Het Joodse Lichaam
Peter Breedveld

Illustratie: Willy Pogany
“Gesublimeerde erotiek”, noemt theoloog René Süss, verbonden aan de Amsterdamse Sjoel West, de dienst in een synagoge. “De Tora is de bruid die vanachter een gordijn uit een kast wordt gehaald. Dan wordt ze rondgedragen en gekust als onze geliefde en op de verhoogde voorleesplek (bima) gelegd. Vervolgens worden er zeven mannen opgeroepen die om beurten een beracha zeggen, een zegebede voordat hun stuk gelezen wordt door de baäl koré, de voorlezer. Na iedere voorleessessie wordt de Tora dichtgerold en bedekt met een kleed, en speciaal voor de voorlezer wordt ze opnieuw ontkleed. Want dat is het eigenlijk als je een passage uit de Tora voorleest, dan mag je met haar cohabiteren.” En hierbij staat Süss’ blik even op oneindig, alsof hij het hele rituele liefdesspel voor zich ziet.
Unieke godsdienst
Het lichaam staat centraal in het Jodendom, met vele rituelen van de besnijdenis van jongetjes tot de rituele wassing van een overledene. Volgens Süss maakt die lichamelijkheid het judaïsme tot een unieke godsdienst. Hij schreef er een boek over: De Geest bemint de buitenkant.
“Het idee voor mijn boek kreeg ik twee jaar geleden,” vertelt Süss, “toen ik een gecombineerde prostaat-niersteenoperatie moest ondergaan.” Dat ging hem niet in de koude kleren zitten. “Een directe inbreuk op mijn intimiteit”, noemt hij het. “De idee dat een chirurg niet alleen mijn naaktheid zag, maar zelfs wat daaronder zit, dat een chirurg dingen in mijn lichaam ziet die ik zelf nooit zal zien, zette me aan het denken over mijn lichamelijkheid, en over de Joodse lichamelijkheid.”
“Voor veel mensen die ik ken, is zo’n operatie een soort reparatie en dan ga je weer naar huis, maar bij mij werkte het niet zo. Ik bén dit lichaam, zonder dit lichaam besta ik niet”, aldus Süss. Volgens hem is dat essentieel in het Jodendom: Joden zien het lichaam niet als een omhulsel van de ziel. Er is niks anders dan het lichaam. Er is niets tussen hemel en aarde. Zelfs geen iets, laat staan meer. Daarom is het lichaam zo belangrijk in het Jodendom.”
Joods-christelijke dialoog
Maar wacht even, Joden geloven toch ook in een hiernamaals, en in een paradijs, waar je naartoe gaat als je netjes hebt geleefd? “Hoe kom je daarbij?” vraagt Süss. “Daar gaat het in het Jodendom helemaal niet om. Voor Joden is virtue it’s own reward. Goede dingen doe je om niet. Als er een hiernamaals is, dan weten we niet wat dat is. Het is zoals Oscar Wilde schreef, dat het geheim van de wereld het zichtbare is, niet het onzichtbare.”
Dit lichaam dus, daar doen de Joden het mee. En met de besnijdenis wordt de relatie tussen de Joodse leer en het lichaam al vroeg zichtbaar. Het is het merkteken van Gods woord in het lichaam. “Het herinnert ons eraan wat God van ons wil”, zegt Süss. Wat wil God dan? Dat we ons aan de 613 ge- en verboden in de Tora houden. Het begint steeds onduidelijker te worden waarom mensen zich iets van God zouden aantrekken als dit aardse bestaan alles is wat ze hebben, maar voor Süss is het helder: “Die 613 voorschriften brengen structuur in een mensenleven, en ze scherpen ons morele inzicht.”
Gek genoeg begint Süss zijn boek over Joden met een apart hoofdstuk over een christelijke theoloog, Arnold van Ruler (1908-1970). “Omdat Van Ruler in zijn waardering van het aardse en zijn relativering van zaken als de verzoeningsleer kan inspireren tot een joods-christelijke dialoog”, zegt Süss.
De verzoeningsleer gaat over de verzoening van de mens met God. Daarvoor moest een mens worden geofferd. Volgens het evangelie waren Joden daarvoor verantwoordelijk. Daarom is er altijd animositeit tussen Joden en christenen. Dat met de kruisiging van Jezus Christus de zaak beslecht zou zijn, is volgens de Joden niet aanvaardbaar.
Gevangenis van de ziel
Süss was ooit Nederlands Hervormde predikant, kind van een Joodse vader – vermoord door de nazi’s – en een van oorsprong Lutherse moeder die zich tot het judaïsme had bekeerd. Op latere leeftijd is Süss weer teruggekeerd naar zijn Joodse wortels. Zijn leven staat in het teken van een soort kruistocht tegen het christelijke antisemitisme. Ruim drie jaar geleden verscheen bij VU-uitgeverij zijn boek Luthers Theologisch Testament, op basis van zijn proefschrift, waarin hij betoogt dat de protestantse hervormer Maarten Luther zijn hele leven een virulent antisemiet is geweest.
“Joden zeggen altijd tegen mij: Laat die christenen, daar doe je toch niks aan”, zegt Süss. “Maar ik wil dat christenen en Joden nader tot elkaar komen.” Daarvoor moeten christenen wel het ingebakken antisemitisme in hun theologie onder ogen zien, en Süss gelooft ook in het benadrukken van verschillen als je de dialoog serieus wilt aangaan.
De houding ten aanzien van het lichaam is zo’n belangrijk verschil. De Joodse viering van de lichamelijkheid tegenover de gevangenis van de ziel die christenen in het lichaam zien. ‘Wij geven er de voorkeur aan uit het lichaam te verhuizen en bij den Heer te gaan wonen’ schrijft de apostel Paulus (2 Korintiërs 5:8), en: ‘Indien gij vleselijk leeft, zult gij sterven; indien gij door den geest de werken des lichaams doodt, zult gij leven’ (Romeinen 8:13).
Je kunt je afvragen of Süss’ uiteenzettingen – bijvoorbeeld zijn erotische voorstelling van de Tora-lezing – door iedereen even positief zal worden gewaardeerd. De bekende Joodse publiciste Bloeme Evers neemt al een voorschotje in haar voorwoord van Süss’ boek, waarin ze schrijft dat bepaalde lezers hun wenkbrauwen zullen fronsen bij sommige van Süss’ opvattingen. Hier geldt: twee Joden, drie meningen.
Eerder gepubliceerd in Ad Valvas, weekblad van de Amsterdamse Vrije Universiteit.
Reacties op dit artikel zijn gesloten. Wilt u reageren?
Stuur een e-mail naar de redactie.





RSS