De assimilatie van Edith Stein en Heinrich Heine
René Süss

Illustratie: Bernard Villemot
De katholieke bekeerling Edith Stein was de eerste vrouw die haar doctoraal in de filosofie haalde en wel bij de beroemdste filosoof in haar dagen, Husserl. Edith Stein, geboren op 12 oktober (Jom Kippoer!) 1891 en vermoord in Auschwitz op 9 augustus 1942, moest daarvoor wel een paar drempels over:
‘Her academic career had fallen flat; no university would accept her habilitation, simply because she was a woman‘ (E.L. Silverman, Edith Stein and Regina Jonas, 2013, p. 35v.).
Bedenken we dat in centraal Europa vrouwen tot 1908 niet werden toegelaten tot universitaire studies. Pas in 1921 had het Pruisische ministerie een verklaring uitgegeven ‘that a person’s gender should not be a barrier for habilitation‘.
Dubbele handicap
‘Should not‘, maar wat was de praktijk? Bovendien was ze ook nog eens Joods! Een dubbele handicap! De Luthers geconverteerde, Joodse Edmund Husserl, haar promotor, hielp haar niet bij haar beoogde en begeerde academische carrière, terwijl het stellig haar ambitie was om de eerste vrouwelijke hoogleraar filosofie in Duitsland te worden. Tant pis!
Zij deelde overigens het warme patriottisme van vele Duitse Joden door in de jaren 1914-1918 in training te gaan voor verpleegster.
Die niet zelden warme, vaderlandse gevoelens golden ook voor de reeds genoemde Duits-Joodse dichter Heinrich Heine, de ‘Hebräische Witzling‘, zoals de antisemitische, traditionalistische dichter August von Platen hem noemde. Met hem meenden velen dat de doop hen toegang zou verschaffen tot de Duitse cultuur, dat die de besnijdenis ongedaan zou maken en dat ze met open armen zouden worden ontvangen – Heine werd in februari 1798 in zijn geboorteplaats Düsseldorf besneden – en dat de dagen van het antisemitisme als een geborneerde mening -‘kaum mehr vorstellbar‘-geteld zouden zijn.
Joodse huid
Dat viel tegen. De Joodse huid, ‘die aus Palästina stammt‘, liet zich niet afstropen. En Heine wist dat, ook toen hij eens laconiek constateerde dat Joden nimmer tot de jagers maar altijd tot de gejaagden behoorden. Niet zonder ironie schreef hij dat hij een ‘weitschallende Stimme‘ had – hij voelde zich duidelijk geen ‘sonnettierende Almanachspoet‘- en dat hij nu zeer beslist ‘eine extraordinaire Professur in der Universitas hoher Geister‘ zou verkrijgen.
Dat het daar bij zou blijven, werd hem duidelijk toen ook de pogingen om hem, na Berlijn, in Düsseldorf en in München te ‘habilitieren‘ schipbreuk hadden geleden. Het heeft hem niettemin diep geraakt om als vreemde in eigen land te worden behandeld, op zijn best als een ‘Schutzjude‘, immers:
‘Er empfand sich eigentlich nie als Jude, sondern als ein Deutscher, dessen Vorfahren einmal Juden gewesen waren ( Hosfeld, p, 7).
Zijn werk werd door de bekende en gerenommeerde, antisemitische historicus Heinrich von Treitschke (1834-1896) aldus ‘geprezen’: ‘Geistreich, aber ohne Tiefe‘. Hoe dat kwam? Het lag aan het ‘jüdische Verstand des Orientalen Heine, dem aus gleichen Gründen die massive Kraft der Arier zur künstlerischen Komposition grossen Stils völlig fehle.‘ En zo verder en zo voort.
Beruchte antisemiet
Heine studeerde in Berlijn aan de Friedrich-Wilhelms Universität en vervolgens in Bonn waar hij kennis maakte met de beruchte antisemiet Ernst Moritz Arndt (1769-1860), dichter van de Duitse Nationalhymne ‘Der Gott der Eisen wachsen liess‘, die er hoogleraar was.
In Berlijn zal hij zich ongetwijfeld hebben gemengd in de polemiek die Jakob Friedrich Fries (1773-1843) – een van de sprekers tijdens het eerste Wartburgfest op 18 oktober 1817 – ontketende. Hij wekte er nogal wat beroering met zijn geschrift ‘Über die Gefährdung des Wohlstandes und Charakters der Deutschen durch die Juden‘, waarin hij hun uitroeiing had geëist.
Of Heine zich met de meerderheid van de geasssimileerde Berlijnse Joden ook geërgerd heeft aan de uit Oost-Europa toegestroomde sjofele Joden uit het Scheunenviertel, is niet bekend, maar het lijkt onwaarschijnlijk. Hij had het niet zo op zijn ‘verlichte’ landgenoten. Schreef hij niet in zijn Harzreise uit 1824, die zijn roem als prozaschrijver zou bevestigen :
‘Alle Menschen , gleichgeboren,
Sind ein adliges Geschlecht.’
Dansen op een vulkaan
Daar bleek in zijn dagen helaas weinig van. In zijn Börne-Denkschrift uit 1840 constateerde Heine dat het volk weliswaar bloedde en leed, echter niet ten eigen bate, maar voor anderen:
‘Im Juli 1830 erfocht es den Sieg für jene Bourgeoisie, die eben so wenig taugt wie jene Noblesse, an deren Stelle sie trat, mit demselben Egoismus. Das Volk hat nichts gewonnen durch seinen Sieg, als Reue und grössere Not.
Brood, ‘le droit divin de l’homme‘, was er niet op de plank gekomen, laat staan ‘Zuckererbsen für jedermann‘ waarvoor Heine in zijn Deutschland. Ein Wintermärchen (1844) had gepleit. Daarvoor had men de burgerkoning Louis Philippe van Orléans dan ook niet op de troon gezet.
De toestand van het gewone volk, schreef Heine, was zo troosteloos, dat een geringe aanleiding voldoende was om een dreigende ‘emeute‘ te laten plaatsvinden. ‘Parijs is stil’, noteert hij eind februari 1840. ‘En er bestaat niets stillers dan een geladen kanon. (…) Een communistische propandagolf overstroomt sinds kort heel Frankrijk…’ Het is met andere woorden dansen op een vulkaan.
Demonische noodzaak
Het is duidelijk dat Heine deze tekenen der tijden verstond en ze als historische noodzakelijkheid zeer serieus nam. Nog in 1854 hield hij Karl Marx (1818-1883) voor de ‘entschiedenste‘ en ‘geistreichste‘ van zijn landgenoten. In zijn Parijse tijd bezocht hij hem bijna dagelijks op het adres Rue Vaneau 38 waar deze met zijn vrouw Jenny woonde.
In een artikel voor de Allgemeine Zeitung, dat geweigerd werd, schreef hij dat de enige partij in Frankrijk die serieuze aandacht verdient, die van de communisten is, gedreven door een demonische noodzaak. Hij volgde, naar hij zegt, de onwikkelingen in Parijs als ‘als in een laboratorium’. Zijn ‘liefde’ voor de communisten werd trouwens hoofdzakelijk ingegeven door zijn haat jegens de nationalisten.
In zijn Geständnissen (1853) is hij zeer kritisch en vreesde hij dat ‘onze moderne beschaving, de moeizame verworvenheden van vele eeuwen door de overwinning van het communisme ernstig werd bedreigd’, kortom hij vreesde een ‘Neuauflage von Zuständen terroristischer Anarchie wie zu Zeiten der Jakobinerherrschaft‘. Blijkt hieruit niet dat Heine’s instelling in feite eerder reactionair dan progressief was?
Niettemin vraagt hij zich af of de opstand van de zijdewevers in Lyon in 1831 een voorteken zou kunnen worden van een dramatische, positieve wending van de sociale verhoudingen. Zouden de idealen van de Franse revolutie alsnog in vervulling gaan, maar dan voor iedereen? Heine verlangt ernaar. ‘De aarde is naar zijn oordeel groot genoeg om iedereen te voeden en het is toch niet nodig de armere klasse naar de hemel te verwijzen’, schrijft hij in de Romantische Schule (1836).
Van religie veranderen
Op 20 juli 1825 promoveerde hij in Göttingen tot doctor in de rechten, nadat hij zich op 28 juni van dat jaar protestants had laten dopen op de naam Christian Johann Heinrich, hoewel hij het eigenlijk verraad vond, maar: ‘Der Taufzettel ist das Entreébillet zur Europäischen Kultur‘. Onder normale omstandigheden zou niets een academische carrière in de weg hebben gestaan, maar de omstandigheden waren niet normaal.
Op 4 december 1822 bepaalde een ‘Kabinetsorder‘ dat Joden die weigerden van religie te veranderen – lees: geen christenen wensten te worden – geen staatsambt mochten bekleden en de toegang tot academische functies versperd bleef. Dit volledig in strijd met het uitdrukkelijke emancipatie-edict van 1812, dat Heine verstond als een pleidooi voor de ‘Emanzipation der ganzen Welt‘.
Of ze zijn gedichten prezen of verachten, deerde hem niet, ‘Aber ein Schwert sollt Ihr mir auf den Sarg legen; denn ich war ein treuer Soldat im Befreiungskrieg der Menschheit‘, schreef hij in de Reisebilder (R. Hosfeld, p. 202).
Met Göttingen onderhield Heine levenslang een haat/liefde verhouding. Hem stoorden de ‘altkluge Langeweile‘ en de ‘tote Gelehrsamkeit‘ daar (R. Hosfeld, p.146). In het derde deel van zijn reeds genoemde Harzreise uit 1824 lezen we – typisch Heine – helemaal aan het begin:
‘Die Stadt selbst ist sehr schön und gefällt einem am besten wenn man sie mit dem Rücken anschaut‘.
Dreigende censuur
Vooral de censuur die zijn werk, partieel en in zijn totaliteit, in Duitsland regelmatig trof, heeft hem – en uiteraard zijn uitgevers – zeer dwars gezeten. De Hamburgse Julius Campe, met name, voelde zich genoodzaakt Heine’s teksten regelmatig bij de ‘Vorzensur‘ te laten toetsen en soms, nadat ze al gedrukt waren, weer ‘einzustampfen‘. Op 11 december 1835 werd over al het werk van Heine in ‘Nachzensur‘ de ban uitgesproken (R. Hosfeld, p.308).
Die steeds weer dreigende censuur bedierf praktisch elk bezoek dat hij aan zijn vaderland bracht. Die bezoeken werden trouwens spoedig onmogelijk omdat de autoriteiten – de Pruisische ‘polizeilicher Gesinnungsstaat‘ – een ‘Haftbefehl‘ tegen Marx en Heine hadden uitgevaardigd wanneer dezen de grens zouden willen overschrijden.
De ‘Vorrede‘ bij zijn Französische Zustände uit 1833, de radicaalste tekst die Heine ooit schreef (G.Höhn), is een publiekelijk J’accuse aan het adres van de Duitse Bond en Pruisen omdat men het plechtig aanvaarde maatschappelijke verdrag in de zomer van 1832 ‘heimtückisch‘ had verraden.
Heine’s woede is afleesbaar aan het 12e hoofdstuk van Ideen. Das Buch Le-Grand (1827); het bestaat uit slechts vier woorden en vele, vele streepjes:
‘Die deutschen Zensoren – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – –
– – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – –
– – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – –
– – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – Dummköpfe – – –
– – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – –
– – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – –
– – – – – – – – ‘
Hoe de heren hier over dachten, valt niet moeilijk te raden.
Opium van het volk
Maarten Luther genoot – wie zal het verbazen – de grote sympathie van Heine die hem zag als voorvechter van de ‘grote dochters van de Reformatie, vrijheid en revolutie’. In de ‘Geschichte und Philosophie in Deutschland‘ (1835) belichtte hij uitvoerig de betekenis van de Reformatie en de persoon van Luther.
Dat wil niet zeggen dat hij het christendom, deze ‘ansteckende Krankheit‘ met zijn knechting van de zinnelijkheid nog een lange toekomst beschoren zag, evenmin als het Jodendom trouwens dat voor hem een ‘altägyptisch‘, dat wil zeggen een ongezond geloof was. In zijn ‘Ludwig Börne. Eine Denkschrift‘ uit 1840 noemde hij de religie opium van het volk – Marx nam die uitdrukking van hem over! – en meende dat het tijd was om ‘die Aufgabe der Geschichte, nachdem das Jenseits der Wahrheit verschwunden ist, die Wahrheit des Diesseits zu etablieren.‘ Immers, ‘eine jüdische Wahrheit gibt es so wenig wie eine christliche‘ En voegt hij er aan toe: ‘Die Geschichte beider Kulturen ist von Gewaltspuren gezeichnet‘. Het valt niet te ontkennen.
Tenslotte, een aantal jaren geleden ontstond er nog een heuse discussie over de vraag of het wel terecht was om de universiteit van Düsseldorf naar de ‘onvaderlandse’ Heinrich Heine te noemen. Wie dat na al die jaren nog voor elkaar kan krijgen, is werkelijk groot!
Heinrich Heine stierf op 17 februari 1856. Zijn teraardebestellling vond op 20 februari plaats op het kerkhof van Montmartre in aanwezigheid van circa honderd belangstellenden: ‘Die Trauergemeinde war überschaubar‘ (R. Hosfeld). Mathilde bleef weduwe en stierf 27 jaar later op 17 febuari 1883. Zij werd aan zijn zijde bijgezet. Op de grafsteen staat, als ik het me goed herinner, slechts te lezen: ‘Frau Heine‘.
Praktiserend joods
Opmerkelijk is dat Edith Stein, ondanks haar wetenschappelijk-akribische instelling – de laatste woorden van haar dissertatie uit 1917 luiden: ‘It is not clear‘! – nimmer de moeite nam het Jodendom van binnenuit te leren kennen; ze had daar zeker de gelegenheid toe. Tijdens haar studiejaren ontmoette ze bij voorbeeld een groot aantal medestudenten die praktiserend joods waren. Echter ongerefecteerd, lijkt het, nam ze de christelijke en seculiere stereotypen betreffende het Jodendom over.
Silverman: ‘…she made her decision to convert from a chosen ignorance‘ (p.18). Had ze, om te beginnen, niet kunnen weten dat ‘Judaism does not have a theological concept of someone dying for others’ sins’? (Silverman, p. 138).
Die bewuste onkunde gold ook voor haar beroemde voorgangster, de katholieke mystica Teresa van Avila (1515-1582), in 1614 zalig en in 1622 heilig verklaard, die zich nimmer verdiepte in haar marraans-joodse achtergrond.
De suggestie, vooral binnnen haar familiekring gedaan, dat Edith Stein nooit tot het katholicisme zou zijn overgegaan als ze over meer kennis van het Jodendom zou hebben beschikt, lijkt mij nogal speculatief. Ze sloot zich bewust af voor die kennis (Silverman, p. 55v.).
De vergelijking tussen de bijbelse koningin Esher en Edith Stein (Silverman, p. 62-82) lijkt mij mank te gaan. Was het ooit het hoofdmotief van Steins bekering tot het katholicisme geweest, om door een contemplatieve non te worden, haar volk te redden? En mocht dit al het geval zijn geweest dan berustte haar houding op het tragische en fundamentele misverstand dat bekering het volk voor de ondergang zou hebben bewaard.
Verraad van haar volk
De nazis immers waren racisten en beperkten zich in hun beoordeling tot het tellen van het aantal joodse grootmoeders: ‘…they – de Joden, RS – were essentialized by the Nazis in order to oppres them‘ en om hen te kunnen doden. Dat de theorie verrre van waterdicht was, bleek uit de noodzaak de Joden te voorzien van een gele ster: ‘Indeed, the blood of Jews is not a different color and Jewishness in not an essence located in biology (Silverman, p. 76).
Steins familie hekelde de bekering van Edith als verraad van haar volk in een uiterst bedreigend tijdsgewricht. Haar identificatie met Jezus, een Jood, verhulde dat deze Jezus slechts kenbaar was en is als de Jezus Christus van de kerk.
Edith Stein beschouwde zichzelf als ‘belonging‘ (Silverman) tot het joodse volk. Een misverstand. Die status was ze verloren door niet meer te kiezen voor dit, haar volk, met alle implicaties van dien. Haar subjectieve ‘belonging‘ dekte zich niet met de objectieve, intrinsieke joodse identiteit. Zij was om met Jean Amery te spreken een ‘katastrofe-Jodin’: solidariteit onder bedreigingen verbond haar met haar joodse tijdgenoten. Ze leerde ondermeer dat het lijden aan het kruis verlossing zou brengen, hetgeen diametraal in strijd is met het joodse zelfverstaan en het Jodendom als zodanig.
Heiligverklaring
Door zich zelf reeds in 1930 te zien als offer, nota bene als een ‘holocaustum‘, ter verzoening voor het ‘ongeloof’ van het joodse volk, compromitteerde zij het geloof van dit volk fundamenteel. Sterker: ‘It was His Cross that was now being laid upon the Jewish people‘ (Silverman, p. 65). De unieke, niet herhaalbare en afdoende verzoeningsdaad – en dood van Christus aan het kruis wordt hier in feite door in diskrediet gebracht. De redding van het joodse volk waarvoor Stein zich wilde inzetten, heeft bij haar in feite een dubbele bodem: echt gered zou het pas zijn ‘in Christus’, dat wil zeggen na bekeerd te zijn (Silverman,p. 132):
‘If she atoned for the Jews and the Jews accepted their Lord, then He would come and end their suffering and bring world peace‘ (Silverman, p. 135).
Nota bene: alleen al uit respect voor het Jodendom waaruit zij voortkwam zouden de kerkelijke autoriteiten ervan hebben moeten weerhouden haar de status van zalige en vervolgens van heilige te verlenen. Het Jodendom (er)kent geen zaligen en heiligen.
René Süss schreef hij onder andere Luthers Theologisch Testament, zijn proefschrift over het virulente antisemitisme van Maarten Luther. Hij maakte er een paar vijanden mee. Ook schreef hij De Geest Bemint de Buitenkant, over de lichamelijkheid in het jodendom en Luther, een Sympathieke Potentaat. Zijn laatste boek heet Sjabbat Sjalom, een verzameling ‘droosjes’, korte toelichtingen bij Tora-teksten.





RSS