Frontaal
Naakt
23 mei 2009

Keunstwurk Fryslan

Frans Smeets

Gloeden1 (104k image)
Illustratie: Wilhelm von Gloeden

Wie aan een kunstacademie gaat studeren, komt al snel in aanraking met de wc-pot van Duchamp uit 1919 als het grote voorbeeld van het adagium: ‘Het is kunst als de kunstenaar zegt dat het kunst is’.

Ondanks het feit dat de wc-pot voor Duchamp een uit hand gelopen grap was, kreeg hij in de jaren ‘60 een cultstatus. Alles kon tot kunst verheven worden en het zwaartepunt kwam niet langer op het werk, laat staan ambacht of kunnen, maar op de persoon van de kunstenaar te liggen. Het beeld en de motivering van de kunstenaar werden belangrijker dan zijn werk. In Nederland is de vraag dan ook nooit of je kunst maakt, maar of je kunstenaar bent.

Het verbaast dan ook niet, dat een gesprek met afstudeerkandidaten op de kunstacademie vooral over de speciaalheid van het ikje gaat, het imago en zelden over het werk. Schaamteloos stellen ze zich voor met: “Ik ben kunstenaar”, waarmee ze zichzelf onschendbaar en buiten kritiek plaatsen, zonder ook maar iets gedaan te hebben. Kritiek is taboe, laat staan dat je het ooit in je hoofd haalt de vraag te stellen: “Is dit kunst?”

Mocht je met de nietszeggendheid in de jaren van Duchamp nog het effect van confrontatie en shockeren verwachten, nu gaapt iedereen en is het adagium vooral een instrument van ijdelheid, zwijgen en middelmaat. En dan krijg je na vijf jaar dit en dit en dit en dit.

Nu ben ik zelf autodidact, heb geen subsidies nodig en heb niet zo veel op met academies en collega’s. Maar ook ik ben enkele jaren geleden geconfronteerd met de zotheid van de kunstwereld.

Ik wilde meedoen aan een kunstroute bij het Lauwersmeer. Er werd verteld dat ik me dan moest opgeven bij de stichting Keunstwurk Fryslan. Elke provincie in Nederland heeft een kunstencentrum dat vanuit de provincie gefinancierd wordt met belastinggelden. In Friesland heet dit centrum Keunstwurk Fryslan.

“Slechts een formaliteit”, dacht ik. Ik kreeg echter een pakket van achttien pagina’s met vragen toegestuurd om te beoordelen of ik wel een echte kunstenaar was. Zo’n lijst waar meteen uit duidelijk wordt dat iemand keihard heeft zitten ploeteren om zoveel mogelijk vragen te stellen. Vragen zoals:
‘In welke periode heeft u zich ontwikkeld tot beeldend kunstenaar?’; ‘Heeft u privé-lessen gevolgd bij erkende beeldende kunstenaars?’ (let vooral op het woord ‘erkend’); ‘Geef een opsomming van de belangrijkste verkopen van uw werk’; ‘Heeft u subsidie ontvangen van het Fonds voor Beeldende Kunst?’; ‘Maakt u gebruik van de Wet Inkomensvorming voor Kunstenaars?’; ‘Beschikt u over een werkruimte, zo ja , graag een omschrijving van uw apparatuur’; etcetera.

Iets teveel van het goede, dus heb ik wat foto’s opgestuurd met het verzoek om slechts op mijn werk beoordeeld te worden.

Enkele weken later kreeg ik bericht dat de commissie ‘na rijp beraad en na afweging tot een negatief oordeel was gekomen’. Ik scoorde namelijk onvoldoende punten op scholing (so what), marktgerichtheid (so what), beroepsgerichtheid (so what) en (als laatste) artistieke kwaliteit. Ik kon nog een bezwaarschrift indienen die dan behandeld zou worden door een ‘daartoe ingestelde bezwarencommissie die met name zal kijken naar de zorgvuldigheid van de gevolgde procedures’. Poeh! De Raad van State is er niks bij.

Dit soort afwijzigen geven Smeets energie. Dus ben ik me gaan verdiepen in dit Keunstwurk Fryslan. Ik ben gaan kijken welke geniale mensen er in deze commissie zitten. Als iemand je een trap geeft, dan wil je tenminste dat deze trap enigszins statuur heeft.

Echter, niks van dit alles. De commissie bestaat uit een aantal onbekende ‘deskundigen’ en een paar kunstenaars waar ik nog nooit van gehoord had.

Margreet Helder: als ‘onafhankelijk deskundige’. Over Margreet Helder is niets te vinden.
Germa van Heerbeerk: als ‘onafhankelijk deskundige’. Germa is directrice van de ‘Kunstuitleen Leeuwarden’.
Ton Aartsen (fotograaf): namens ‘Platvorm Beeldende Kunst Fryslan’, een onbekende organisatie die alleen bij Keunstwurk Fryslan zelf bekend is.
Pieter Hiemstra (keramist): vertegenwoordigt de ‘Vereniging van keramisten’. Op de website van de deze vereniging kom je zijn naam niet tegen.
Marije Bouman, namens ‘FRIA’; De Friese Vakvereniging Beeldende Kunst. Een kwijnende organisatie waar je trouwens de naam Marije Bouman ook niet tegen komt.
Anke Kuypers: namens de monumentale kunstenaars. Een schijnbaar zelfbenoemde functie, want een club of organisatie van monumentale kunstenaars bestaat niet.
Noni Plomp (typische jaren-‘70 kunstenares, inclusief bril): namens ‘BBK’; De Beroepsvereniging van Beeldende Kunstenaars. Een vereniging die droomt van de tijden dat ze, ontheven van sollicitatieplicht, haar schilderijtjes, beeldjes en prulletjes in ruil voor een uitkering in de kelders van de gemeente kon dumpen.

Op het moment dat je Keunstwurk Fryslan zelf vragen stelt over de criteria en de praktische totstandkoming van de commissie en/of deze hiervoor betaald krijgt, dan gaan de deuren potdicht. De beoordelaar zelf wil niet beoordeeld worden. Ondanks dat Keunstwurk Frylan bijna alleen gefinancierd wordt met belastinggelden vanuit de provincie, beroepen ze zich erop, dat ze de besteding van gelden niet publiekelijk hoeven te verantwoorden omdat ze een stichting zonder commerciële doeleinden zijn. Formeel juist, lekker gemakkelijk, maar verwerpelijk.

De enige verantwoording naar buiten is het jaarverslag, dat vooral een gelikte reclamefolder lijkt te zijn. Een jaarverslag dat de kunstwereld niet misstaat met het typische gemarchandeer met kinderen, jongeren, schoolbezoeken -doet het altijd goed bij subsidieverantwoording- en het uitreiken van nietszeggende prijzen. Het jaarverslag krijgt van mij in ieder geval de Slijmjurkenprijs 2009 toegekend.

Dus ben ik eens bij de provincie gaan kijken of daar meer informatie te verkrijgen was. Maar de afdeling cultuur van de provincie verwees me naar het jaarverslag en zei dat “de salariëring van Keunstwurk Fryslan een bedrijfsmatige vrijheid is, waarop de provincie geen zicht heeft en niet over gaat”. Op zich een vreemde argumentatie, omdat het toch publieke middelen zijn. Na doorvragen heeft de provincie me echter uitstekend te woord gestaan en de financiële verantwoording 2007 van Keunstwurk Fryslan aan Gedeputeerde Staten naar me toegezonden.

Van het totale subsidiebedrag van 1,6 miljoen euro gaat 1,4 miljoen op aan kosten binnen de eigen organisatie, waarvan 1,3 miljoen loonkosten zijn. De subsidie gaat dus bijna alleen op aan de stichting zelf. De organisatie kent 25 fte’s (fulltime eenheden). Als de loonkosten van ruim 1,3 miljoen worden gedeeld op 25 fte’s, kom je uit op ruim 52.000 euro loonkosten per fte-er. Aangezien dit inclusief allerlei werkgeverslasten is (pensioenpremie, AOW-premie, ziekteverzuimverzekering, e.d.) komt het gemiddelde loon op ongeveer 45.000 euro per ft-er. Dit is inclusief salaris directie en management. Hoeveel het salaris van de directie en het management is, kan ik niet opmaken uit de jaarrekening. Dat houdt men schijnbaar liever geheim en de provincie wil het niet weten. Aan de hoeveelheid ‘begeleidingsuren’ is op te maken, dat de helft van de tijd aan de eigen organisatie wordt besteed. Het uurtarief van de organisatie voor projecten is € 83,34. Verder wordt duidelijk dat er een exploitatieoverschot is en Keunstwurk Fryslan de grootste moeite heeft het geld op te krijgen.

En nu vraag je je af: “Mijn god, waar hebben we het over? Een kunstroute waar geen hond op afkomt in een provincie die op kunstgebied weinig voorstelt.” Maar er zit meer achter.

Wil je in Nederland in aanmerking komen voor de opdracht van het maken van de locale wokkel op een sokkel voor de rotonde, het roestige metaal langs de autosnelweg of andere kunstambities van de vele culturele wethouders Hekking die Nederland rijk is, dan lukt dit alleen als je ingeschreven staat bij dit soort instanties. Ook galeries, critici, musea en curatoren laten zich maar al te graag leiden door dit soort cultuurkamers. De wc-pot van Duchamp is immers geen kunst omdat het een wc-pot is, maar omdat Duchamp een kunstenaar is. En iemand moet dan toch beoordelen of je wel kunstenaar bent. Pas als de commissie vastgesteld heeft dat het kunst is (lees: door een kunstenaar gemaakt is), dan kan de subsidie verstrekt worden.

En de politiek besteedt de kunstkeuzes maar al te graag uit aan organisaties en stichtingen met hun malloterige commissies en deskundigen en hun ondoorzichtige benoemingen in gelijkgestemde kring. Politici kunnen zo de discussie ontwijken en hoeven geen inhoudelijk oordeel te geven over kunst. Ze zijn bang voor het verwijt dat ze in de artistieke vrijheden ingrijpen of zien een soort doemscenario van politieke kunst à la Sovjet-Unie.

Die angst is niet terecht, omdat een pluriforme samenleving en democratie best een inhoudelijke discussie over kunst of cultuurpolitiek behoort te kunnen dragen, zonder dat politici zich bemoeien met de kleur van de verf. Ik ben er in ieder geval niet bang voor. Sterker nog, het zal tijd worden.

Door deze bewuste politieke afzijdigheid betreffende het maken en verdedigen van artistieke keuzes, kunnen organisaties als het Fonds BKVD tot en met Keunstwurk Fryslan kritiekloos hun gang gaan, zonder dat ze verantwoording hoeven af te leggen. Het zijn verzamelbakken geworden van middelmatige kunstenaars en ze worden bemand door jaknikkers, bureaucraten, meelopers, baantjesjagers en naïeve uitgebuite vrijwilligers.

Ze denken zelf dat ze de kunsten dienen. In werkelijkheid zijn deze organisaties een molensteen voor iedereen die ook maar enigszins passie in zijn artistieke vak heeft of eens een keer een andere kant op wil. Ze vervullen een destructieve functie en zijn een barrière naar een gezond kunstklimaat waarin het debat vrij spel behoord te hebben en verder reikt dan hun eigen kleine glazen stolp.

Frans Smeets heeft de vreemde opvatting dat hedendaagse kunst behalve oeverloos gezwets en geld ook nog schoonheid in zich mag herbergen.

Frans Smeets