Waarom ben ik nu pas wit geworden?
Fréderike Geerdink

Foto: Ryan McGinley
Ineens zag ik duidelijk dat er iets niet klopte, afgelopen voorjaar tijdens de afscheidsborrel die ik hield in een Amersfoortse kroeg, vlak voor ik voor een jaar zou vertrekken om onderzoek te doen voor mij volgende boek. Het was een goeie borrel, iedereen was er, van mijn favoriete 15-jarige tot mijn ouders van 74 en iedereen ertussenin. Maar wat was het gezelschap wít!
Nog meer schaamrood voelde ik op de kaken toen ik er de volgende dag mijn gedachten verder over liet gaan. Waarom had ik in mijn leven, dat al ruim vier decennia duurde, en waarin zich al heel wat feestjes hadden voltrokken, nog nooit eerder geconstateerd dat mijn vriendenkring zo wit is als een zwaarbewolkte Nederlandse lucht?
Vuig racistisch
Het is ongelooflijk hoeveel kwartjes er zijn gevallen sinds ik een jaar of vijf, zes geleden voor het eerst een stuk van Quincy Gario las over Zwarte Piet. Ik was meteen ‘om’, herinner ik me, en inmiddels kan ik Zwarte Piet letterlijk niet meer aanzien, zo vuig racistisch vind ik ‘m. Stiekem geef ik mezelf daar trouwens een schouderklopje voor, dat ik destijds meteen overtuigd was – terwijl het natuurlijk idioot is dat ik er zowat veertig jaar volkomen blind voor was en Gario toch echt niet de eerste was die het thema aansneed.
Die vallende kwartjes zijn confronterend. Voor mij als mens, maar zeker ook voor mij als vrouw en als journalist. Veel ongerijmdheden die ik altijd al heb gevoeld, maar waar ik nooit goed woorden aan kon geven of die ik nooit genoeg heb doorgedacht en die zich nooit tot een samenhangend geheel vormden, komen nu ineens allemaal samen.
Dat komt nu pas omdat ik het eerder niet op mezelf betrok. Toen Gario mijn ogen opende over Zwarte Piet, legde ik geen verbinding met mijn eigen positie. Ik was tegen racisme – wie zegt dat niet? – en vond dat Gario een overtuigend verhaal had, en dat was dat. De verbinding is pas gekomen toen eindelijk het thema ‘wit privilege’ mijn witte wereld bereikte, een paar jaar later. Mannelijk wit privilege, om precies te zijn.
Heel persóónlijk
Even terug naar de lente van 2015. Mijn vorige boek, De Jongens Zijn Dood, was genomineerd voor de Kees Brusseprijs, de belangrijkste prijs voor het journalistieke boek. Ik ging naar de avond waarop de winnaar bekend gemaakt zou worden en dacht zelf dat ik best een kans maakte om te winnen want, al zei ik het zelf, ik had goede journalistiek geleverd. Dat het niet mijn naam was die die avond werd genoemd als de winnaar, had ik kunnen weten toen jury-voorzitter Philip Freriks mijn boek kwalificeerde als “vooral ook heel persóónlijk”. “Wat zegt ‘ie nu?”, dacht ik nog.
De boosheid kwam pas de volgende dag. Ik had, als enige buitenlandse journalist ter wereld, serieus journalistiek onderzoek gedaan naar een massamoord door het Turkse leger op een groep Koerdische burgers op de Turks-Iraakse grens, eind december 2011, en hij kwalificeerde mijn boek als “vooral ook heel persóónlijk”?
Ik overwoog een pittig opiniestuk, bedacht een seconde later dat dat vooral geïnterpreteerd zou worden als ‘slecht verliezerschap’, was blij dat Asha ten Broeke het net in dezelfde week wél opschreef, en liet het los.
Witte mannen
Maar ergens bleef het zeuren in mij. Die boosheid kwam natuurlijk ergens uit voort, en wel uit onzekerheid: had ik het wel goed gedaan, dat boek van mij? Het is geen afstandelijk geschreven reportage afgewisseld met droge analyse gebaseerd op het algemeen aanvaarde narratief dat de Koerdische gewapende PKK en de Turkse staat allebei even schuldig zijn aan wat er in Turkije gebeurt en er daarbij nou eenmaal burgerslachtoffers vallen, per ongeluk.
Ik hou mij altijd aan de journalistieke regels, maar tegelijkertijd schrijf ik betrokken en neem ik stelling. Dat wordt niet gezien als de hoogste graad van journalistiek. Wat de hoogste graad van journalistiek is, dat wordt door (oudere) witte mannelijke collega’s bepaald. Ook in de jury’s van die prijzen, ook al zitten daar tegenwoordig ook best vrouwen in. Die vrouwen denken ook dat de journalistiek die altijd door witte mannen werd bedreven, de enige echte journalistiek is – of ze weten wel dat dat niet zo is maar ze hebben er in zo’n jury geen ruimte voor beslissingen te forceren die tegen de heersende norm ingaan.
In die zin heeft het denken over mannelijk wit privilege mij sterker en strijdbaarder gemaakt. De visie, de manier van journalistiek bedrijven, de manier van journalistiek onderzoek doen en het resultaat ervan opschrijven, die over het algemeen als neutraal en objectief wordt gezien, ís helemaal niet neutraal en objectief. Wij zien dat zo omdat witte mannen al eeuwen de standaard bepalen. De prijs níet winnen, is nu eerder iets om trots op te zijn. Ik heb mijn identiteit niet laten ondersneeuwen door mijn streven te voldoen aan de journalistieke norm. Ik ben nooit een mannelijke witte journalist geworden.
Verdacht van partijdigheid
Tegelijkertijd heb ik, met die Fréderike Geerdink-journalistiek, natuurlijk geprofiteerd van mijn wit-zijn. Als ik de afgelopen jaren net zo over Turkije en de Koerden had geschreven maar dan niet als Fréderike Geerdink maar als, zeg, Beritan Welat, dus als Koerdische Nederlandse, had ik dat dan kunnen publiceren in de grote media waar ik de afgelopen jaren voor heb gewerkt, van Volkskrant Magazine en Het Parool tot Wordt Vervolgd en Opzij? Misschien wel, maar het was lastiger geweest, zonder enige twijfel. De Koerd wordt eerder verdacht van partijdigheid, hoe waar het allemaal ook is wat ze zou opschrijven, puur door haar identiteit, waarmee in feite haar professionaliteit in twijfel wordt getrokken. Ik kan me mijn manier van journalistiek permitteren omdat ik wit ben. Van mij kan het journaille het nét hebben.
Ik schaam me ervoor dat ik me nooit bewust ben geweest van dat privilege. Als ik eraan denk, gaat mijn hand onwillekeurig naar mijn gezicht. Ik voel, en ik voel ik mijn witte huid zoals ik die nog nooit heb gevoeld. Mijn wit is een kleur geworden.
Waarom nu pas? Waarom in godsnaam nu pas? Hoe kan het dat ik me hier ruim vier decennia niet van bewust ben geweest? Dat is toch verbijsterend en onverdraaglijk? Terwijl ik dit typ, voel ik de spieren in mijn witte voorhoofd samentrekken. Heb ik niet geluisterd? Is het mij niet verteld? En waarom heb ik niet geluisterd, of waarom is het mij niet verteld?
Westers superioriteitsdenken
Ik kan de witte man de schuld geven, maar dat lijkt me te gemakkelijk. Kijk eens naar de online documentaire ‘Sunny op racial awareness training’. Eén van de weinige witten die daar zijn mond niet steeds opentrekt maar geïnteresseerd luistert, is de homo. Die weet natuurlijk dondersgoed hoe het is niet-gepriviligeerd te zijn en kan daardoor openstaan voor het verhaal van anderen.
De meeste witte vrouwen luisteren nauwelijks. Dat zijn, denk ik, de vrouwen die geloven dat ze zelf als vrouw geen achtergestelde positie hebben. Werkelijk luisteren naar de zwarte medemens, zou hen bewust maken van hun gepriviligeerde positie als witte, maar ook van hun niet-gepriviligeerde positie als vrouw. Dat gaat in tegen het westerse superioriteitsdenken, waarin we denken dat de vrouwenemancipatie wel zo’n beetje is afgerond. Dat is misschien nog wel de grootste witte vlek die hieronder ligt. Kijk maar, hoe heftig de meeste witte reacties zijn als de gekleurden in de groep overtuigend uiteenzetten hoe die westerse cultuur van ons heeft huisgehouden en alles behalve superieur is.
Wezenlijke verhalen
Er is mij iets afgenomen, de afgelopen decennia. Door me niet ten volle bewust te zijn van de positie van anderen, zowel degenen met meer als met minder privilege, kon ik me immers ook niet bewust zijn van mijn eigen positie. Met als gevolg dat ik toch streefde naar een journalistiek die aan de norm voldeed in plaats van vol overtuiging voor mijn eigen stem te kiezen. Pas nu ik het grotere plaatje zie, durf ik dat streven echt los te laten en zelfverzekerder dan ooit een journalistiek te bedrijven die uit míj komt, met al mijn privilege en niet-privilege.
Maar er is mij ook een mogelijkheid ontnomen bij te dragen aan een betere samenleving. Immers, pas als je structuren en systemen helder ziet, kun je je er werkelijk tegen verzetten, onder andere door je bewust te worden van je eigen tekortkomingen, je eigen blunders, je eigen witte vlekken en daarop te anticiperen. Zeker als journalist had ik de afgelopen vijfentwintig jaar een veel grotere bijdrage kunnen leveren, of, überhaupt een bijdrage. Ik ging naar Turkije, naar Koerdistan, denkend dat er in Nederland geen belangrijke, wezenlijke verhalen lagen.
Als vrouw had ik behoefte dit op te schrijven. Als witte hou ik nu gewoon weer even mijn bek. Terug in de luisterstand.
Fréderike Geerdink is journalist in Koerdistan. Ze verblijft een jaar bij de gewapende groep de PKK om een boek over de organisatie te schrijven. In de dagen dat ze moet wachten op vervoer van de ene PKK-basis naar de andere, denkt ze zich helemaal suf, onder andere over Nederland. Volg haar op Twitter of lees meer op haar website.





RSS