Geslachtsverkeer
Paul Lafargue

Illustratie: Robi Roboter
Nemen wij een oorspronkelijk mensenpaar aan, dat zich wellicht van een wilde horde heeft losgerukt, in een tijd toen de mens nog op de grens van een dierlijke toestand stond. Wat gebeurt nu? Dit paar vormt met zijn nakomelingen een nieuwe horde, veertig tot vijftig koppen sterk: de moeilijkheid in het verkrijgen van voedsel maakte een groter aantal nauwelijks mogelijk.
Te midden van de horde zijn de geslachtelijke betrekkingen volkomen vrij. Iedere vrouw is de echtgenote van iedere man en iedere man de echtgenoot van alle vrouwen, zonder dat er onderscheid gemaakt wordt of deze soms zijn moeder, zijn zuster of dochter is.
Deze geslachtsvermenging heeft men bij geen enkele wilde volksstam meer waargenomen – eerder vindt men iets dergelijks in de grote hoofdsteden van de beschaving. Wij hebben echter zeer geldige redenen aan te nemen dat zij bestond in een tijd toen de mens nog niet, naar een Latijnse uitdrukking, een met verstand begaafd dier (rationis particeps) was. Maar destijds, toen hij nog volkomen naakt op bomen of in natuurlijke holen leefde, zich met vruchten, mosselen, slakken en het rauwe vlees van gedode dieren voedde en zich nauwelijks van zijn dierlijke voorvaderen onderscheidde.
De feestelijke orgieën van de Aziatische godsdiensten, waarbij volkomen vrij geslachtsverkeer heerste, schijnen nog herinneringen aan die toestand te zijn. Strabo bericht dat bij een volksstam de godsdienstige overlevering het huwelijk van de vaders met de dochter, en van de zonen met de moeder voorschreef, met het doel kinderen te verwekken die voor priesterlijke waardigheden bestemd waren.
Bachofen ziet in de gemengde geslachtelijke gemeenschap een godsdienstige instelling en miskent haar natuurlijke oorsprong. De feesten met geslachtelijke vrijheid en de zeden, die bij zovele volkeren de vrouwen dwongen zich willoos aan iedere gast te prostitueren, hadden naar zijn opvatting het doel van de verzoening, om de vertoornde goden te bevredigen. De mensen hadden door het aangaan van persoonlijke, meer of minder polygame huwelijken, de bevelen van de godheid gekwetst, die de gemeenschap van vrouwen voorschreef.
De eerste beperking van de geslachtelijke vrijheid trad in met de verdeling van de individuen van de wilde stam in geslachten, zodat ieder geslacht een bijzondere groep vormde. De huwelijken tussen leden van verschillende groepen werden verboden. De eerste groep is die van de voortbrengers, de tweede die van de kinderen, de derde die van de kleinkinderen, enz. Alle individuen van een groep zijn de kinderen van de vorige groep en de ouders van de volgende; onder elkaar beschouwen zich de leden van een groep als broeders en zusters en tevens als echtgenoten, maar het is hun verboden geslachtelijke betrekkingen met leden van een hogere of lagere groep aan te knopen.
Nog bestaat er geen persoonlijk huwelijk: iedere man is echtgenoot van alle vrouwelijke leden van dezelfde groep, van zijn zusters, en iedere vrouw echtgenote van al haar broeders. ‘In de oertijd was de zuster de vrouw, en dat was zedelijk’, zegt Marx. De godsdienstige legenden en de zeden van de volkeren van de oudheid leveren ons talrijke voorbeelden van huwelijken tussen broers en zusters: Isis en Osiris, Jupiter en Juno, Kronos en Rhea, enz., waren echtgenoten en tevens broers en zusters.
Morgan, die de familiebetrekkingen van de wilden zo nauwgezet mogelijk onderzocht, vond op de Sandwicheilanden een reeks van familiebenamingen, die met de daar heersende familievorm niet overeenstemden, en die uit een tijd afkomstig moesten zijn waar de mannelijke en vrouwelijke individuen van een groep zich als kinderen van de hogere groep beschouwden en als vaders en moeders van de lagere. Dit familiestelsel kent nog niet de onderscheiding van oom, tante, neef en nicht, welke echter in de heersende familievorm feitelijk bestaan moeten.
Ter verklaring van deze schijnbare tegenstrijdigheid zegt Morgan: ‘De familie is het actieve element; zij is nooit stationair (d.i. altijd hetzelfde), maar ontwikkelt zich steeds verder uit een lagere tot een hogere vorm, in dezelfde mate als de ganse maatschappij zich steeds verder ontwikkelt. De familiestelsels daarentegen zijn passief; slechts in lange tussenpozen ondervinden zij de invloed van de vooruitgang die de familie in de loop van de tijden genomen heeft, en ondergaan slechts dan een radicale verandering wanneer de familie radicaal veranderd is’. En, voegt Marx er aan toe, evenzo gaat het in t algemeen met politieke, juridische, godsdienstige en filosofische stelsels.
‘Wanneer de eerste vooruitgang van de organisatie daarin bestond’, schrijft Engels, ‘ouders en kinderen van het wederzijdse geslachtsverkeer buiten te sluiten, dan lag de tweede in de uitsluiting van broeder en zuster. Deze vooruitgang was, wegens de grotere gelijkheid in leeftijd van de belanghebbenden, oneindig veel belangrijker, maar ook oneindig veel moeilijker dan de eerste. Hij ging slechts langzaam voorwaarts, begon met de uitsluiting van de vleselijke broers en zusters (nl. van moeders zijde) van het geslachtsverkeer, eerst in enkele gevallen, doch langzamerhand regel wordende (op Hawaï kwamen nog in deze eeuw uitzonderingen voor), en eindigde met het verbod van het huwelijk zelfs tussen kollateraal kinderen, d.w.z. naar onze benamingen: zusters- en broederskinderen. Hij vormt, volgens Morgan, een treffende illustratie van het begrip hoe de natuurlijke teeltkeus werkt’.
t Is buiten twijfel dat stammen waar het geslachtsverkeer door deze vooruitgang beperkt werd, zich sneller en volkomen ontwikkelen moesten, dan die waarbij ’t huwelijk tussen broeders en zusters regel en gebod bleef’.
Paul Lafargue was de schoonzoon van Karl Marx. Hij schreef orthodoxe marxistische werken over verschillende onderwerpen als vrouwenrechten, antropologie, reformisme en economie. Bovenstaande tekst is een fragment uit Le matriarcat – Etude sur les origines de la famille (1886). Vertaling afkomstig van het Paul Lafargue Internet Archief.





RSS