Japan de bevrijder
Peter Breedveld

De Oost-Azië-specialist van het Amerikaanse ministerie van buitenlandse zaken Stanley Hornbeck schreef in 1937:
‘De Verenigde Staten zijn zo overweldigend afhankelijk van Zuidoost-Azië, dat ons hele buitenlandse beleid daarop moet worden afgesteld. (…) Het is niet overdreven te stellen dat de Verenigde Staten, om te overleven als een industriële grootmacht, gedwongen zou zijn om oorlog te voeren tegen elke macht die onze handelsbelangen in dat deel van de wereld in gevaar zou brengen.’
De bedreigende macht waarover Hornbeck schreef was natuurlijk Japan. Dat land was in krap vijftig jaar veranderd van een volstrekt achterlijk, feodaal rijk in een moderne, industriële grootmacht en een geduchte concurrent van de Westerse mogendheden. Die hadden zich in de eeuwen daarvoor verrijkt in hun Aziatische koloniën. Maar Japan toonde zich een meester in de tak van sport waarin het Westen altijd had geëxcelleerd, de vrije handel. Door de goedkope Japanse produkten lagen de Britse en Nederlandse textielindustrie op hun reet, was de Nederlands-Indische scheepvaart in gevaar, werd de Singaporese rubberhandel bedreigd en verloren Nederland, Engeland en Amerika hun Zuidoost-Aziatische afzetmarkten.
De westerse landen besloten hun vrije marktprincipes opzij te zetten en begonnen in de jaren dertig Japanse produkten te weren om hun eigen handelsbelangen te beschermen. Bovendien werd het Japan steeds moeilijker gemaakt om toegang te krijgen tot de natuurlijke grondstoffen in Zuidoost-Azië zoals olie en ijzererts. Daardoor stond Japan met zijn rug tegen de muur. Toegang tot grondstoffen en afzetmarkten was ook voor Japan, zoals voor de Verenigde Staten, niets meer of minder dan een kwestie van overleven.
Veel Amerikaanse diplomaten, zoals Oost-Azië-specialist Maxwell Hamilton en Eugene Dooman, adviseur van de Amerikaanse ambassade in Japan, pleitten ervoor Japan te laten delen in de natuurlijke bronnen en de afzetmarkten in Azië. Zo zou volgens hen worden voorkomen dat militaire haviken in Japan teveel grip zouden krijgen op het buitenlandse beleid van de Japanse regering. Maar iemand als Hornbeck, die veel invloed had op de Amerikaanse president Roosevelt en die zeer anti-Japans was gezind, verzette zich steeds tegen elke vorm van toenadering tot Japan. De Verenigde Staten en de andere koloniale machten in Azië bleven volharden in hun weigering, totdat in Japan zelfs antimilitaristische, zuivere liberalen als minister van Handel en Industrie Kobayashi Ichizoo geen andere uitweg meer zagen dan zich met geweld toegang te verschaffen tot de Aziatische regio.
De Japanse verovering van Oost-Azië was echter niet alleen een kwestie van overleven. Japan zag zichzelf ook als bevrijder van Oost-Azië en dat was zeker geen holle retoriek. Sinds de veroveringen van Hendrik de Zeevaarder (1394-1460) was zo’n beetje elk Aziatisch land in bezit gekomen van een Westerse grootmacht en als het dat niet was, zoals Thailand en China, moest het verregaande bemoeienis van Westerse mogendheden in de eigen binnenlandse aangelegenheden dulden. In China voerden de Britten bijvoorbeeld vernietigende oorlogen om de Chinezen te dwingen opium te verbouwen en te consumeren, terwijl dat in Groot Brittannië zelf verboden was.
Japan had het Westen met succes twee eeuwen lang buiten de deur weten te houden. Alleen Nederland mocht er, vanaf het kunstmatige gevangeniseilandje Deshima en onder strikte voorwaarden, handel drijven. Aan die zelfgekozen isolatie werd in 1854 onder dreiging van geweld een eind gemaakt door de Amerikaanse commodore Matthew Perry. Japan werd gedwongen havens te openen voor Westerse grootmachten die er handel wensten te drijven en vanaf dat moment begon een stelselmatige vernedering van het land door het Westen.
Om te beginnen werd Japan na de openstelling gedwongen een aantal ongelijke verdragen te sluiten met Amerika, Nederland, Frankrijk, Groot-Brittannië en Rusland. Die verdragen kwamen er op neer dat Japan buitenlandse bemoeienis in de eigen binnenlandse aangelegenheden moest dulden, zoals ook Thailand en China. Om aan die vernedering zo snel mogelijk een einde te maken, begon Japan als een gek te moderniseren. Er kwam een wettenstelsel naar Westers model, allerlei Japanse tradities werden hervormd of afgeschaft (zo werd het gemengde baden opeens verboden, publieke naaktheid was voortaan een schande) en de Japanse elite begon zich over te geven aan allerlei Westerse modeverschijnselen. Dat hielp: in 1894 werden de ongelijke verdragen eindelijk herzien, maar toen was er al een stevige basis gelegd voor een fervent anti-Westerse houding.
Japan realiseerde zich nu dat de Westerse mogendheden niet simpelweg op afstand konden worden gehouden door de grenzen te sluiten. Er was niet veel voor nodig om onder de voet gelopen te worden en hetzelfde lot te ondergaan als de rest van Azië. Daarom besloot het land om, zoals het in die tijd een moderne grootmacht betaamde, koloniën te veroveren. Verschil met alle andere moderne grootmachten, die er koloniën op na hielden, was dat ze voor Japan niet dienden als wingewest maar als buffer tegen mogelijke agressors. Het waren overigens Westerse adviseurs die het land hadden gewezen op de noodzaak daarvan. De Pruisische adviseur van de Japanse krijgsmacht, een zekere majoor Meckel, had er bijvoorbeeld op gewezen dat Korea een dolk was ‘die gericht is op het hart van Japan’. Elke vreemde mogendheid kon via dat land makkelijk Japan binnenvallen. Korea moest dus een Japanse kolonie worden maar daarvoor moest eerst oorlog worden gevoerd met China, dat aanspraak op Korea maakte.
Aldus geschiedde in 1894 en Japan versloeg China met betrekkelijk gemak. Tot de oorlogsbuit behoorden Taiwan, de Pescadoren, en het schiereiland Liaotung in Mantsjoerije. Een mooie buffer tegen buitenlandse agressie. Maar dat ging Rusland, Frankrijk en Duitsland te ver en Japan moest afzien van het schiereiland, dat Rusland zich later doodleuk zelf toeëigende. Dat werd in Japan gezien als verschrikkelijk onrechtvaardig en het moet gezegd, het land had wel een punt.
Na de overwinning van Japan op China gold het land in het Westen, waar het volstrekt normaal was om vreemde landen binnen te vallen, te onderwerpen en te gebruiken als wingewest, opeens als het ‘Gele Gevaar’. Dat resulteerde in een anti-Japanse hetze die zijn weerga niet kende. Japanse immigranten werden gemolesteerd en zelfs voor niets gearresteerd in Engeland, de Filippijnen en Nederlands-Indië. Toen Japan een oorlog tegen Rusland won, werd dat er natuurlijk niet beter op.
Zelfs toen Japan zich in de Eerste Wereldoorlog een trouw bondgenoot van de geallieerden had getoond (het land nam vrijwel alle oorlogshandelingen in de Stille Zuidzee waar) bleef het door het Westen gewantrouwd en vernederd worden. Terwijl de overige geallieerden enthousiast de oorlogsbuit verdeelden, werd het Japan verboden militaire installaties te bouwen op de Stille Zuidzee-eiland die het op Duitsland had veroverd, maar het toppunt was de weigering van Japans bondgenoten om bij de vorming van de Volkenbond een clausule op te nemen waarin de gelijkheid van alle burgers van de lidstaten zou worden gewaarborgd, zonder onderscheid te maken tussen ras of religie. Een Japanse gezant, baron Makino Shinken, betoogde tijdens de onderhandelingen dat
‘onder een overeenkomst, waarin besloten is dat elke lidstaat de ander verdedigt in geval van oorlog, de burgers van die lidstaten zeer wel mogen verlangen dat ze op gelijke voet staan met degenen die ze desnoods met hun leven verdedigen.’
Het Japanse voorstel werd verworpen door de Amerikaanse president Woodrow Wilson, de man die het zelfbeschikkingsrecht en de gelijke rechten voor alle volken zo hoog in het vaandel had staan.
Hierna werd Japan keer op keer ingewreven dat het door de andere grootmachten nooit als een gelijkwaardige natie zou worden beschouwd. Er volgden racistische immigratiewetten in Californië en Australië, specifiek gericht tegen Japanners, horrorverhalen over de schandelijke behandeling van Japanners in den vreemde bereikten het thuisfront en een lawine aan publicaties, vele onder het mom van ‘wetenschap’ deden op hysterische toon kond van het gevaar dat Japan vormde.
Intussen zagen ook de Japanners wel hoe het er in de Aziatische koloniën toeging. Racisme in Nederlands-Indië, onderdrukking in India en Maleisië, uitbuiting en wantoestanden in de hele regio. De idee dat Japan de Aziatische volken moest bevrijden werd breed aangehangen en niet alleen in Japan. Thaise en Indonesische nationalisten zochten contact met invloedrijke Japanse politici en lieten zich opleiden in Japan. Tot in Noord-Afrika inspireerde de Japanse overwinning op Rusland de onafhankelijkheidsbewegingen. In 1942 werd de Japanse invasie van Nederlands-Indië door de inheemse bevolking dan ook met gejuich begroet.
Betekent dat, dat het Japan werkelijk te doen was om het ideaal van een bevrijd en onafhankelijk Oost-Azië? Nee, de verdere ontwikkelingen in de Tweede Wereldoorlog bewijzen het tegendeel. Toen de latere Indonesische president Soekarno in 1943 het Japanse militaire gezag wees op beloftes die hem door de Japanse regering waren gedaan met betrekking tot de onafhankelijkheid in zijn land, werd hem te verstaan gegeven dat hij moest dimmen. Maar voor honderdduizenden gesneuvelde Japanse soldaten was de oorlog wel degelijk een strijd tegen een westerse, racistische onderdrukker.
Als het Westen Japan niet tientallen jaren stelselmatig op grove racistische wijze had bejegend, beledigd, vernederd, het land elke waardigheid niet had ontzegd, en als het Japan in staat had gesteld om via vrije handel grondstoffen in te kopen en producten af te zetten, dan was het voor de Japanse militaristen een stuk moeilijker geweest het Japanse volk mee te slepen in een lange en vernietigende oorlog. Misschien was die dan wel nooit uitgebroken.
Peter Breedveld is Japanoloog






RSS