Frontaal
Naakt
29 september 2011

Lulpraat

Beukman


Illustratie: Hakuchi

In de opnieuw opgelaaide discussie over het ruwe taalgebruik in de Tweede Kamer hoor je wel zeggen, met name vanuit PVV-hoek, dat hullie het ook doen. Natuurlijk is dit een wel heel zwak verweer. Kennelijk ontbreekt het hen, die zich er zo vanaf maken, aan een autonoom moreel kompas.

Toch vind ik dat je dit magere argument niet zonder meer op de vuilnisbelt kan gooien. Een duik in een eeuw parlementaire geschiedenis laat zien dat ook in de Tweede Kamer de vrijheid van meningsuiting zich maar moeilijk laat beknotten, ook als deze balanceert op of over het randje van misbruik van dit recht.

Hier in mijn kast staat het in 2006 verschenen standaardwerk Over lijken – Ontoelaatbaar taalgebruik in de Tweede Kamer door P. Bootsma en C. Hoetink. Het boek bevat talloze voorbeelden van ooit gedane uitspraken en discussies in de Tweede Kamer, waarin de grenzen van het fatsoen, of exacter gezegd: van het Reglement van Orde, werden verkend.

Voortdurend speelde het dilemma van wat nog wel mocht en wat niet, met name sinds het instellen van de schrapbepaling in 1934 (afgeschaft in 2001), waarmee uitspraken met terugwerkende kracht de status niet gedaan konden krijgen.

Om één voorbeeld te geven: toen in datzelfde jaar Henk Sneevliet – toen van de RSAP – door de voorzitter van de Tweede Kamer tot de orde werd geroepen wegens de term volksverdomming – en hij doelde op de regering – probeerde hij het vervolgens tevergeefs met volksmisleiding. Uiteindelijk werd demagogie wel goedgekeurd, en zo kwam het ook in de Handelingen te staan.

Daarnaast speelde het tijdsgewricht een belangrijke rol in het bepalen van wat er wel nog werd geschrapt, en wat niet. Zo werd het woordje ‘onzin’ slachtoffer van de schrapbepaling, terwijl een 21e-eeuwse voorzitter hier echt niet over zou struikelen. En eiste voorzitter Weisglas in 2001 nog van Agnes Kant dat ze het woord ‘lulpraat’ zou veranderen in nulpraat, tien jaar later al, nu dus, zou dit ondenkbaar zijn. Lulpraat: dat woord gebruik je zelfs tegen je beste vrienden!

De opkomst van moderne media, om te beginnen Teletekst, hebben oude bepalingen hopeloos achterhaald gemaakt. Kwamen vroeger geschrapte teksten terecht in een niet openbaar toegankelijk dossier, zodat de gewone boerenlul het moest doen met de gekuiste Handelingen, tegenwoordig is schrappen een loos gebaar, omdat de betreffende uitspraak immers al live te volgen is geweest, duizenden keren is rondgetwitterd, en ook op Youtube staat.

Een rode draad die door het hierboven gemelde prachtboek loopt, is dat ordemaatregelen vaak contraproductief werken. Kamerleden nemen bijvoorbeeld wraak op de voorzitter die hen in hun vermeende vrijheid van meningsuiting beperkt, door vervolgens voortdurend gebruik te maken van hun formele recht op een tijdrovende hoofdelijke stemming. Een Kamerlid dat het woord wordt ontnomen, veroorzaakt driemaal zoveel tumult als hij maakte toen hij nog mocht spreken. Overigens maakt het boek ook korte metten met de praatjes van Volkskrant-redacteur Chris Rutenfrans als zou het ‘links’ zijn, die de afgelopen halve eeuw alle decorum heeft weggehoond.

Interessant om te weten is ook dat de pers zich tot 1940 terughoudend opstelde ten aanzien van door de voorzitter van de Tweede Kamer geschrapte tekst: die verscheen niet in de krant; dat beschouwde de pers als goed fatsoen, gevat in een zichzelf opgelegde gedragscode. Na de oorlog zou deze houding veranderen.

Een akkefietje tussen freule Wttewaall en Johan Scheps in 1954 dat ter plekke werd gesust en vervolgens geschrapt, verscheen daarop breeduit in de pers, veroorzaakte veel verwarring, en leidde tot Kamervragen en tot verzoeken om de pers in dit opzicht aan banden te leggen. Wat gelukkig niet gebeurde.

Gezien in het licht van de geschiedenis meen ik dat het dilemma van wat er nog wel mag worden gezegd en wat over de schreef gaat, altijd zal blijven bestaan, en dat de voorzitter zich meer dan ooit het geval is geweest gedeisd zal moeten houden.

Ik vind dat Verbeet het heel behoorlijk doet. Ze voelt de tijdgeest goed aan, en is zich bewust van de onoplosbare dilemma’s die inherent zijn aan de vrijheid van meningsuiting, getuige haar uitspraken in interviews na het ‘Doe eens normaal’-incident. Meer dan ooit geldt: Gezegd is gezegd. Meer dan vroeger geldt dat de burger elk gebezigd woord live kan volgen, nalezen, én op een goudschaaltje afwegen.

Omdat het vermogen tot grijsdenken een voorwaarde is voor het functioneren van de voorzitter van de Tweede Kamer, kan ik me vooralsnog geen één PVV-er voorstellen die in staat zou zijn om deze functie naar behoren te vervullen. Wie helpt me even aan een naam?

Als Wilders er op wijst dat de neerbuigende term bedrijfspoedel voor Cohen een precedent heeft in Kok’s schoothondje voor Balkenende, heeft hij ongelijk: Kok deed zijn uitspraak à titre personnel, buiten de Kamer en buiten zijn functie – hij was toen al geen premier meer.

Wilders heeft echter wel een punt als hij zegt dat hijzelf in de Kamer ongestraft is uitgemaakt voor rotte vis en fascist, hoe terecht die laatste benaming ook is. Geef Geert eens ongelijk dat hij niet klaagt over deze benaming! De voorzitter mocht na het aanhoren van alle argumenten eens tot de conclusie komen dat het geen belediging is maar een feit: “Maar u bent nu eenmaal een fascist, meneer Wilders.”

Ondanks het hoge hullie-doen-het-ook-gehalte en het schaamteloos te koop lopen met zijn gebrek aan een autonome ethiek, kan je niet zomaar om het hullie-doen-het-ook-argument heen: dat wringt toch met ons égalité-gevoel. En dat zeg ik, die Wilders een heel erg eng mannetje vind.

Vechten tegen taalverruwing in de Tweede Kamer en daarbuiten is een achterhoedegevecht, dat allang verloren is. Wat gezegd is, is dankzij moderne technieken voor altijd gezegd. En de machtsmiddelen die de voorzitter heeft, maken van de dader een slachtoffer.

Laat iedereen dus maar lullen wat ie wil, zeg ik met enige aarzeling – beschaving komt dan des te makkelijker bovendrijven. Het enige dat ik echt betreur in de Tweede Kamer, is dat de kunst van de welsprekendheid, de kunst van het bouwen van solide verbale kastelen, met argumenten als bakstenen en logica als cement, de laatste decennia grotendeels verloren is gegaan.

Weemoedig besluit ik daarom met een hilarisch voorbeeld uit een debat uit 1930, in een stijl en met een welbespraaktheid die huizenhoog staat boven de platte bedrijfspoedelretoriek van 2011, waarin de communist Louis de Visser na een prachtig betoog door de voorzitter wordt verzocht om de woorden ‘politieke dominee zonder Onze Lieve Heer’ terug te nemen, en vervolgens zelfs het woord ‘paus’. Waarna:

[De Visser tot de hamerende voorzitter:] Is U uitgeklopt? Dan ga ik weer verder. De actie, zoo van den Paus tot aan den rabbi toe….
De voorzitter:] Moet ik U het woord ontnemen?
De Visser:] Dat moet U weten. Mag ik den Paus niet noemen? Wat is dat voor een onzin? [….] Ik laat mij op die manier niet behandelen, al stond U hier met 70 Katholieken….. Gaat dat hameren van mijn tijd af?

Volledige tekst alhier.

Beukman zit weliswaar in Het Verzet, maar blijft toch geloven in de intelligentie en de redelijkheid van degenen waar hij tegen in opstand komt.

Beukman
Reageren? Mail de redactie.