WC-eend; hoe Israël zijn eigen vlees keurt
Sayed Dhansay

Illustratie: Zinaida Serebriakova
Na Israëls verwoestende aanval op Gaza afgelopen winter beschuldigde het onderzoeksteam van Goldstone met haar rapportage zowel Israël als Hamas van het begaan van oorlogsmisdaden en mogelijk misdaden tegen de menselijkheid. Het Goldstone-rapport, dat werd vrijgegeven in september 2009, beviel aan dat beide partijen binnen zes maanden onafhankelijke en onpartijdige onderzoeken naar deze beschuldigingen zouden doen. Gebeurde dat niet, dan zou de zaak doorverwezen worden naar het Internationale Strafhof.
Beide partijen in het conflict werd door het rapport mogelijke oorlogsmisdaden aangewreven. Toch reserveerde het Goldstone-rapport het leeuwendeel van haar veroordeling voor Israël, en wel vanwege het enorme verschil in slachtoffers aan beide kanten – meer dan 1400 Palestijnen vonden de dood, tegenover 13 Israëli’s. Precies vier van die dertien waren burgersslachtoffers van raketaanvallen vanuit Gaza, terwijl aan de ander kant meer dan 900 ongewapende burgers, waaronder zo’n 320 kinderen, in Gaza werden afgeslacht.
Onafhankelijk en onpartijdig?
De reactie die de Israëlische overheid op 29 januari heeft ingediend bij de VN, schiet echter schromelijk tekort om een geloofwaardig onderzoek te kunnen heten. Veeleer houdt het een voortzetting in van Israëls langlopende beleid om te weigeren onderzoek in te stellen naar en vervolging te plegen van de verantwoordelijken voor misdaden, die worden gepleegd tijdens haar krijgtochten.
Een fundamentele fout van dit ‘onderzoek’ is dat Israël een militair rechtssysteem voor haar strijdkrachten heeft. Zoals in het rapport wordt gesteld, is Israëls Militaire Corps van Advocaten-Generaal “verantwoordelijk voor het bekrachtigen van de wet en regelgeving in het gehele IDF [de Israëlische Krijgsmacht].” De drie voornaamste organen van Israëls militaire rechtssysteem zijn (1) het Militaire Corps van Advocaten-Generaal, (2) de Onderzoeksafdeling Criminaliteit van de Militaire Politie en (3) de Militaire Rechtbanken – alledrie takken van het Israëlische leger.
Hoewel het rapport van de Israëlische overheid grote moeite doet om te beargumenteren dat deze lichamen “beroepsmatig onafhankelijk” zijn van de strijdkrachten, blijft het eenvoudig een gegeven dat ze stuk voor stuk deel uitmaken van Israëls militaire establishment en daardoor een gemeenschappelijk doel dienen. Daarnaast roept het feit dat Israëls militaire rechtbanken zich op legerbases bevinden grote twijfel op of wel dezelfde regels gelden ten aanzien van bewijslast en procesgang als bij een publiekelijk toegankelijke, burgerlijke rechtsgang. Zoals nogal wat mensenrechtenorganisaties hebben vastgesteld komen Israëls militaire tribunalen niet eens in de buurt van het respecteren van internationale rechtsnormen.
De hierboven geschetste situatie schept een duidelijk belangenconflict en dat maakt de onpartijdigheid van zo’n onderzoek onmogelijk – het Israëlische leger zal zichzelf haar eigen aanvoerders niet in staat van beschuldiging stellen, laat staan straffen. De uiteindelijk beslissing om wel of geen strafrechtelijk onderzoek in te stellen ligt wat alle klachten tegen het leger betreft bij een instantie van het leger zelf: de Militaire Advocaat-Generaal (MAG). De onbetwistbare partijdigheid die dit zelfregulerende systeem creëert, laat zich door het hele rapport dat Israël nu op tafel heeft gelegd, overduidelijk aanwijzen.
Om maar een voorbeeld te geven: Het Israëlische rapport beweert dat zeven aparte incidenten zijn onderzocht waarin “een groot aantal burgers dat niet direct deelnamen aan vijandelijkheden letsel is toegebracht.” Volgens het rapport vond de Militaire Advocaat-Generaal in vier van deze incidenten “geen grond om een strafrechtelijk onderzoek in te stellen.” Onder die vier gebeurtenissen valt bijvoorbeeld het bombarderen van het huis van de vooraanstaande Hamasleider Nizar Rayyan, waarbij naast Rayyan zelf vijftien anderen omkwamen; en het met mortiergranaten bestoken van het huis van Dr. Izzedin Abu al-Aisj, dat de dood van zijn drie dochters en nichtje tot gevolg had. De resterende drie gebeurtenissen zijn nog steeds “in onderzoek”.
De Israëlische overheid tracht deze willekeurige aanvallen op burgerdoelen te rechtvaardigen met de bewering dat ze duizenden telefoontjes heeft gepleegd en vanuit de lucht folders heeft verspreid in de gebieden waar het leger opereerde. Het Goldstone-rapport kwam echter tot de volgende bevinding: door de diepe shock en de wijdverbreide schade die werd toegebracht door honderden luchtaanvallen in de eerste week van Israëls militaire campagne, stonden de inwoners van Gaza “niet alleen voor het dilemma waar men heen moest, maar ook of het überhaupt wel veilig was een heenkomen te zoeken.”
Het Goldstone rapport concludeert dan ook dat de inwoners van Gaza geen enkele objectieve basis hadden op grond waarvan zij konden geloven dat het elders veiliger was, omdat juist vele van de centrale gebieden waar Israël de burgers geïnstrueerd had heen te gaan, hadden geleden onder “intense luchtbombardementen en verwoesting”.
Een campagne van terreur…
Op 15 January 2009 werd het al-Quds Hospitaal in Gaza City getroffen door een aantal witte fosfor-granaten. De daarop volgende branden veroorzaakten wijdverbreide paniek en chaos onder de zieken en gewonden, maakten twee evacuaties van het ziekenhuis onder extreem gevaarlijke omstandigheden noodzakelijk en veroorzaakten kolossale financiële verliezen. Als gevolg van de verwoesting van de infrastructuur van het ziekenhuis, kon een achtjarig meisje dat was neergeschoten door een Israëlische sluipschutter de benodigde hulp niet krijgen, zodat ze stierf. In tegenspraak met beweringen van de Israëlische overheid kon de Goldstone-commissie geen enkel bewijs vinden dat Palestijnse verzetsstrijders het terrein van het ziekenhuis had gebruikt om granaten te lanceren tegen de Israëlische strijdkrachten.
Het Goldstone-rapport vermeldt ook de moedwillige vernietiging van drie ambulances door Israëlisch tankgeschut en zware schade aan een nabijgelegen ambulancedepot in dezelfde aanval. Het concludeert dat door witte fosfor te gebruiken om direct een burgerhospitaal en ambulances aan te vallen, het Israëlische leger de Vierde Conventie van Genève heeft gebroken, en het internationale recht heeft geschonden.
Het Israëlische rapport wijdt slechts één regel aan deze beschuldigingen. Hoewel het vermeldt dat er beschuldigingen zijn geuit van tien incidenten waarbij haar strijdkrachten het vuur hebben geopend op medische instellingen en gebouwen, stelt het eenvoudig: “de MAG trof geen grond aan om een strafrechtelijk onderzoek in te stellen naar de tien incidenten in kwestie.”
Hoewel het Goldstone rapport opmerkt dat onder internationale wetgeving het gebruik van witte fosfor niet verboden is om troepenbewegingen aan het zicht te onttrekken, noemde het Israëls herhaaldelijke gebruik van de chemische substantie op burgerdoelen “roekeloos”. Na het langslopen van de afschuwelijke wonden en het aantal doden dat werd veroorzaakt door het gebruik in Gaza, roept de commissie zelfs op om serieus te overwegen elk gebruik van witte fosfor te verbieden, inclusief het gebruik als rookgordijn.
De Israëlische ontkende in eerste instantie herhaaldelijk dat haar strijdkrachten gebruik maakten van witte fosfor. Nu zegt haar eigen rapport terloops: “De MAG heeft geen grond gevonden om disciplinaire of andere maatregelen te nemen voor het gebruik [door het Israëlische leger] van wapens die witte fosfor bevatten, hetgeen geen schending van het oorlogsrecht in heeft gehouden.”
Een van de voornaamste incidenten die wordt beschreven in het Goldstone rapport als het gaat om willekeurige aanvallen door de Israëlische strijdkrachten tegen burgers in Gaza, is de mortierbeschieting van al-Fakhurastraat in Jabaliya, waar het VN-agentschap voor Palestijnse vluchtelingen (UNWRA) een school opengesteld had voor vluchtende burgers die beschutting zochten. De UNWRA bevestigde aan de Goldstone-comissie dat het Israëlische leger “geheel op de hoogte was” dat meer dan 1300 burgers in de school een veilig heenkomen hadden gezocht.
Desalniettemin werden op zes januari 2009 vier Israëlische mortiergranaten afgevuurd in de straat voor de school, waarbij 35 burgers omkwamen, waaronder 11 leden van de familie al-Deeb. Getuigen beschreven scènes van “chaos en slachting” waarbij ten minste nog eens 40 mensen door de inslagen gewond werden; een situatie die nog verergerd werd door de moeilijkheid om op dat moment de ambulancediensten te bereiken. Deze gebeurtenis wordt, net als verschillende andere, zelfs niet genoemd in de Israëlische reactie.
… en sabotage
Het Goldstone rapport wijdt een geheel hoofdstuk aan de Israëlische aanvallen op de elementaire voorwaarden voor het burgerlijk leven in Gaza. Het concludeert dat de Israëlische strijdkrachten verantwoordelijk zijn voor de vooropgezette en systematische verwoesting van voedselfabrieken, watervoorziening, rioleringswerken en bouwbedrijven, waarbij het de fundamentele mensenrechten van de burgerbevolking op voedselzekerheid, middelen van bestaan en adequate huisvesting heeft geschonden. Het Goldstone rapport meldt 324 fabrieken die gedeeltelijk of geheel verwoest zijn, met het verlies van 40.000 banen als effect, en het merkt op dat geen van deze aanvallen noodzakelijk was voor het bereiken van militaire doeleinden.
Volgens een geijkt patroon, verbloemt de reactie van Israëlische zijde deze beschuldigingen met beperkte details en feitelijke gegevens. Het stelt dat van de 34 grootste incidenten die in het Goldstone-rapport worden besproken, slechts negen het voorwerp zijn van voortgaand strafrechtelijke onderzoek door de militaire politie; maar zonder te onthullen welke incidenten dan wel onderzocht zouden worden. In haar weerwoord tegen de beweringen van het Goldstone-rapport, dat het Israëlische leger de civiele infrastructuur van Gaza systematisch verwoest heeft, stelt Israëls eigen rapportage eenvoudig: “Wat bepaalde incidenten betreft… de MAG heeft de berichtgeving in zijn geheel bekeken en geconcludeerd dat er geen grond was voor een strafrechtelijk onderzoek.”
De rapportage somt vervolgens drie incidenten op waarbij schade aan civiele infrastructuur is toegebracht, die volgens haar het voorwerp van onderzoek zijn geweest:
De Namar Bronnen, die meer dan 25.000 mensen van drinkwater voorzagen, zijn volkomen verwoest door verschillende luchtaanvallen. De Goldstone commissie rapporteerde dat er geen enkel bewijs bestond dat aanleiding gaf te denken dat Hamas de bronnen voor militaire doeleinden gebruikte. Het Israëlische rapport beweert eenvoudig dat het een legitiem doel was omdat het een “militaire basis van Hamas” betrof en dat de zaak derhalve geen strafrechtelijk onderzoek waard was.
Op soortgelijke manier beweert het Israëlische rapport dat het gebied rond de al-Badr meelmolens, een van Gaza’s laatst overgebleven voedselvoorzieningsinstallaties, “door verschillende tankgranaten geraakt werd bij de beantwoording van vijandelijk vuur in het gebied.” Dat het hier een grove onwaarheid betreft, kwam wel vast te staan toen verschillende nieuwsagentschappen berichtten dat een bomverwijderingseenheid van de VN in de molen de restanten hadden aangetroffen van een MK-82 bom, welke in gebruik is bij de Israëlische luchtmacht. Dit incident werd door de Israëli’s evenmin een onderzoek waardig geacht.
Het onderzoek door Hamas, in feite eveneens een interne keuring, gaat mank aan dezelfde mate van partijdigheid. Het moet echter opgemerkt worden dat waar Israël rekenschap heeft af te leggen voor de dood van meer dan 900 burgers, Hamas slechts verantwoordelijk is voor vier Israëlische burgerslachtoffers. Verder heeft Hamas zich in de vier maanden voorafgaande aan Israëls aanval strikt gehouden aan het door de Egyptenaren tot stand gebrachte staakt-het-vuren, en de raketbeschietingen in het zuiden van Israël drastisch verminderd. Deze beschietingen werden pas weer hervat nadat het Israëlische leger het staak-het-vuren verbrak en zes leden van Hamas liquideerde op 5 November 2009, in een poging Hamas tot het hervatten van de vijandelijkheden te verleiden, om zo het offensief dat ze in de planning had staan, te kunnen rechtvaardigen.
In haar conclusie beweert het Israëlische rapport onderzoek te zijn begonnen in 150 verschillende gebeurtenissen, waaronder 36 strafzaken. Maar
meer dan een jaar na het offensief zijn er nog altijd geen strafrechtelijke veroordelingen of significante rechtszaken geweest. Afgezien van twee militairen die zijn “gedisciplineerd” vanwege het overstijgen van hun gezag door het toestaan van het vuren van explosieve granaten in bewoonde gebieden, maakt het Israëlische rapport geen verdere specifieke vermelding van veroordelingen.
History repeating
Israëls magere reactie op het Goldstone rapport zet de lange en consistente geschiedenis van het land voort van straffeloosheid en gebrek aan verantwoording, waar het aankomt op ernstige beschuldigingen van oorlogsmisdaden aan haar adres. In 1983 concludeerde de Israëlische ‘Commissie Kahan’ dat Israël “indirect verantwoordelijk was” voor de slachting in het Palestijnse Sabra en Shatila-vluchtelingenkamp in Beiroet het jaar ervoor. Ariël Sharon, de architect van de Israëlische invasie in Libanon en de toenmalige minister van Defensie, droeg volgens de commissie “persoonlijke verantwoordelijkheid” omdat hij de slachting had genegeerd, hoewel hij die had kunnen en moeten voorkomen. Hoewel hij met tegenzin ontslag nam als minister van Defensie, bleef hij aan in Israëls kabinet en zou hij bijna twee decennia later terugkeren als de minister president, zonder ooit ook maar enige strafvervolging te ondergaan.
En na de inval en verwoesting van het vluchtelingenkamp in Jenin in 2002 door het Israëlische leger – door de toenmalige VN-afgezant Terje Roed-Larsen omschreven als “onbevattelijk in zijn gruwelijkheid” – en beschuldigingen van oorlogsmisdaden van tal van mensenrechtenorganisaties dienaangaande, stemde de VN-Veiligheidsraad unaniem in met een onderzoeksmissie om de feiten van wat zich in het kamp voltrokken had boven water te krijgen. In nog maar eens een brutale zet om kritische inspectie vanuit de internationale gemeenschap te ontlopen, verklaarde de toenmalige minister-president Ariel Sharon hooghartig dat de samenstelling van het VN-team “onacceptabel was voor Israël”. Toen het er niet in slaagde de VN te koeioneren over de samenstelling van het team en waar haar onderzoek wel en niet over mocht gaan, verhinderde Israël het team doodleuk het land binnen te komen.
Meer recent stelde de VN-Mensenrechtenraad een missie in onder leiding van de voormalige aartsbisschop van Zuid-Afrika en nobelprijswinnaar Desmond Tutu, om de feiten rond de mortierbeschieting van Beit Hanoun in Gaza te onderzoeken. De onderzoeksmissie werd op drie verschillende gelegenheden te toegang tot Gaza ontzegd. Toen het Beit Hanoun bijna twee jaar later eindelijk bereikte, luidde conclusie van de onderzoeksmissie dat de Israëlische aanval mogelijk inderdaad een oorlogsmisdaad inhield. Tutu bekritiseerde niet alleen het incident scherp, maar ook Israëls “gebrek aan een adequaat onderzoek in de moordpartij.”
Het Israëlische rapport over haar gedrag in Gaza in de winter van 2008/09 heeft er alle schijn van een lukrake schaamlap te zijn van een onderzoek. Een schaamlapje, waarin de tweevoudige tactiek wordt ingezet van ontkenning en uitstel, en dat enkel en alleen wordt uitgevoerd om druk vanuit de internationale gemeenschap van zich af te houden. Het rapport is schaamteloos in zijn ontkenning van flagrante schendingen van mensenrechten en humanitaire wetgeving tezamen. In andere gevallen worden er bewust weinig details prijsgegeven over de “voortdurende onderzoekingen” die zouden worden gepleegd. Het hoge aantal incidenten dat eenvoudig zijn weggewuifd door de MAG duidt erop dat bepaald niet voldaan is aan internationale criteria, die zijn vereist voor een zorgvuldig onderzoek naar schendingen van internationale wetgeving. Wat verder twijfel zaait over de wijze waarop dit soort Israëlische rapporten tot stand komt, is het feit dat verschillende incidenten niet eens werden onderzocht als mogelijke strafzaak, maar via interne operationele debriefings van het Israëlische leger zijn getoetst.
WC-eend onderzoek
Het Israëlische onderzoek, gevoerd zonder publieke controle en geheel binnen de sfeer van de legerstructuren, ontbeert geloofwaardigheid, consistentie en transparantie. Van een leger dat beschuldigd wordt van ernstige schendingen van de wet, kan moeilijk verwacht worden dat ze zichzelf onpartijdig onderzoekt. Door haar geschiedenis heen heeft Israël keer op keer haar oorlogszuchtige veronachtzaming laten zien van de mensenrechten van Palestijnen, en haar minachting voor de internationale wetgeving. Haar onomwonden weigering om met de Goldstone-commissie samen te werken kwam niet als een verrassing, en zet een consistent patroon voort van straffeloosheid en gebrek aan rekenschap ten aanzien van flagrante oorlogsmisdaden.
Het is van het grootste belang dat de internationale gemeenschap de Israëlische reactie op het Goldstone-rapport onderkent als een onverholen poging om de Israëlische misdragingen in Gaza weg te poetsen, en de kwestie nu zonder uitstel doorverwijst naar het Internationale Strafhof. Elke andere reactie moedigt Israël alleen maar aan in haar spijkerharde opstelling en haar misdaden tegen het Palestijnse volk.
Sayed Dhansay (Blog &Twitter) is een Zuid-Afrikaanse mensenrechtenactivist en onafhankelijk freelance schrijver. Hij gaf zich in 2006 op als vrijwilliger voor de Internationale Solidariteitsbeweging in de door Israël bezette Westelijke Jordaanoever en hij organiseert mede de Zuid-Afrikaanse delegatie voor de Gaza Freedom March. Dit stuk verscheen 22 Februari 2010 op de website Electronic Intifada. (Prediker)






RSS