Frontaal
Naakt

3 mei 2009

Op bezoek bij majoor Bosshardt

A.H.J. Dautzenberg

BellyDancers1 (66k image)

‘Ik ben al negentig hoor.’

Ze keek me vol trots aan. De hoer.

‘Ik heb laatst een hersenbloeding gehad. En ik heb het ook aan mijn hart. Maar ik ben niet kapot te krijgen.’

Ja, ja, tart het lot maar, afgeleefde trol!

‘Ik kan ook niet meer zo goed zien. Maar wat wil je, ik ben negentig jaar.’

Ik keek om me heen op zoek naar een geschikt kruis. Keuze genoeg. Naast de boekenkast hing een mooi exemplaar. Ik liep er heen en nam het van de spijker. Ik legde het op de stoel naast me.

‘Wat doe je?’ vroeg Bosshardt.

‘Ik wilde even een kijkje nemen in de boekenkast. Eens zien wat u zoal leest.’

De majoor draaide zich om, het gezicht naar haar boeken gewend. Ik boog me voorover en liet een klodder spuug in haar thee vallen.

‘Ik heb veel boeken over het geloof. Ik geloof in God, ik geloof in Gods liefde en genade en ik geloof in het eeuwige leven.’

Toe maar! Ik pakte mijn Zwitserse mes uit mijn broek en knipte het open. Ik nam het kruis en begon erin te snijden.

‘Snij je ergens in?’

Haar gehoor was blijkbaar nog niet aangetast door de ouderdom.

‘In een blokje hout. Ik ben ook kunstenaar. Ik wil proberen om tijdens het interview iets moois voor u te maken.’

‘Dat is aardig van je. Waar wilde je me ook al weer over spreken?’

‘Over de bijbel en over Herman Brood.’

‘Oh ja, ik was het weer vergeten. Ik word een beetje vergeetachtig. Maar ik ben ook al negentig jaar.’

Derde keer.

‘Bent u al negentig? Dat geloof ik niet?’

Met mijn mes sneed ik een flinke hoek van het kruis af. Shit! Ik moest me beter concentreren op mijn werk!

‘Jawel, ik ben al negentig! Bijna dood, ha ha. Ik ben niet bang om dood te gaan hoor. Maar ik heb geen haast om te sterven, ik geniet nog van het leven. En dat eeuwig leven dat duurt toch eeuwig, dus dat kan best nog even wachten.’

W’ll see… De ‘rechterarm’ van het kruis begon al ergens op te lijken. De majoor dronk van haar thee. Zo te zien met smaak.

‘Vond u het jammer dat Herman Brood zelfmoord pleegde?’

‘Zelfmoord vind ik niet goed. Ik neem het de mensen die het doen niet kwalijk, maar ik vind dat je het leven zijn beloop moet laten. Dat vond ik van Herman Brood ook heel jammer, dat hij het gedaan heeft. Maar hij was volgens mij niet meer toerekenbaar. En hij zat helemaal onder de drank en de drugs. Het was toch een soort kinderlijke, ziekelijke man. Niet alleen lichamelijk, maar ook in zijn denken. Hij heeft dat volgens zijn moeder altijd gehad. Hij was totaal onberekenbaar.’

Kinderlijk, ziekelijk, onberekenbaar. Een mooi rijtje. Had hij daardoor immers geen mooi leven gehad? Nee, voor zo’n droge muts als Bosshardt kon dat natuurlijk niet. We moesten god dienen en anders niks.
Ik keek naar het kruis. De ene hand was al bijna helemaal vrij. Nu nog de andere – en het hoofd natuurlijk…

‘Ik heb vooral na zijn dood veel contact met haar gehad, een eenvoudige en gelovige vrouw. Zij wist dat Herman dood zou gaan, maar ze had niet verwacht dat hij zelfmoord zou plegen. Ze zei: “Hij kon heel lief zijn, maar hij deed altijd wat waar je niet op rekenen kon.” Dan stond hij bijvoorbeeld weer midden in de nacht op de stoep bij haar bejaardenhuis in Assen en maakte het hele huis wakker met zijn kabaal.’

Het viel me nu pas op dat Jezus een vuist maakte. Twee vuisten zelfs. Normaal gesproken had hij zijn handpalmen naar de wereld gekeerd: kijk mij nu toch eens lijden. Ja, beide handen waren gebald. Alsof hij zich los probeerde te trekken…

‘Heeft u Herman vaak ontmoet?’

‘Heel vaak. Niet alleen in Villa Felderhof, maar ook hier in de stad – in de kroeg of op straat. Dan kreeg ik weer tekeningen van hem of een schilderij, maar daar vond ik niks an en die gaf ik meteen weer weg. Het was een grote vlerk van een kind, hij was helemaal gek. Soms kwam hij ook wel eens hier bij mij thuis, maar hij was altijd heel gauw weer weg. Een keer is hij blijven slapen. Hij was helemaal dronken, dus had ik een bed voor hem gemaakt op de bank. En wat denk je, midden in de nacht kruipt hij bij mij in bed. “Majoor, mag ik u ontmaagden?” vroeg hij me. Ik heb hem meteen uit bed gegooid. Hij kleedde zich aan en is direct vertrokken. De volgende dag kreeg ik een bloemetje met een kaartje waarop hij ‘sorry, maar ook wel jammer’ had geschreven. Een groot kind, ja dat was hij…’

De linkerkant van het kruis ging wat makkelijker. Het hout was daar wat zachter. Bosshardt ging onverstoorbaar door met haar Brood-avonturen.

‘Maar normaal gesproken hoefde je nooit bang te zijn dat hij lang bleef; daarvoor was hij te onrustig, hij hield het nog geen tien minuten uit! Ik vind het knap dat hij die vijf dagen in die Villa Felderhof volhield. Hij had zijn eigen ticket in zijn zak, zodat hij elk moment kon gaan, maar hij is toch gebleven. Hij was wel vaak weg en dan zat hij weer in St. Tropez te drinken. Met Bernard van de NCRV, ging ik hem dan zoeken. We vonden hem altijd wel in een of ander café en dan ging hij ook mee. Herman luisterde goed naar mij; naar Rik Felderhof wilde hij nooit zo goed luisteren. Ik ging daarom altijd mee als er televisieopnames van Herman gemaakt moesten worden…’

Ik vond het toch vreemd, die gebalde vuisten. Hij had zich toch vrijwillig laten ophangen, de idioot. Misschien spijt gekregen. Helaas, niks meer aan te doen! Eigen schuld dikke bult! Maar die vuisten zouden me nog goed van pas kunnen komen. Jawel, uit praktisch oogpunt waren ze een waar geschenk uit de hemel…

‘Ik vond dat zo’n gek huis daar in St. Tropez. Allemaal zitkuilen en trappen. Nee, ik vond het helemaal niet leuk. Om in het zwembad te komen, moest ik eenenveertig trappen af en er was geen leuning! Herman hield mij dan altijd vast. Rik vroeg na afloop van het programma of ik nog wat langer wilde blijven. Dat heb ik niet gedaan, ik was blij dat ik weer naar mijn bejaardenwoning kon gaan. Ik ben samen met Herman vertrokken.’

‘Heeft u invloed op Hermans leven gehad?’ besloot ik die flauwekul over Felderhof te beëindigen.

‘In een boek van Bart Chabot staat dat ik zeker invloed op Herman heb gehad. Pak jij het even, het staat op de bovenste plank.’

Ik legde het kruis op tafel en haalde het boek. Het stond naast het complete oeuvre van Erwin Mortier.
‘Lukt het met je kunstwerk?’

‘Uitstekend! U zult versteld staan van het resultaat.’

‘Aardig van je om dat voor mij te doen. Wat wordt het?’

‘Laat u verrassen.’

Ik gaf haar het boek en ging verder met mijn werk.

‘Kijk, hier is die brief van Beatrix! Die was ik kwijt! Die zat dus in het boek van Chabot. Ja, ik schrijf weer veel met Beatrix sinds Claus dood is. Ze heeft namelijk veel verdriet. Ze hadden ook een goede relatie. Ook seksueel. Dat was wel wat anders met Juliana en Bernard. Met Juliana heb ik ook veel gecorrespondeerd, maar dat kan nu niet meer. Ja, Juliana wilde niet meer met Bernard naar bed nadat de kinderen waren geboren. Dat vond ik niet goed, want in het huwelijk heb je plichten. Dat heb ik haar ook geschreven. Ik begreep Bernard dan ook wel dat hij vreemd ging.’

Ik was niet geïnteresseerd in de Oranje-roddels.

‘Kunt u voorlezen uit het boek!’

‘Ja, dat is goed. Met een leesbril kan ik gelukkig van dichtbij nog wel iets zien. Hier staat het, ik heb het aangestreept. Herman zegt daarin: “Vooralsnog, maar dit zijn alleen vermoedens, heeft majoor Boshardt iets bij mij op gang gebracht. Zij was de eerste die mij iets zinnigs kon zeggen over wat voor functie God zou kunnen hebben. De aanzet.” En iets verderop: “En in één keer gaf de majoor mij de weg aan. Kletsmajoor.” Dat vond ik voor Herman Brood toch wel mooi. Ik heb het pas gelezen toen hij al dood was. Mijn naam is in dat boek trouwens verkeerd geschreven, Bosshardt is met twee s’en.’

Chabot had dus niet de moeite genomen om haar naam goed te schrijven. Hij durfde zijn kritiek op haar blijkbaar niet openlijk te uiten. Dan maar impliciet in mijn boek verwerken, moet hij hebben gedacht. De schele klootzak.

‘Heeft u met Herman ook over de dood gesproken?’

‘Een paar keer. Ik geloof niet dat hij bang was om te sterven. Hij wist ook dat hij dood zou gaan; hij had nog maar een paar maanden te leven. Hij was al incontinent en daar had hij een reuze hekel aan. Voor een man is dat ook vervelender dan voor een vrouw. Zeker voor een man als Herman Brood die altijd met vrouwen rotzooide. Maar om dan van een hotel te springen! Maar ja, hij was altijd op zoek naar sensatie. Ik weet niet of hij zich op dat moment eenzaam voelde. Hij had buien waarin hij heel eenzaam was, maar soms gaf hij ook nergens wat om.’

De linkerkant schoot op. De vuisten waren nu nagenoeg vrij. Het lukte vrij aardig. Ik zat blijkbaar vol met onontgonnen talenten.

‘Laatst belde iemand mij op met de vraag of ik bij de gemeente wilde pleiten voor een standbeeld van Herman. Ik zeg: iemand die zelfmoord heeft gepleegd, daar hoef ik geen standbeeld voor. Ik zal me nooit verzetten als de gemeente dat in haar hoofd haalt, maar ik zal me er niet sterk voor maken. Hij was een wonderlijke vogel die Herman Brood, maar ik geloof dat God ook hem heeft vergeven. Hij is nu ergens in een soort land van rust en vrede.’

Ik had genoeg gehoord over Brood. Tijd om tot actie over te gaan! Over dus naar onderwerp twee: de bijbel. Ik legde het kruis op tafel en pakte mijn zakbijbel uit de binnenzak van mijn jas.

*

‘Majoor, ik wil nu graag met u praten over de bijbel. Ik lees er regelmatig in, maar ik begrijp er niks van…’

‘Gods woord is niet altijd makkelijk te volgen jongen. Wat het oog niet heeft gezien, het oor niet heeft gehoord en een mens niet kan bedenken, dat heeft God ergens bereid, maar wat het precies is, dat weet ik niet.’

Ze probeerde zich er gemakkelijk vanaf te maken, de kuthoer. Maar niet bij mij! Verantwoordelijkheid zou ze nemen, godverdomme! Ik sloeg de bijbel open op een willekeurige plek…

‘Ik lees even iets voor. Dan kunt u het mij daarna even uitleggen.’

Het zout is wel goed, maar wanneer zelfs het zout zijn kracht verliest, waarmede zal het smakelijk gemaakt worden?

Een culinaire passage. Ik was benieuwd of zij er chocola van kon maken.

‘Ja, jongen, Gods woorden zijn soms ondoorgrondelijk maar hij bedoelt het goed.’

Niet dus.

‘Wat bedoelt hij goed?’

‘God heeft het goed voor met de mensen.’

Heerlijk dat naïeve geloof. Jaloersmakend bijna. Not!

‘U begrijpt dus ook niet wat hier staat?’

‘Ik weet wat hij bedoelt.’

‘En dat is?’

‘Wat ik net al zei. God heeft het goed voor met de mensen.’

Ik raakte geïrriteerd.

‘Een volgende passage dan maar.’

Voorwaar, Ik zeg u, wie tot deze berg zou zeggen, hef u op en werp u in de zee, en in zijn hart niet zou twijfelen, maar geloven, dat hetgeen hij zegt geschiedt, het zal hem geschieden.

Een prachtige volzin. Zeven komma’s. Toe maar.

Majoor Bosshardt keek mij vragend aan. Ze begreep niet waar ik naartoe wilde.

‘Jongen, God heeft het goed voor met de mensen, ook met jou…’

God moet met zijn gore poten van mij afblijven! Er waren al genoeg mensen die hij had geïndoctrineerd met zijn helende handen en zijn kromme nietszeggende zinnen.

‘U weet niet wat al die onzin betekent, maar toch gelooft u het blindelings. Is dat niet een beetje raar?’

‘God heeft mij beloofd dat het goed zal komen. Dat is voor mij voldoende.’

Ja, ja.

‘Goed zal komen waarmee? Met deze achterlijke wereld? Met u, de barmhartige Samaritaan?’

Zij schoof nu ongemakkelijk op haar stoel.

‘Volgens mij bent u gewoon een beetje dom.’

‘Zullen we maar een eind aan dit interview maken?…’

‘Zeker niet! Mijn kunstwerk is nog niet af. En ik wil u nog een paar mooie passages voorlezen!’

Ze wilde opstaan, maar ik drukte haar terug in haar stoel.

‘Ik zei toch dat ik nog niet klaar was!’

De majoor gehoorzaamde gedwee en bleef stil zitten.

Gij hebt nog niet ten bloede toe weerstand geboden in uw worsteling tegen de zonde, en gij hebt de vermaning vergeten, die tot u als tot zonen spreekt: Mijn zoon, acht de tuchtiging des Heren niet gering, en verslap niet, als gij door Hem bestraft wordt, want wie Hij liefheeft, tuchtigt de Here, en Hij kastijdt iedere zoon, die Hij aanneemt.

‘Daar heb je niet van terug hè, vuile kuthoer. Nee, dat gaat je huishoudschoolniveau ver te boven!’
Ik werd steeds kwader. De majoor durfde niks meer te zeggen. Ze zat stil voor zich uit te kijken.

‘Hier, nog een pareltje.’

Geliefden, ik schrijf u geen nieuw gebod, maar een oud gebod, dat gij van den beginnen gehad hebt, dit oude gebod is het woord, dat gij gehoord hebt, toch schrijf ik u een nieuw gebod, want – wat waarheid is in Hem en in u – de duisternis gaat voorbij en het waarachtige licht schijnt reeds.

‘De bijbel is gewoon een raadselboek voor de zwakken van geest! Nieuw? Oud? Nee, toch maar nieuw? Duidelijkheid is in mijn ogen toch wat anders! En hele volksstammen geloven godverdomme in die onzin! Ze begrijpen het weliswaar niet, maar ze gelóven het. Nee, het is niet zo moeilijk om de lijn door te trekken naar Hitler en consorten. Gooi er een mooi sausje overheen en de massa gaat door de knieën! Vooruit, nog een laatste, om het af te leren!’

Ik betuig aan een ieder, die de woorden der profetie van dit boek hoort: Indien iemand hieraan toevoegt, God zal hem toevoegen de plagen, die in dit boek beschreven zijn; en indien iemand afneemt van de woorden van het boek dezer profetie, God zal zijn deel afnemen van het geboomte des levens en van de heilige stad, welke in dit boek beschreven zijn.

‘Hoe zit het met uw geboomte des levens? Is het u al afgenomen?!’

De majoor gaf geen antwoord. Ze leek niet bang te zijn, huilen deed ze ook niet. God had haar immers onder zijn hoede. God had het goed met haar voor. Wat kon er dan gebeuren? Niks godverdomme!
Ik gaf haar een vuistslag tussen haar ogen. Ze schoof uit haar stoel, viel op de grond. Ik boog me over haar heen. Wat een ont-zet-tend dommige blik had ze in haar troebelige ogen. Mijn bijbel stak ik in haar mond. Die had ik niet meer nodig.

Ik ging weer zitten en maakte mijn kunstwerk rustig af. Totdat ook die arrogante kutkop van die jezus bevrijd was uit het hout. Daarna tilde ik haar tweedehands soepjurk op en trok haar onderbroek uit. Ze had godverdomme ook nog een luier om! Ook die verwijderde ik. Met tegenzin. Met grote tegenzin. Een zure lucht verspreidde zich door de kamer.

Ik spreidde haar benen, pakte het houten kruis en stak de treurende christuskop in haar verlebberde kut. Flink diep. Ze begon te bloeden. Ontmaagd op haar negentigste!

Ik zette vervolgens het kruis vast door de laffe armen van de messias door haar schaamlippen te steken. De goddelijke vuisten doorboorden triomfantelijk het droge vlees. Heil, heil de heer!

Ik stond op en bekeek het resultaat. Bevredigend! Ze lag er prachtig bij. Vooral de bebloede vuisten door de ontwaakte lippen kleedden het tafereel mooi af.

‘Daar lig je dan met die mooie beloftes van je god!’

Ik trapte hard tegen de onderkant van het kruis en verliet haar flat.

A.H.J. Dautzenberg (Heerlen, 1967) woont en werkt in Tilburg-Noord. Hij is dichter, schrijver en uitgever.


Reacties gesloten. Reageren? Mail de redactie.

« home