Frontaal
Naakt

15 april 2009

Taqiyya

Prediker

fred2 (84k image)
Illustratie: Fred de Heij

“..Ja, mijn bemakeupte gezicht en mijn korte rokjes zijn een façade.

Mijn ABN en mijn vriendelijk gezicht walgelijke schijn. Ik wil Nederland vernietigen, vermorzelen, verkruimelen. Mijn dromen gaan over een Nieuw Nederland, waarbij elke kerk een moskee wordt en de kaasboer een halal-markt is. En ja, alle varkens het land uit, geen onrein dier zal hier nog leven. Mijn geilste fantasie is er een waarbij ik uranium uit mijn tuin kan verrijken om een totalitaire staat te bemachtigen.

Zal ik u een geheimpje verklappen? Samen met de geitenhersenen koken wij ook stukjes heidenhart mee, natuurlijk halal gesneden. Zoek maar op google. Ach hemel, ik wacht op lava dat Nederland zal schoonbranden. Ja, PVV-stemmers, vrrrees mij, want ík ben een moslim. – Ekin Ozturk”

Kan het duidelijker? Dit pareltje viel 18 maart jl. te bewonderen in dagblad De Pers. Aanleiding was een eerder schrijven waarin een scribent moslims de aanklacht aanwreef waartegen geen verweer mogelijk is: taqiyya.

Die Ozturk lijkt me zo’n vrouw die, wanneer ze iemand giftig wil treffen, niet schroomt haar zorgvuldig gelakte nagels tot pijlpunten te slijpen om ze vervolgens in de zwartste inkt te dopen. Ik mag dat wel.

Maar met haar make-up en korte rokje is ze natuurlijk geen moslim, dat spreekt voor zich. Laat staan dat ze net zoveel van haar geloof weet als de door de islam geobsedeerde autochtonen die dagelijks van Jihadwatch, Hoei-Boei en Het Vrije Volk de laatste uitbraakselen van een of andere haatbaard in Londen, Melbourne of Bahrein copy-pasten en per uur bijhouden hoeveel meisjes er in Göteborg door Iraakse bendes verkracht zijn. ’t Is zo’n beetje een dagtaak, maar het oprukken der cohorten noopt nu eenmaal tot niet aflatende waakzaamheid, nietwaar?

Hans Jansen
De islamwatchers kunnen bovendien bogen op de rugdekking door de prominentste islamgeleerde hier te lande, prof. dr. Hans Jansen. In de Revu van 25 februari reageert Jansen, op de stelling van de interviewer dat de overgrote meerderheid van de Nederlandse moslims voorstander is van de democratische rechtsstaat en zich aan de wet houdt, als volgt:

“Ben je bekend met het begrip taqiyya? Dat is Arabisch voor behoedzaamheid. Moslims behoren behoedzaam te opereren in ongelovige landen. Langzaam koloniseren ze de gebieden waar ze zich hebben gevestigd. Zoals Slotervaart. Als ze zich eenmaal heer en meester voelen, laten ze dat ook blijken. Kijk maar naar Gouda.”

U ziet het, beste lezer, de arabist Jansen zegt het óók: taqiyya is een beproefde praktijk onder moslims om zo hele streken te onderwerpen. Niet slechts de islamisten, nee, ‘moslims’; groot en klein. Zelfs vijftienjarige kutmarokkaantjes maken deel uit van een groots opgezet ideologisch programma om Europa te koloniseren. ’t Is alsof je Wilders hoort praten. Maar dat moet toeval zijn, aangezien de eminente geleerde consequent iedere suggestie dat hij tot het Wilderskamp behoort, heeft afgewezen. Iederéén consulteert hem immers, of het nu over de koranische fauna, samenzweringstheorieën of anti-islamitische propagandafilms gaat. Hé, je bent de bekendste islamgeleerde of je bent het niet; kan Jansen het helpen dat Wilders een aandachtige leerling is?

Handboeken
Vraag is alleen wel waar Jansen zijn voorstelling van de rol van taqiyya binnen de islam nu eigenlijk op baseert. De handboeken heeft hij in ieder geval niet mee:

Brills First Encyclopedia of Islam (1913-1936) definieert ‘Takiya’ als “the technical term for dispensation from the requirements of religion under compulsion or threat of injury”. Het verwijst voor de fundering van het leerstuk naar Ammār bin Yāsir die gedwongen werd afgoden te vereren en dat vergeven werd, en het bericht over twee moslims die in handen vielen van een concurrent van Mohammed, Musaylima bin Habib, en gedwongen werden deze Musaylma als profeet te erkennen. De ene weigerde dat, en werd gedood, de andere deed alsof en bleef in leven. Mohammed zag hier volgens de overlevering de hand van Allah in, die de laatste moslim verlichting van zijn last had verleend. De man moest er maar niet om gestraft worden.

Het leerstuk over de taqiyya werd in de negende en tiende eeuw door sji’itische theologen tot een zelfstandig theologisch begrip doorontwikkeld, vanwege hevige vervolging door de soennitische omgeving. Een belangrijke vraag daarbij was hoezeer men dan wel in de minderheid moest zijn om inzake het geloof te mogen huichelen. Tenslotte was de voornaamste sji’itische heilige, Ali (de neef van de profeet), toch ook het nobele martelaarslot beschoren. De isma’elieten meenden dat wie veertig man tot zijn beschikking had staan, niet de toevlucht mocht nemen tot de taqiyya. De zaidieten hielden het op het aantal mannen in Mohammeds gelederen bij de slag bij Badr.

Taqiyyah werd zodoende een volledig sji’itische aangelegenheid, en zo wordt het dan ook beschreven in het desbetreffende lemma in Thomas Hughes’ Dictionary of Islam (1895):

TAQIYAH. التقية. Lit. “Guarding oneself.” A Shi’ah doctrine. A pious fraud whereby the Shi’ah Muslim believes be is justified in either smoothing down or in denying the peculiarities of his religious belief, in order to save himself from religious persecution.. A Shi’ah can, therefore, pass himself off as a Sunni to escape persecution. The Shi’ah traditionists relate that certain persons inquired of the Imam Sadiq if the Prophet had ever practised taqiyah, or “religious dissimulation,” and the Imam replied. “Not after this verse was sent down to the Prophet, namely, Surah v. 71: ‘O thou Apostle! publish the whole of what has been revealed to thee from thy, Lord ; if thou do it not, thou hast not preached His message and God will not defend thee from wicked men; for God guides not the unbelieving people.’ When the Most High became surety for the Prophet against barm, then he no longer dissimulated, although before this revelation appeared be had occasionally. done so.” (The Hayatu ‘l-Qulub, Merrick’s ed., p. 96.) [SHI’AH.]

Taqiyya volgens soennieten
Soennitische geestelijken schroomden uiteraard niet om sji’ieten voortdurend met hun goedkeuring van bedrog om de oren te slaan. Bleek hieruit niet eens te meer wat een verfoeilijke ketterij dat sji’isme eigenlijk was?

Dat vinden die soennitische geestelijken nog steeds, met exact hetzelfde verwijt: ‘Taqiyya!’. Op zijn website, Islam-Online.net, beschrijft de prominente moslimbroeder sjeik Yusuf Al-Qaradawi hoe de een na de andere collega van hem sji’ieten afserveert met de aantijging van de gewraakte taqiyya, telkens wanneer hij het voor die sji’ieten probeert op te nemen.

“I once told a religious extremist person about some Shiites in whom I saw honesty, straightforwardness, moderation, and sincerity. But this person said, “They have behaved like this as a way of taqiyyah (a Shiite doctrine that permits one to behave in a certain way that is different from what one believes in order to avoid persecution by an enemy),” and said that taqiyyah is a part of the Shiite religious structure.

I mentioned to another man that when I visited scholars in Iran, they requested that I lead them in prayer. He said, “This is a type of taqiyyah!”

Merk op wat hier feitelijk uit valt op te maken:

1. Blijkbaar is taqiyya zo’n onbekend concept onder soennitische moslims, dat al-Qaradawi de noodzaak voelt voor zijn lezers uit te leggen wat taqiyya inhoudt, waarbij hij het nog specifiek markeert als een sji’itisch theologisch concept ook (hetgeen, zo mogen we aannemen, de populariteit ervan aanzienlijk zal verhogen).

2. Zelfs de extremist, die al-Qaradawi aanhaalt, beschouwt taqiyya als iets dat integraal onderdeel uitmaakt van de sji’itische theologie; dus niet zijn van eigen geloofssysteem. Het is iets waar ook extreme wahhabieten blijkbaar sji’ieten mee om de oren slaan. Valt het waarschijnlijk te noemen dat zij het dan zelf zouden oefenen als een legitieme strategie om de islam te verspreiden?

Kortom
Doorsnee moslims kennen het leerstuk niet; handboeken over islamitische rituelen en concepten beschrijven taqiyya als een rechtvaardiging voor het huichelen in levenbedreigende situaties (en dan nog niet eens altijd); en zelfs radicale soennieten gebruiken taqiyya als een beschuldiging om sji’ieten mee om de oren te slaan.

Je zou denken dat prof. dr. Hans Jansen, voorheen belast met een leeropdracht modern islamitisch denken en met verschillende studies over islamistisch gedachtegoed op zijn naam, van dit alles op de hoogte is. Zeker aangezien een paar uurtjes Googelen een en ander eenvoudig aan het licht brengt.

Weet hij iets over de islamitische traditie dat de handboeken niet weten? Heeft hij in het graven in stapels extremistische pamfletjes en boeken, een theologische rehabilitatie van het taqiyya-begrip waargenomen? Dat is uiteraard niet onmogelijk, al komen we daar niet achter, aangezien Jansen zoals wel vaker elke vorm van verwijzing naar documentatie achterwege laat.

Maar het roept wel bedenkingen op, over zowel de competentie als de intellectuele eerlijkheid van Nederlands bekendste islamgeleerde, dat hij in één alinea de schaduw van de verdenking werpt over een hele bevolkingsgroep, met een theologisch begrip waarvan niet de minste aanwijzing is dat de moslims waar hij over spreekt het überhaupt kennen, laat staan hanteren.

Propagandist
Geen wonder dus, dat Jansens collega’s hem afbranden als een anti-islamitische propagandist, die “al zijn wetenschappelijke scrupules op zij heeft gezet” en die “welbewust een beeld [schept] van de islam en moslims dat veel gevaarlijker is dan op grond van de feiten te rechtvaardigen is.” Martin van Bruinessen (ISIM): “Onnozel is Jansen niet, en dan vraag je je dus wel af waarom hij dit soort dingen schrijft.”

Een ander stelt in hetzelfde artikel dat Jansen zich opstelt als een ayatollah, die aan moslims voorschrijft hoe de islam eigenlijk, wérkelijk in elkaar zou steken. En inderdaad heeft Jansen, wanneer hij andersgelovenden beschuldigt van taqiyya, veel weg van die extremistische geestelijke uit de beschrijving van Al-Qaradawi.

Daarmee is niet gezegd dat Hans Jansen zichzelf op dit punt niet zou kunnen revancheren. Misschien moet hij na zijn ‘Islam; voor Varkens, Apen en Ezels‘ (2008), zijn volgende boek maar schrijven ‘Over de Moslims en Hun Leugens‘. Het zal hoe dan ook duidelijkheid scheppen uit welk hout Jansen gesneden is.

Prediker (oogst van 1976) vraagt zich ondertussen vertwijfeld af of die Joodse, toen ze hem beloofde hem te bellen als ze eens in de buurt was, nu tegen hem loog op grond van Baba Kama 113a-b, Kohar 1-160a of Kallah 51a.


Reacties gesloten. Reageren? Mail de redactie.

« home