Frontaal
Naakt
2 januari 2006

Religie en moraal

Jona Lendering

Lig (117k image)

Zoals iedereen heb ik drie soorten meningen: tientallen voor consumptie aan de borreltafel, een handvol politieke en een paar echte. In de eerste categorie vallen de stelling dat de Nobelprijs voor de letteren door elke zelfrespecterende auteur moet worden geweigerd tot ‘ie is toegekend aan Bob Dylan, dat dikke mensen gezelliger zijn dan sportieve types, en dat “natuur” geen argument is om de Betuwespoorlijn niet aan te leggen, aangezien er na de dijkverzwaring van de late jaren negentig toch geen natuur meer is. Zoals ik al zei: dit is voor de borreltafel. Voor een grappiger mening geef ik de mijne graag op.

Aan andere oordelen houd ik langer vast. Als het om politiek gaat ben ik, om eens iets te noemen, een voorstander van het redden van onze planeet. Daarom ben ik voor elke maatregel die het produceren van afval en baby’s ontmoedigt. Die mening geef ik niet zo makkelijk op, maar het is niet onmogelijk. Misschien duurt het een dag voor ik toegeef, maar als iemand met argumenten komt, akkoord.

En ik heb ook een paar echt serieuze opvattingen, die ik voor geen argument ter wereld zal opgeven, omdat logica er irrelevant bij is. Ik heb het dan over religie, het onberedeneerbare gevoel dat elke wijsheid en logica van deze wereld tekortschiet. Sommige mensen zijn linkshandig, anderen zijn homoseksueel, weer anderen hebben een religieus zintuig. Hoe dat zo komt weet ik niet, het maakt ze niet tot betere of slechtere mensen, het ís er gewoon, en het is –in elk geval voor mij– belangrijk.

Omdat de logica dezer wereld voor een religieus iemand uiteindelijk tekortschiet, is een rationele discussie over godsdienst zinloos. Dat ik er nu toch over schrijf, is omdat minister Donner op zaterdag 17 december in toespraak in de Amsterdamse Hofkerk heeft beweerd dat religie nuttig is. “Religie,” zo houdt de bewindsman ons voor, “waarborgt de voortdurende ontwikkeling van normen en waarden.” En omdat hij onverdraagzaamheid wil voorkomen, meent hij dat het vak verplicht zou moeten worden onderwezen.

Ware ik een seculier mens, ik voelde mij beledigd. Donner impliceert –en hij schijnt het nog te menen ook– dat niet-religieuze mensen minder goed in staat zouden zijn tot duurzaam samenleven. Deze onbeschoftheid wordt geëvenaard door de kortzichtigheid waarmee hij over religie spreekt. Door te suggereren dat godsdienst nuttig zou zijn, reduceert hij haar tot iets van deze wereld. Dat is het nu net niet.

Een van de belangrijkste aspecten van een godsdienst is de ervaring die de gelovige heeft van dat wat ik hier gemakshalve zal aanduiden als het goddelijke. Deze ervaring is lastig in woorden is te vangen. Geloofsvirtuozen van alle gezindten kunnen er alleen over spreken door middel van metaforen (“het hemelse koninkrijk is als een mosterdzaad” bevat er alleen al drie), oxymorons (“hebt uw vijanden lief”) en ontkenningen (“religie begint waar het denken ophoudt”). Anders gezegd, de religieuze ervaring sluit slecht aan bij de menselijke logica. Net als intuïtie en liefde overigens.

Omdat deze ervaring zo persoonlijk is, is de kern van religie in feite anti-sociaal en daarom vallen er geen normen en waarden aan te ontlenen. Zo bezien is er weinig verschil tussen de gelovige die verder kijkt dan de uiterlijke vormen en de atheïst. Die zegt “er is niets dan deze wereld”, de ander zegt “er is wel iets, maar het is incommensurabel met onze wereld”, en geen van tweeën arriveert op religieus-gefundeerde normen en waarden.

Veel religieuze oriëntaties hebben dan ook geen verband met moraal. In het oude Griekenland draaide ’t om het offer en was de ethiek in hoofdlijnen een seculiere. De mystici van alle grote religies concentreren zich op de individuele godservaring en proberen deze wereld, met de daarin voorkomende normen en waarden, achter zich te laten.

Grosso modo kan worden gezegd dat het verband tussen religie en moraal alleen voorkomt waar heilige boeken bestaan met voorschriften voor godsdienstig correct handelen (vrijwel altijd cultische reinheid bij het offer). In zulke religies ontstaat een behoefte aan orthodoxie. Het zoroastrisme en jodendom zijn daarmee begonnen en het christendom en de islam zijn later dezelfde weg opgegaan.

Toen het idee eenmaal had postgevat dat er zoiets bestond als orthodoxie, werd het bereik van de religieus getinte voorschriften verbreed naar terreinen die daar aanvankelijk buiten vielen. De normen en waarden van een samenleving werden dan gentegreerd in de religie. Die behoefte aan orthodoxie en regels is historisch en sociologisch interessant, maar heeft noch met de eigenlijke religieuze ervaring noch met de beginfase van de boekengodsdiensten veel van doen.

Om op Donner terug te komen: hij maakt een aantal redenatiefouten. In de eerste plaats verwart hij, door religie tot moraal te reduceren, hoofd- en bijzaken. Als gelovige voel ik me tot op het bot gekrenkt: religie gaat over iets wat onuitsprekelijk veel belangrijker is dan normen en waarden. Verder: de minister meet religie aan iets wat toevallig bij het christendom voorkomt, maar op zich niets met religie als zodanig van doen heeft. In feite is zijn opmerking daarmee grievend voor iedereen die de ontwikkelingsgang van een boekgelovige niet heeft doorgemaakt. En in de derde plaats keert hij oorzaak en gevolg om. Religie waarborgt geen normen en waarden, maar is soms een uiting van wat maatschappelijk gewenst is.

Anders gezegd: als Donner wil spreken over normen en waarden, graag, maar laat hij dat doen in de lessen maatschappijleer.

Jona Lendering is oudhistoricus en publiceerde onder meer Alexander de Grote. De Ondergang van het Perzische Rijk (2004).

Jona Lendering