Dyslexie
Yezkilim

Hoewel dyslexie soms een modeverschijnsel lijkt, bestaat het wel degelijk en vormt het op scholen een steeds groter probleem. Of dyslexie te voorkomen of te behandelen is, daar zijn de deskundigen het nog lang niet over eens. Visolie, veel bijles in taal of een andere bril bijvoorbeeld zijn dingen die volgens sommigen wel, maar volgens anderen absoluut niet helpen. Maar als school kun je en wil je dyslectische kinderen niet negeren, dus je zult er een beleid voor moeten kiezen. Daarbij kom je allerlei problemen tegen.
Dyslectisch ben je of je bent het niet, zoals je ook wel of niet hoogbegaafd bent. Gewoon even de juiste test doen en één puntje meer of minder bepaalt je lot: ja of nee. Bij hoogbegaafdheid weten we dit en trekken we meestal geen strenge grenzen: doe je wat extra’s voor hoogbegaafde kinderen, dan kijk je naar alle kinderen met een score van boven of rond de 130, of kijk je helemaal niet naar IQ’s maar gewoon naar de kinderen zelf. Maar bij dyslexie doen we het anders. Geen punten, geen schaal, gewoon testen. En daarna ben je of dyslectisch en krijg je een dyslexieverklaring of ben je het niet en krijg je deze verklaring niet. Terwijl een glijdende schaal die de mate van dyslexie zou meten, die dan bijvoorbeeld zou kunnen bepalen hoeveel langer je over je proefwerk mag doen en welke faciliteiten je nog meer wel en niet krijgt een stuk eerlijker zou zijn.
Het ontbreken van zo’n schaal is nog maar één van de problemen die je tegenkomt wanneer je je met een dyslexiebeleid bezig wilt houden. Een tweede probleem is, dat dyslexie zich verschillend uit bij hoger, lager en normaal begaafden. Hoger begaafde kinderen met dyslexie kunnen nog redelijk goed functioneren. Maar bij hen wordt het verschijnsel vaker herkend, en wordt er dus vaker tegemoetgekomen aan wensen als extra proefwerktijd dan bij minder begaafde kinderen. Die zijn gewoon slecht in taal, toch? Ouders van de wat minder begaafde kinderen die de basisschool vragen om een dyslexietest worden dan ook vaak met een kluitje in het riet gestuurd. En bij de echt zwakke kinderen komt er waarschijnlijk niemand op het idee om te kijken of ze soms nog eens dyslectisch zijn ook. Waarom trouwens niet gewoon alle kinderen die slecht zijn in taal testen, zodra dat kan? Veel eerlijker toch? En hoe eerder je problemen signaleert, des te beter toch?
Een derde probleem is dat er ouders zijn die, omdat ze niet willen weten dat hun kind slecht is in taal, de buitenwereld vertellen dat hun kind dyslectisch is, ongeacht of het kind ooit een test gedaan heeft en, zoja, wat de uitslag was. Ook zijn er ouders die een dyslexietest eisen en hopen dat er ja uitkomt, vanwege de faciliteiten die dit biedt. Als vierde probleem, tot slot, zou iemand die alleen maar dit soort gevallen van dyslexie tegenkomt, wel eens kunnen gaan denken dat dyslexie gewoon een modern eufemisme is voor slecht zijn in taal.
Ben je blij met je dyslexieverklaring en je extra proefwerktijd, dan kun je toch nog van een koude kermis thuiskomen. Zo’n verklaring, en dus ook het doen van de test, kan namelijk erg riskant zijn. Op de PABO kun je zomaar aan het eind van je eerste jaar weggestuurd worden vanwege de combinatie van een dyslexieverklaring en een onvoldoende voor Nederlands, terwijl je ‘lectische’ klasgenoten met een onvoldoende voor Nederlands wél door mogen. Voldoendes halen voor Nederlands is best mogelijk als je dyslectisch bent, als je maar af en toe, net als alle anderen, iets over mag doen én als je maar gemotiveerd genoeg bent om er veel harder dan de anderen aan te trekken. Oneerlijk en vreemd dat dit harde werken dan niet wordt beloond, maar juist wordt afgestraft.
De meeste scholen doen echter hun best om dyslectici te helpen. Maar omdat er nog steeds veel te weinig over de bestrijding van het verschijnsel bekend is, beperken ze zich meestal tot een beleid met veel extra tijd bij proefwerken en, vaak overbodige (je hebt dyslexie in soorten) vergrote kopieen van de proefwerkopgaven voor de gecertificeerde dyslectici.
Maar misschien zouden we ook dingen kunnen doen als, in sommige opzichten, terugkeren, in elk geval voor deze kinderen, naar de ouderwetse taal- en rekenlessen. Taalvakleerkrachten, die, in tegenstelling tot veel huidige, jonge leerkrachten, wél weten hoe je moet spellen en wanneer je een d, een t of een dt gebruikt en die dat ook dus ook uit kunnen leggen. Want hardwerkende dyslectici kunnen prima overweg met regels. En wat rekenen betreft, zouden we terug kunnen keren naar het oefenen met gewone sommetjes, zodra de stof met verhaaltjes verduidelijkt is, in plaats van iedereen voortdurend door nieuwe verhaaltjes heen te laten worstelen, die trouwens ook voor andere kinderen, en natuurlijk ook voor anderstaligen, af en toe best lastig kunnen zijn. Ook fijn voor kinderen die gewóón slecht in taal zijn, toch?
Yezkilim is een full-time allround compulsief obsessief probleemoplosser, met als specialiteit radicale onderwijshervormingen. Daarnaast is ze wiskundeleraar.





RSS