Frontaal
Naakt
20 november 2008

Een oprechte Nazi

Alf Berendse

Z18 (53k image)
Illustratie: Anders Zorn

‘En zo, met een reet vol sperma, besloot ik toe te treden tot de Sicherheitsdienst. Aan het woord is Max Aue, in de roman Les Bienveillantes (2006) van Jonathan Littell. De Nederlandse vertaling, De Welwillenden, is onlangs verschenen.

Zelfspot is niet de overheersende toon van Aue. Grotendeels vertelt hij neutraal, soms laconiek, over zijn carrière als SS’er en de rest van zijn leven (de liefde voor zijn tweelingzus, homoseksuele ervaringen, en haat voor zijn moeder en stiefvader). Hij is aangesloten bij een Einsatzkommando, belast met het uitschakelen van vijandige elementen. Joden ook.

‘Wij brachten hen om het leven. Ik vond dat uitermate ongelukkig, al was het nodig en onvermijdelijk. Maar ook iets heel ongelukkigs dien je tegemoet te treden; je moet altijd bereid zijn de confrontatie aan te gaan met wat nodig en onvermijdelijk is, nooit mag je je blik afwenden van de gevolgen die eruit voortvloeien; je ogen sluiten is geen antwoord.’

Na deze karaktervolle gedachten bekijkt Aue het fusilleren van tientallen Russische joden. Overal waar zij kuilen moeten graven voor hun lijken, ligt de grond al vol met slachtoffers van de communisten; alles dat mis kan gaan, gaat mis. Aue vertelt er afstandelijk over, verfilmd zou de scène hilarisch zijn.

Aue neemt afstand van alle gruweldaden, ook die van zichzelf. Hij erkent misdaden, maar toont geen berouw. Zowel zijn oorlogshandelingen als het opschrijven van zijn herinneringen zijn intellectuele exercities. De eerste omdat het nu eenmaal liep zoals het liep, het tweede als tijdverdrijf (‘om de tijd de doden tot de tijd ons doodt’). Net zoveel opportunistisch als overtuigd nazi; het Derde Rijk deed zich aan hem voor en hij stapte erin.

‘Net als de meeste mensen heb ook ik er nooit om gevraagd een moordenaar te worden. Zou ik de mogelijkheid hebben gehad, dan had ik me aan de literatuur gewijd.’

Aue de verteller benoemt de emoties die Aue de SS’er voelde, ook walging en verdriet, maar hij herbeleeft ze niet. En de SS’er heeft sowieso meer last van lichamelijke ongemakken, obstipatie en braken (en dromen over eindeloze diarree). Daarvan blijft hij zich afvragen wat er de oorzaak van kan zijn.

Littell laat de lezer Aue net zo neutraal beleven, als Aue zijn verhaal vertelt. Een verfilming zal de verteltoon van Aue geen recht doen: als zijn emoties ten tijde van de gruwelijkheden worden getoond, en daarmee voelbaar worden gemaakt, dan verdwijnt de afstandelijkheid van Aue de verteller. Alles zonder geluid laten zien, kan, misschien, met Aue’s stem als voice-over, droog commentaar op de gebeurtenissen en zichzelf.

Littell wekt sympathie noch antipathie voor zijn personage. Dat kwam hem in Frankrijk en Duitsland op forse kritiek te staan: niet alleen schrijven vanuit het perspectief van een Nazi, maar ook nog eens zonder veroordeling. Aue ontkomt aan straf; hij leeft door, riant, burgerlijk, verveeld. Het kwaad wordt nu eenmaal niet altijd bestraft, je straft niet altijd het kwaad in jezelf. Misschien krijg je er slechts wat obstipatie van.

Noem Aue’s lichamelijke klachten psychosomatisch, het ongemak niet groot genoeg voor de diagnose ‘post traumatische stressstoornis’; Aue zelf zou die suggesties ver van zich werpen. En noem zijn houding psychopathisch, wijt het aan een gebrek aan spiegelneuronen. Met zo’n psychologische interpretaties is iets bijzonders aan de hand: wie nu éen moord pleegt en erover praat zoals Aue over alles wat hij heeft gedaan, belandt met de diagnose antisociale persoonlijkheid, Syndroom van Asperger of PDD-NOS in een TBS-instelling, maar voor de soldaat als massamoordenaar bestaan andere maatstaven. Littell staat de lezer ook niet toe Aue weg te zetten als niet meer dan een gevaarlijke gek.

Aue spreekt zijn lezers aan met ‘mensenbroeders’ en eindigt de inleiding van zijn verhaal met:

‘Ik leef, ik doe wat ik kan, zo gaat het met iedereen, ik ben een mens zoals andere mensen, ik ben een mens zoals u. Ja toch, ik zeg u: ik ben net als u!’

De Welwillenden raakt het ‘Eichmann-thema’: is niet iedereen tot verschrikkelijk kwaad in staat? Priester/dichter Thomas Merton verplaatste zich in Eichmann, ten tijde van diens proces (1962):

People say,

“Adolf Eichmann should have been hung!”

Nein

Nein, if you recognize the whoredom in all of you,

that you would have done the same,

if you dared know yourselves.

Eichmann verdedigde in zijn proces niet het nationaalsocialisme, wel zijn plichtsbesef. Zoals Eichmann is ook Aue loyaal aan het Derde Rijk, en hij vraagt de lezer ‘wat zou u hebben gedaan?’ Littell beantwoordt die vraag voor zichzelf, in een van de weinige interviews die hij gaf. Niet de vraag of hij SS’er zou zijn geworden, maar hoe hij als SS’er zou zijn geweest:

“De daders zijn degenen die handelen en de werkelijkheid veranderen. Het slachtoffer begrijpen is makkelijk: hem overkomt iets verschrikkelijks en hij reageert overeenkomstig. De dader en het systeem dat hem activeert zijn moeilijker te begrijpen. Van een poging om de dader een stem te geven kunnen we iets leren dat onze manier van naar de wereld kijken beïnvloedt. […] Aue is een Nazi op de manier zoals ik een Nazi zou zijn geweest. Erg eerlijk, erg oprecht, toegewijd en geïnteresseerd in vragen over moraliteit.”

Geen Duitser zou dat Littell na durven zeggen, maar Littell is geen Duitser. In 2007 kreeg hij de Franse nationaliteit, ‘wegens zijn verdiensten voor de Franse taal’. Na het winnen van de belangrijkste Franse literaire prijzen, in 2006, was dat een aanvullende beloning voor zijn boek. Menig Frans literator zag overigens tandenknarsend aan hoe een Amerikaan (zoon van thrillerauteur Robert Littell) hun literaire wereld op zijn kop zette.

En Littell is joods, zonder de Holocaust te willen verheffen tot een uniek kwaad dat alleen joden is overkomen:

“Ik zie geen verschil tussen de Nazi’s die alle joden wilden doden en een politiek van uitroeiing die was gericht – en op grote schaal uitgevoerd – op groepen als de boeren in de Sovjet Unie of Cambodja. Elke genocide is uitzonderlijk.”

De Welwillenden is literatuur, geconstrueerd en vol literaire verwijzingen. Ook het boek is een intellectuele exercitie, de afstandelijkheid van Aue is die van Littell zelf. Het beschrijven van de horror was voor hem een taalkundige uitdaging: “Het lijk is een grammaticale vorm”.

Littell deed vijf jaar research; volgens historici, en ook volgens tegenstanders van het boek, is zijn feitenkennis formidabel, al heeft hij na de eerste druk toch wat kleine fouten moeten verbeteren. De foutjes waren koren op de molen van tegenstanders van het boek. In Frankrijk en Duitsland werd er fel op gereageerd en natuurlijk werd het door sommigen een ‘fascistisch’ boek genoemd. Serieuze vragen werden ook gesteld: kan de Tweede Wereldoorlog, inclusief de Endlösung, inmiddels onderwerp zijn van een historische roman; zijn de thema’s wreedheid en genocide exclusief eigendom van de slachtoffers, of mag een buitenstaander ermee aan de haal gaan; mag een berouwloze dader aan het woord komen; mogen de gruwelijke feiten worden vermengd met literaire fictie?

Voor wie het boek gaat lezen, is het zonde om hier de loop van het verhaal, de fictieve gebeurtenissen, (met name het persoonlijke leven van Aue) samen te vatten. Aue heeft ontmoetingen met onder anderen Heydrich en Eichmann (‘hij had iets van een kleine sluwe roofvogel’). Over een bizar verlopen ontmoeting met Hitler, die natuurlijk in geen enkel historisch verslag staat, zegt Aue: “Niettemin is het zo gegaan, dat kan ik u verzekeren.” Juist van die scène zijn twee versies in omloop. Op advies van zijn uitgever herschreef Littell de scène uit zijn manuscript, waarvan hij na publicatie van de eerste druk spijt kreeg. In latere edities en vertalingen maakte hij de verandering ongedaan.

(Wie niet kan wachten tot pagina 947 van De Welwillenden, leze de De Papieren Man, 8 december 2007.)

Misschien is Littell te vroeg gekomen met zijn boek, en is het nog niet de tijd om de Tweede Wereldoorlog en de Holocaust middels fictie te ‘depersonificeren’. Een zware maar waardevolle kritiek is dat een Nazi zoals Aue nooit zou hebben bestaan. Niet alleen een fictieve figuur, ook één die niet lijkt op hoe de Nazi’s echt waren. Maar we weten niet hoe die ‘als mens’ waren, ze zijn na afloop van de oorlog weinig aan het woord gekomen. Weggezet als misdadigers en klaar ermee.

Armando en Hans Sleutelaar interviewden in 1967 acht Nederlandse oud-SS’ers (De SS’ers, in 2001 heruitgegeven). Littell kent het boek waarschijnlijk niet, maar dat hij de daders een stem wil geven, sluit aan bij wat Armando en Sleutelaar schreven:

‘Hoe het de mensen van het verzet in en na de oorlog is vergaan, is algemeen bekend. Over de levens van de onmensen die hun bitterste vijanden waren, weet men niets… geen geschiedschrijver heeft het na de oorlog nodig geoordeeld een SS’er op te roepen als historische getuige.’

Daarvoor is het al bijna te laat, oud SS’ers zijn op sterven na dood. Straks kan wat ze te zeggen hadden, alleen nog worden verzonnen.

In tijden van oorlog sluit Alf Berendse zich aan bij de partij met de mooiste uniformen, mits hij deze gratis krijgt. En veel champagne.

Alf Berendse