Yossarian in Madrid
Peter Breedveld

Madrid: Plaza del Sol
Na twee dagen in Madrid begon ik mezelf te vragen wat me in godsnaam bezielde om midden in de zomer vrijwillig twee weken in deze hel door te brengen. Vorig jaar had ik hetzelfde gedaan, dus ik wíst dat de hitte moordend is, dat de zon er niet schijnt maar brandt, dat het er veel te druk is en vooral lawaaiig. Vierentwintig uur per dag wordt er in Madrid geschreeuwd, getoeterd, geheid, gezaagd, geboord en klinkt het voortdurende geloei van gebrekkig functionerende airconditioners.
(Die airconditioners; nadat ik de film War of the Worlds had gezien – de bioscoop Multicines Ideal is in Madrid één van de weinige plekken waar het heerlijk koel is – zag ik, steeds als er weer een airconditioner begon te loeien, in gedachten de gigantische driepoten van de Marsiaanse agressors opdoemen boven de megalomane skyline van Madrid, om de bevolking tot wit stof te verpulveren.)
Maar vorig jaar zat ik in een appartement net buiten het stadscentrum, in een rustige wijk. Daar kon ik slapen en me wapenen tegen een nieuwe dag van vluchten van schaduw naar schaduw en me een weg wurmen door de mensenmassa. Nu woonde ik in een smoezelig zijstraatje van de Gran Via, midden in het centrum, en deelde ik een appartement met onder andere een paar Poolse zombies, die vooral ’s nachts actief werden.

Madrid: Gran Via
Als ik in de twee weken een paar uur heb geslapen is het veel. Soms lukte het me om ondanks de hitte en het lawaai even in te dommelen, maar ik schrok dan al gauw weer wakker omdat de Poolse zombies het nodig vonden met de deuren te slaan, of om als een peloton Duitse soldaten door de gang te marcheren. Na een paar dagen was ik op. Ik kon niet meer samenhangend denken, ik genoot niet meer van de waanzinnige, overdonderende, architectuur van Madrid, niet meer van de Goyas in het fantastische museum El Prado. Ik kreeg last van depressies. Ik keek naar de waanzin in de ogen van Saturnus, die bezig is zijn eigen zoon te verslinden en ik dacht: “Ik weet precíes hoe jij je voelt, jongen”.

Francisco Goya: Saturnus die zijn zoon verslindt
Ik probeerde met goed fatsoen de dagen door te komen. Die begonnen steeds met vier uur Spaanse les, waarvoor ik me had ingeschreven. De les was in een veel te klein lokaaltje met een kapotte airconditioning. Het bericht over de aanslagen in Londen werd bekendgemaakt, mijn medestudenten begonnen te bazelen over Irak, dat onder de Amerikanen niet beter af zou zijn dan onder Saddam Hoessein. Een Italiaanse student klaagde dat Italië een dictatuur was. Voor zover ik weet, is Berlusconi in democratische verkiezingen gekozen door een meerderheid van de Italiaanse bevolking, zei ik. En iedereen wist wie Berlusconi was en wat-ie van plan was. Hij keek me vermoeid hoofdschuddend aan. Ik begreep er helemaal niets van.
Ik vluchtte naar Salamanca, tweeënhalf uur busreizen van Madrid vandaan. Het was een oase: vijfendertig graden en dat voelde heerlijk koel. De lucht rook er fris, het was er druk, maar normaal druk. Ik heb er heerlijk geslapen in een hotelbed. Salamanca is erg toeristisch, maar dat is niet voor niks. Alles is er sprookjesachtig mooi, van de goudkleurige Plaza Mayor tot de oude en de nieuwe kathedraal. Het historische centrum is autovrij en het enige lawaai dat je hoort is het blij-makende geklepper van ooievaarssnavels. Het barst van de ooievaars in Salamanca. Ik heb geprobeerd erachter te komen waarom zich een beeldje van een astronaut aan de gevel van de zestiende-eeuwse kathedraal bevindt, maar daarop wist niemand, die ik het vroeg, het antwoord. Ik lijk de enige te zijn die dat maar vreemd vindt.

Salamanca, gezien vanaf de Romeinse brug

Astronaut aan de gevel van de Catedrale Nueva
Tijdens mijn reizen naar Spanje neem ik altijd twee boeken mee: De omweg naar Santiago van Cees Nooteboom en Spanje; een reisgids, van Rik Zaal. Ik kan niet zonder deze boeken, ik beschouw ze als innige vrienden. De ene vriend, het boek van Nooteboom, is een wat pedante romanticus, die zich dikwijls al te makkelijk laat meeslepen en nogal gewichtig doet. De klok zaagt stukjes van de tijd, zegt hij bijvoorbeeld. Kun je niet normáál praten? zeg ik dan grinnikend. Maar Nooteboom weet enorm veel en me helpt te kijken op manieren die ik zelf nog niet had bedacht. Ook moet ik bekennen dat zijn romanticisme op mij nogal aanstekelijk werkt.
De andere vriend is een spotzieke levensgenieter die Spanje kent als zijn broekzak. Dankzij Rik Zaal heb ik in Salamanca een verborgen juweeltje gezien dat in geen enkele andere Spanjegids staat vermeld: het klooster van Santa Clara. Bijna niemand kent het en de aanwijzingen van Zaal zijn nogal onnauwkeurig. Volgens hem bevindt het klooster zich aan de Gran Via, maar in werkelijkheid bevindt het zich in een zijstraat van een zijstraat van een zijstraat van de Gran Via. Na tien keer de weg vragen trof ik een groepje oude mannen die het kenden. Als je er bent, loop je er nog drie keer langsheen want de buitenkant is onopvallend en lelijk en nog bespoten met lelijke graffiti ook.
Het is het soort bezienswaardigheid waar Nooteboom zo van houdt: het lijkt potdicht te zijn en na wat aan de deur te hebben gemorreld liep ik teleurgesteld weer weg (ik heb er een dik uur naar gezocht). Toen werd ik teruggeroepen door een vriendelijk oud nonnetje met afgetrapte pantoffels aan. Ze begeleidde me door het klooster, waar ik me vooral heb vergaapt aan de prachtige dertiende-eeuwse fresco’s, die tot 1976 verborgen zijn geweest achter een dikke laag kalk, en aan het oorspronkelijke dertiende-eeuwse plafond van de kerk van het klooster, waar de balken zijn versierd met prachtige primitieve tekeningen van emblemen, kastelen en fabeldieren.

Convento de Santa Clara: fresco
Ik ben gek op het Romaanse primitivisme. Het is zo geheimzinnig, zo sprookjesachtig, er spreekt zo’n verwondering uit voor de wereld. En hoewel ik – zoals tegenwoordig ieder weldenkend mens eigenlijk een hekel aan het woord heb: het is zo spiritueel. In Romaanse kunst staat ook niet de kruisiging van Jezus centraal, maar vooral zijn doop en zijn boodschap van licht en liefde. Dat maakt het Romaanse katholicisme een stuk beter te verteren dan de morbide, perverse, sadistische necrofilie die het katholicisme sinds de late Middeleeuwen kenmerkt.
Terug in Madrid kon ik er weer helemaal tegen. Begrijp me niet verkeerd: Madrid is een geweldige stad. Ten eerste is er de architectuur, een overdonderende eclectische mix van neoclassicisme, Spaanse barok, Jugendstil en modernisme, alles door elkaar, het ene gebouw nog groter en megalomaner dan het andere. Het postkantoor is gevestigd in een protserig paleis dat minstens drie keer zo groot is als dat van onze koningin en de gigantische ruiter op het dak van één of ander gebouw aan de Calle de Alcala wekt de indruk of-ie op het punt staat zich met paard en wagen in het verkeer beneden zich te storten. Op de Calle Sevilla loop je onder een batterij stoïcijnse olifantenhoofden door, die worden afgewisseld met gietijzeren sneeuwklokken of iets dergelijks. Het is net het decor van Little Nemo in Slumberland
.

Madrid, Palacio de Communicaciones
Met twee medestudentes, een Oostenrijkse en een Duitse (die me aan zich verplichtten door me een jaar of vijfentwintig oud te schatten) heb ik de Reina Sofia herbezocht, waar ik heel erg lang naar Picasso’s Guernica heb staan kijken. Damn, wat hangen daar veel Spaanse schilders die in het buitenland veel bekender zouden moeten zijn. José Solana, bijvoorbeeld, en Antonio López García. En ik heb voor het eerst het Thyssenmuseum bezocht waar ik bijna bezweek aan een overdosis kunst.

José Gutiérrez Solana: La Tertulia del Café de Pombo
In mijn appartement woonde ook een Nederlandse Irakees, een Koerd, die stage liep aan een Madrileens kankerinstituut. Hij wond zich vreselijk op over de Bush-is-niet-beter-dan-Saddam-retoriek van mijn medestudenten. Ze hebben geen idee waar ze over praten! schreeuwde hij. We lagen in het gras in een plantsoen in de buurt van het spuuglelijke koninklijke paleis, dronken een biertje en keken naar de meisjes. De vrouwen in Madrid brengen me het hoofd op hol, vertrouwde hij me toe. Ze lopen hier bijna halfnaakt en met hun billen te draaien, ik kan er niet van concenteren. Hij heeft gelijk. Veel Madrileense mannen zie je zelfs bij temperaturen van rond de 45 graden nog keurig in het pak lopen, de vrouwen zijn minder masochistisch. De Italiaanse medestudent – best een aardige jongen, maar veel te serieus – sprak er schande van. In Italië lopen de vrouwen er zo niet bij, zei hij. Wat waar is.
Maar Madrid is vooral ook het paradijs voor de billenman. Haar billen, en niet haar borsten, daar vestigt de Madrileense vrouw de aandacht op. Ze wiegt met haar achterwerk tot ze je onder een soort hypnotische controle heeft en voor je het weet loop je ook te zweten in de Madrileense hitte in je driedelige pak, om de hypotheek en de opleiding voor je kinderen te kunnen betalen.
De laatste drie dagen heb ik me niet meer gemeld op de Spaanse school. Het was er in de benauwde lokaaltjes niet uit te houden en Spaans leer je toch vooral op straat. Ik heb door de stad gezworven, Spaanse kazen en vleeswaren voor thuis gekocht, en ik heb het nabijgelegen dorp Chinchon bezocht, waar ik me met een vijftigjarige Peruaanse advocaat heb zitten vervelen tijdens de siësta. Dat was retegezellig (hij schatte me dertig)!

Chinchon: Plaza Mayor
Met alle Zuid-Amerikanen die ik heb ontmoet heb ik het sowieso altijd naar mijn zin gehad. Vorig jaar heb ik me door een groepje Mexicanen wegwijs laten maken in het bruisende Madrileense nachtleven, met als hoogtepunt een soort openluchtclub achter het Atochastation. Ik kwam trouwens ook nog een Braziliaanse vriendin tegen, in Madrid, in een internetcafé. Is dat ongelofelijk of wat?
Samen met mijn nieuwe Koerdische vriend ben ik weer teruggevlogen naar Nederland. In de luchthaven van Madrid werd ik meteen alweer herinnerd aan de spreekwoordelijke hoffelijkheid van mijn landgenoten, toen het handvat van mijn koffer brak, ik daardoor onbedoeld- de weg versperde voor de mensen die achter me liepen. In authentiek Rotterdams werd me meteen de huid volgescholden. Ik sloot me aan bij de rij voor de incheckbalie, keek naar de ontevreden koppen, de blikken waaruit een onmiskenbaar Heb Godverdomme het gore lef niet’ sprak.
Ik voelde me alweer helemaal thuis.

Madrid: valsheid in geschrifte





RSS