en derhalve een laag ontwikkelde type van de soort vormen.
Kon men ook niet aannemen dat de Naïrenfamilie een aanvankelijke vorm van de familie weer vernieuwt, welke de mensheid in de loop van haar ontwikkeling doormaken moest?
Doch de familiezeden van de Naïren vormen geenszins een alleenstaande uitzondering. Wanneer men verhalen van reizigers over de wilde stammen van de oude en nieuwe wereld doorbladert, wanneer men, vrij van de vooroordelen van onze beschaving en opmerkzaam gemaakt door de berichten van nieuwe ontdekkingsreizigers, de historieschrijvers, de dichters en wijsgeren van de oudheid bestudeert, wanneer men de erediensten en de heilige boeken van de verschillende godsdiensten onderzoekt, dan verzamelt men een ongewone rijke oogst van feiten, die bewijzen dat alle volkeren van de aarde in een bepaald tijdperk van hun ontwikkeling zeden huldigden, welke op die van de Naïren gelijken.
*)Ludovico Bartema was de eerste Europese pelgrim die Mekka bezocht in 1503.
Paul Lafargue was de schoonzoon van Karl Marx. Een leider in de Franse socialistische beweging, speelde ook een belangrijke rol in de ontwikkeling van de Spaanse socialistische beweging. Hij schreef orthodoxe marxistische werken over verschillende onderwerpen als vrouwenrechten, antropologie, reformisme en economie. Bovenstaande tekst is een fragment uit Le matriarcat – Etude sur les origines de la famille (1886). Vertaling afkomstig van het Paul Lafargue Internet Archief.





RSS