Frontaal
Naakt
18 september 2007

Arabisch Zionisme

Hanna Bouaicha

Lenepveu0 (79k image)

In Israël wemelt het van de conflicten. Het conflict der conflicten in deze context is natuurlijk het bekende Israëlisch-Palestijnse conflict. Maar als je even verder kijkt, kan de conflict-liefhebber hier zijn lol op. Tussen de Israëlische Joden onderling bestaat een heel netwerk aan conflicten: Het eigenlijk alweer verouderde conflict tussen de Ashkenazi en Sefardische Joden, tegenwoordig zijn het meer de Ethiopiërs die het onderspit delven. Natuurlijk de seculiere ten opzichte van de religieuze Joden. En niet te vergeten de voor de hand liggende links en rechts oppositie.

Maar waar ik nu kort op wil inzoomen is het interne conflict tussen de Joodse en Arabische Israëliërs. De interne conflicten tussen de Palestijnen in de Palestijnse gebieden laat ik voor het gemak even totaal buiten beschouwing. Sterker nog, het liefst zou ik het volledige Israëlisch-Palestijnse conflict even ‘bracketten‘ (zoals dat zo mooi heet in mijn vakgebied als je iets buitenspel zet). Natuurlijk is in dit kleine gebied alles met alles verweven, maar soms moet je de zaken juist uit elkaar trekken om ze beter te begrijpen, of op zijn minst zuiver te kunnen bekijken.

In Israël is momenteel twintig procent van de bevolking Arabisch. De meeste van hen worden ook wel de ’48-Arabs’ genoemd. Toen Israël onafhankelijk werd, zijn deze Arabieren gebleven. Je kunt debatteren over de legitimiteit en of zij al dan niet een keuze hadden. Maar ook dat wil ik hier niet centraal stellen. Waar het me nu om gaat is dat de Arabisch-Israëlische bevolking eigenlijk heel gesegregeerd leeft van de Joods-Israëlische bevolking. Uitzonderingen zijn bijvoorbeeld Haifa en Jaffo, plaatsen die van oudsher al gemengd waren.

Deze plaatsen worden ook wel gezien als ‘modelsteden’ van co-existentie, maar daar valt over te twisten op het moment dat je het van dichtbij bekijkt. Over het algemeen wonen de Arabieren in Arabische steden, veelal onder Arabisch gezag, de kinderen gaan naar Arabische scholen en Arabische Israëliërs krijgen vrijstelling van dienstplicht. Deze opsomming geeft in het kort weer hoe een bevolking is buitengesloten van de samenleving en hoe mogelijk een scheve klasseverhouding in stand wordt gehouden.

Vooral de kwestie van gescheiden scholen riep bij mij vraagtekens op. Onlangs was ik in gesprek met Joodse en Arabisch Israëlische kinderen (14-16 jaar) die zijn samengebracht om een toneelstuk te maken, met als doel ‘dialoog’ te creëren. Ze kenden elkaar niet voordat ze aan dit project deelnamen, vooral omdat ze op verschillende scholen zitten ondanks dat ze in het ‘gemengde’ Haifa wonen. Hoe kun je klagen dat er te weinig ‘erkenning voor de ander’ is als er überhaupt geen ‘ontmoeting’ plaatsvindt? Scholing is allesbepalend voor een toekomstige sociale structuur.

Een modern Arabisch-Israëlische vrouw uit Haifa vertelde me dat ze wel achter een systeem van gescheiden scholen staat. Dit met name vanwege de taal. Op een Arabische school is, buiten enkele verplichte lessen Hebreeuws, Arabisch de voertaal. Voor haar is het voortbestaan van de taal essentieel en staat misschien wel symbool voor de erkenning van haar Palestijnse afkomst.

Met een Joodse Israëliër ging ik hierover in discussie. Ik sprak mijn ongenoegen uit over het bestaan van de gescheiden scholen, en eigenlijk deze gesegregeerde samenleving. Hoewel misschien niet direct toepasbaar, vergeleek ik het me de Nederlandse samenleving. Zelf ben ik een product van migratie en groeide op in een ‘multiculturele’ samenleving. Ik geloof totaal niet in een multiculti-beleid dat zich in allerlei bochten wringt om verschillende culturele eigenheid in stand te houden.

Het omzichtige Nederlandse beleid ten opzichte van de migrantenculturen die van buiten kwamen, is uiteraard niet helemaal vergelijkbaar met de situatie van de Arabische en Joodse Israëliërs. De Arabische cultuur was hier al en gezien de situatie van het ‘conflict’ (lukt toch niet helemaal, dat bracketten) kan de Israëlische regering daar niet omheen. Mijn Joods-Israëlische vriend vindt het ‘nobel’ dat de Israëlische regering zoveel ruimte geeft aan de Arabieren om hun taal, cultuur en vooral religie te behouden. Met mijn argwanende aard kan ik niet meegaan in dit allervriendelijkste perspectief. Ik kan het niet helpen er een systeem van ‘divide and rule’ in te zien.

Het zou mij niet verbazen als Israël er helemaal niet op uit is om de Arabische Israëliërs te betrekken in hun samenleving. Daar is ethisch wel iets over te zeggen, maar voor nu concreet irrelevant. Mijns inziens is het in de eerste plaats aan de Arabische Israëliërs zélf om zich te betrekken en te integreren bij de samenleving, de samenleving van de meerderheid, de Joodse samenleving dus. Onderzoeken hebben aangetoond dat veel Arabische Israëliërs, gegeven de keuze voor een Palestijns alternatief, ervoor kiezen om in Israël te blijven. Dat verbaast me niets. Wie wil niet deel zijn van een succesvolle, ontwikkelde en democratische samenleving?

Dit soort vraagstukken houd ik in eerste instantie dichtbij mezelf, wat zou ik doen? Als ik een Arabisch-Israëlische moeder was, dan zou ik simpelweg het beste voor mijn kind willen: een goede baan, een leuk huisje, een auto, een gezin. Maar vooral ook de mogelijkheid om uit de vicieuze cirkel van klassensegregatie op basis van etniciteit te breken. Het ‘beste’ is in mijn ogen niet naar een Arabische school, maar gewoon naar een school met Joodse kinderen. Geschiedenis, cultuur en religie op school vanuit een overwegend ‘Joods perspectief’ nemen we op de koop toe, en met een beetje goede wil kun je het beschouwen in het kader van lessen in de ‘wereld van de ander’.

Het ‘beste’ is ook niet het Arabisch als voertaal op school, maar ten eerste de Hebreeuwse taal eigen maken en niet, zoals bij sommigen Arabieren, op de Universiteit aankomen met gebrekkig Hebreeuws. Als het even kan ook het Arabisch behouden, maar dat versterken doen we thuis of met extra lessen. Het ‘beste’ is om gebruik te maken van alle kansen die een ontwikkelde moderne samenleving te bieden heeft. Die kansen liggen daar waar de macht ligt, bij de Joodse meerderheid en niet in mijn ‘afgesloten’ Arabische omgeving.

Het probleem met dienstplicht is ingewikkelder. De Israëlische samenleving is behoorlijk gemilitariseerd. Vanaf hun achttiende hebben meisjes een dienstplicht van twee jaar, jongens moeten drie jaar in dienst. De impact van deze diensplicht is enorm. Niet alleen is het in sterke mate vormend voor de jongvolwassene, het is ook bepalend voor de toekomst. De eerst vraag bij een sollicitatie is wat de sollicitant heeft gedaan gedurende de dienstplicht. Het ontbreken van dienstplicht op de CV heeft grote gevolgen. Arabische Israëliërs worden ‘vrijgesteld’ van dienstplicht omdat ook hier de allervriendelijkste Israëlische regering hen niet tegen hun ‘eigen volk’ zou willen laten vechten.

Principes daargelaten, lijkt het me beter als Arabische Israëliërs zich hier niet zo gemakkelijk aan ontrekken. Er zijn alternatieve posities te bedenken, bijvoorbeeld in de sociale sector, die ze zouden kunnen vervullen zonder de genoemde confrontatie aan te gaan. In die zin kan de diensplicht gezien worden als symbolisch-nationalistische ondersteuning van de staat waar men burger van is. Voor Israël is dit de buitenkans om bijvoorbeeld met een aangepast programma Arabisch nationalisme te kweken.

Ik sprak met een Arabische-Israëlische dame over dit perspectief. Ze reageerde afwijzend en zag het als een soort ongelijke opoffering: ‘Why should we give so much to them, they are not accepting us in their society’. Het verschil met haar visie en met die van mij als denkbeeldige progressieve moeder is het uitgangspunt. Deze moeder is Arabier maar ook Israëliër en voelt enige betrokkenheid bij de staat. Ze heeft zich emotioneel enigszins kunnen loskoppelen van de geschiedenis en is niet bereid de prijs te betalen voor trots en behoud van een nostalgische identiteit. Haar motivatie is eigenlijk vooral egoïstisch van aard. Ze is gericht op de optimalisatie van de toekomst van haar kind. Ze zou er alles aan doen om haar rechten op te eisen, maar ziet het ook als plicht om het maximale bij te dragen aan de maatschappij waarin ze leeft.

Mijn Israëlische vriend stelde terecht dat hij tot nu toe nog geen grote groepen demonstrerende Arabische Israëliërs heeft gezien die zo graag het leger in willen of willen integreren in de Joodse samenleving en zich opwerpen als nieuwe Arabische zionisten. Hij geeft aan hoezeer al vooruitgang is geboekt als je ziet dat Israël zelfs een Arabische minister heeft benoemd. Maar volgens hem willen de meeste Arabieren niet integreren, en kun je het niet afdwingen.

Laat ik daar duidelijk over zijn: mijn suggestie is geen dwingend beleid van assimilatie waarbij je kunt wachten op een giftige tegenreactie. Mijn betoog is gericht op de progressieve Arabische Israëliër die het ‘beste’ voor zichzelf kan kiezen. Het gaat niet om voorbeelden als het aangehaalde ‘dialoog’-project, die op microschaal slechts een ideologisch geconstrueerde werkelijkheid weergeven. Arabieren hebben er belang bij om te integreren in de ‘mainstream‘ Joodse samenleving, in het ‘normale’ leven. Het zou niet gek zijn als de Israëlische regering deze potentiële gematigde progressievellingen niet alleen zou prikkelen maar ook zou ondersteunen. Ik zie dit als de enige weg van échte ‘co-existentie’. Pas als de Arabische Israëliër een, zelfverworven en zelfopgeëiste, gelijkwaardige plek in de samenleving heeft, kun je hem aanspreken als volwaardig burger en kan hij als dusdanig functioneren.

Het mes snijdt altijd aan twee kanten. Ook als het de voordelen betreft. De geïntegreerde individuele Arabische Israëliër zou een betere plek in de samenleving krijgen. Israël zou in plaats van instandhouding van de broedende interne enclave meer loyale burgers krijgen die op de langere termijn kunnen bijdragen aan de ontwikkeling van het land. En om nog een stap verder te gaan, deze ideaaltypische Arabische Israëliërs zouden in de toekomst nog wel eens een onmisbare brugfunctie kunnen vormen tussen Israël en haar Arabische buurlanden.

Natuurlijk ben ik geen Arabische Israëliër. Ik heb niet ‘mijn land’ verloren aan het overwinnende Israël. Ik heb geen oom verloren in de bloedige strijd. Ik heb geen familie die in de West Bank woont. Ik heb geen affiniteit met de bestaande of gewenste Palestijnse nationaliteit. Wie ben ik om als naïeve buitenstaander de situatie irreëel te versimplificeren en daarop een in West Europese integratiemodel toe te passen?

Het bovenstaande is dan ook een beschrijving van mijn verbeelding. Als het gaat om fijn samen wonen, fijn samen naar school gaan en al helemaal de beoogde alternatieve vorm van dienstplicht is het wellicht allemaal utopisch en onrealistisch. Toch hoor ik ook verhalen van enkele voorbeelden waarbij het al gebeurt. Het zijn vooral Arabieren uit de bovenklasse die hun kinderen naar Joodse scholen sturen en er zijn enkele Arabieren die vrijwillig in dienst gaan. De realiteit van de situatie laat dit vooralsnog niet toe op grotere schaal. Hoewel ik erken dat mijn ‘bracketten‘ niet realistisch is, is het soms noodzakelijk als manier om het denken richting vrijheid en vooruitgang mogelijk te maken. Stijging in de ladder van sociale klasse is geen garantie voor maatschappelijke acceptatie, maar het is een goed begin.

Hanna Bouaicha (1974), bijna afgestudeerd socioloog, is Arabier en geïnteresseerd in Joden. Bij voorbaat verdacht! Voor Frontaal Naakt bericht ze regelmatig vanuit Jeruzalem, waar ze de secularisering van joden onderzoekt.


Reacties gesloten. Mail de redactie.

« home