Frontaal
Naakt

29 januari 2011

Een stukje Marokko naar de mensen toe

Hassnae Bouazza


Illustratie: Cali Rezo

De ambtenaar achter het loket kijkt even geërgerd op. “Deze foto kan ik niet toestaan – ik zie oorknopjes.” De vrouw voor me stamelt verbijsterd: “wat maakt dat minuscule oorknopje nou uit?” Met een verveeld handgebaar kijkt de ambtenaar langs haar heen: “Volgende!” Binnensmonds vloekend druipt de vrouw af. Op naar het tegenovergelegen bureau om nogmaals pasfoto’s te laten maken.

Marokko moderniseert en daar hoort een identiteitskaart Westerse Stijl bij: klein en compact als een creditcard en volgens de laatste wensen van de Amerikaanse antiterrorismebrigade: oren zichtbaar op de foto, geen oorbellen en alleen zwarte hoofddoeken.

Aan de manier van werken in de Marokkaanse consulaten is echter niks moderns. Lekker ouderwets, ofwel arrogant, onwillig, inefficiënt en op z’n elfendertigst zetten de Marokkaanse ambtenaren zich aan de duizenden aanvragen. Mensen in Amsterdam moeten al voor acht uur ’s ochtends in de rij staan voor een nummertje. Wie te laat komt en geen nummertje heeft, mag onverrichter zake naar huis. Ruzies en scheldpartijen zijn het gevolg. “Kalm, mensen, kalm.” “IK! BéN! KALM!”

In Rotterdam hebben ze ook een nummertjes-fetisj. Eerst moet je – of je wilt of niet, want de menigte duwt je mee – dringen om een nummertje. Vervolgens moet je in de rij wachten tot je aan een stierlijk verveelde meneer achter het glas je documenten en papieren kunt overhandigen. Mét nummertje, want anders word je niet geholpen.

Dan moet je weer wachten. Beneden zijn er twee aparte wachtruimtes voor mannen en vrouwen. Verstandiger is het echter om op de gang te wachten, want uit de luidspreker in de wachtruimte komt al jaren slechts onontcijferbaar gekraak. Medewerkers roepen de namen van de mensen, die aan de beurt zijn, vanachter hun bureau, want ze zijn niet van hun stoel te schoppen.

Met de eerste fase – nummertje halen en aanvraag indienen – ben je een tijdje zoet. Daarna begint het echte wachten. De wachtkamers zijn koud, kaal en deprimerend. Op de muur hangen verzoeken om het consulaat schoon te houden. Moet het wel eerst schoon zíjn. Het hele gebouw ademt jarenvijftigdepressie uit; de weinige meubels lijken uit een Kringloopcentrum te zijn gehaald.

Mensen doden de tijd met het nuttigen van hun meegenomen versnaperingen. Moeders geven hun baby’s de borst, terwijl hun kleuters krijgertje met elkaar spelen. Ik hoor een vrouw tegen een ambtenaar schreeuwen dat ze nergens heen gaat, dat ze op mogen rotten met hun nummertje. “Ik wacht al sinds negen uur! Wat nou nummertje!” Haar man kijkt zwijgend voor zich uit.

Als je geroepen wordt, moet je eerst beneden een zegel betalen (betaal gepast, want je krijgt je wisselgeld niet terug), dan krijg je het aanvraagformulier en moet je boven wéér langer wachten voor je wéér moet betalen, waarbij je toegeblaft wordt dat je beide handen in de zwarte smeer moet dopen.

Marokkaanse ambtenaren doen niet de minste moeite te verhullen dat ze een hekel hebben aan werken en dat ze jou minachten omdat je hun rust verstoort. Ze kijken je niet aan en verrichten elke handeling met de grootste tegenzin.

In de wachtruimte boven staat een man te bidden. Schuin ertegenover verrichten mannen beurtelings de ablutie te midden van de wachtenden aan de kale wastafel. Een andere man loopt zenuwachtig heen en weer. Steeds weer naar het kantoortje alsof dat zijn beurt versnelt. Het is op dagen als deze dat zinloos geweld ook heel zinvol kan zijn.

Een promotieposter aan de muur stelt ‘Où que nous soyons, le Maroc est en nous‘: ‘Waar we ook zijn, Marokko is altijd bij ons.’ Klopt, maar niet zoals de overheid bedoelt. Ze wakkert het vuur van vaderlandsliefde bepaald niet aan.

Veel mensen worden weggestuurd. Omdat er een letter niet klopt op een van de documenten die ze hebben, of omdat er een accent of geboortedatum verkeerd staat. Jarenlang deden ambtenaren hun werk niet. Als mensen vroegen om gegevens juist te noteren of fouten te corrigeren, kregen ze te horen dat het niks uitmaakte en dat het zo goed was. En nu moeten mensen zelf die fouten herstellen en zien te bewijzen dat hun informatie klopt. Daarvoor moeten huwelijksaktes van hun veertig jaar geleden overleden ouders worden overlegd, of familieboekjes uit het jaar nul worden gepresenteerd. Waar je aan die documenten vandaan moet halen? “Dat is úw probleem, mevrouw”.

Ook in Marokko is het dagelijks raak: ruzies, scheldpartijen en vele rechtbankzittingen. Mensen die er maar niet in slagen zich juist geregistreerd te krijgen en daardoor verstoken blijven van de verplichte ID-kaart. Het doel is dat eind 2011 iedereen een nieuwe kaart heeft. Maar modernisering, dat is als democratisering: je moet er wel eerst klaar voor zijn.

Eerder verschenen in Vrij Nederland. Hassnae Bouazza (حسناء بوعزة) schrijft voor Vrij Nederland, De Volkskrant, NRC Handelsblad, Elle en de Arabische site van de Wereldomroep. In 2009 was ze te bewonderen in Vrouw & Paard, tegenwoordig is ze regelmatig te horen in Vrijdagmiddag Live. Afgelopen kerst won ze bijna De Nationale Wetenschapsquiz. Dat ze nog tijd heeft om in het geheim voorbereidingen te treffen voor de vestiging van het kalifaat in Nederland, mag een wonder heten. Volg haar op Twitter.


Reacties gesloten. Reageren? Mail de redactie.

« home