Een andere Mohammed
Richard Kroes

Ja hoor, Mozes was aan de drugs, Jezus liep over ijs en nu had Mohammed ook al een hersentumor. Het is weer zover. Voor wie vroeger in de openbare bieb de afdeling ‘literatuur’ angstvallig voorbij liep, is geen stompzinnigheid te gek. Dolgedraaide bèta’s wier wereldbeeld slechts uit ‘meten is weten’ bestaat en waarvoor geen tekst veilig is, want: ‘het staat er toch?’
Dus moest Mozes wel aan de drugs zijn geweest toen hij een braamstruik zag branden zonder dat die tot as verviel, moest Jezus wel over ijs gelopen hebben in plaats van water en zal er ook wel iets meetbaars aan de hand geweest zijn met Mohammed toen die zijn openbaringen kreeg: een hersentumor. Onze eigen geblondeerde Indo gaat dat verhaal recycleren in het nu al veelgeprezen meesterwerk ‘Fitna 2‘.
Het idee komt uit een boekje uit 1993 van een Belgische psycholoog, Herman H. Somers. Het is inmiddels volkomen in vergetelheid geraakt en dat is volkomen terecht, want als ergens de regelen der kunst met voeten worden getreden dan is het wel in dit boek. Alleen, het valt niet zo op. Somers’ betoog is namelijk buitengewoon overtuigend. Hij slaagt erin om met behulp van een nauwkeurige lezing van de koran en de binnen de islam overgeleverde anekdotes en verhalen over het leven van Mohammed een gedetailleerd beeld te geven van het ziektebeeld waaraan de man leed: een adenoom van de hypofyse. Die tumor zorgde voor een verstoring van Mohammeds hormoonhuishouding met als gevolg een hallucinatorische aandoening met paranoïde kenmerken.
En dat verklaart alles.
De hallucinaties verklaren de openbaringen die Mohammed had. De paranoïde kenmerken verklaren zijn gedrag tegenover tegenstanders en vijanden en zijn haat tegenover ongelovigen. En zo zijn er nog een aantal zaken die ‘op hun plaats vallen’. Mohammeds omgang met vrouwen en seks bijvoorbeeld en zijn kinderloosheid: allemaal het gevolg van een verstoorde hormoonhuishouding, die ook zo zijn gevolgen had voor het libido en de aanmaak van zaadcellen.
Somers’ betoog werkt vooral zo overtuigend omdat hij vele details opmerkt die prima passen in het ziektebeeld. Dat zijn zaken waar de gemiddelde lezer of gelovige volkomen overheen leest. Maar Somers kijkt met de blik van een expert: hoe Mohammed liep bijvoorbeeld. ‘Als iemand die een berg afdaalt’ zo meldt een anekdote uit de islamitische traditie. De gebogen gang die daarbij hoort, past precies in het ziektebeeld dat Somers op het oog heeft: het is een bijwerking van de door de tumor verstoorde hormoonhuishouding. ‘Acromegalie’ heet die bijwerking en dat verklaart mede het feit dat Mohammed grote, zachte handen had, een grote neus, sterke lichaamsbeharing en grote voeten. Zelfs het feit dat Mohammed sterk zweette tijdens zijn openbaringen, veelvuldig in bad ging en parfum gebruikte, klopt met ’s mans veronderstelde hormoonhuishouding. Een overtuigend betoog dus, dat niettemin niet snel genoeg in de vuilnisbak kan belanden.
Daar zijn vele redenen voor, maar de drie voornaamste fouten die Somers maakt, zouden voldoende moeten zijn: Somers gebruikt de koran kritiekloos als bron voor het gedachtegoed van Mohammed, hij neemt de islamitische traditieliteratuur kritiekloos als bron voor biografische gegevens en ieder gegeven uit deze bronnen is voor Somers een symptoom van een ziektebeeld.
Om met dat laatste te beginnen. Als ieder gegeven uit een bron primair wordt gezien als een symptoom van één of ander -nog niet nader vastgesteld- ziektebeeld, staat de uitkomst van je onderzoek al van te voren vast. Daar gaat een ziektebeeld uitkomen. Je weet nog niet welk euvel hem getroffen heeft, maar het staat al vast dat je iemand aan het bestuderen bent die patiënt is.
Die vooringenomenheid, want dat is het, leidt tot grappige vormen van hineininterpretieren. Zo stelt Somers, waarschijnlijk zonder er zelf erg in te hebben, dat iemand die ‘van een berg afdaalt’ gebogen loopt en dus had Mohammed de vergroeide wervels die bij acromegalie horen. Maar lopen alsof je van een berg afdaalt wil helemaal niet zeggen dat je gebogen loopt, en als je dat wel doet, betekent dat nog niet meteen dat je vergroeide wervels hebt.
En in werkelijkheid bestaan er zweterige Arabieren met een grote neus, grote, vlezige handen en opvallende lichaamsbeharing die niets mankeren. Niet elk gegeven is relevant en niet elk relevant gegeven wijst op een ziekte.
Dat Mohammed liep ‘als iemand die een berg afdaalde’ is bijvoorbeeld volkomen logisch vanuit een heel ander perspectief. Mozes daalde van de berg af met de tien geboden. Elia ging naar de berg en kwam ervan terug om zijn taak als profeet weer op zich te nemen. Jezus hield zijn belangrijkste programmarede op een berg en veranderde -elders- van gedaante op een berg. Naar verluid waren daar Mozes en Elia ook bij en dat is geen toeval. De God van de Joden was oorspronkelijk een berggod. Profeten hadden iets met bergen, en dus was het niet meer dan normaal dat ook Mohammed iets met bergen had. Zijn eerste openbaring ontving hij op de berg Hira en een beetje profeet loopt dus ook ‘alsof hij een berg afdaalt’. Dat is zogezegd zijn vak: bergen afdalen. De uitdrukking dat hij liep alsof hij van een berg afdaalde is niet noodzakelijk een beschrijving van zijn gang geweest. En dat geldt voor heel veel verhalen over de man.
Daarmee zijn we bij het tweede punt: Somers’ gebruik van de islamitische traditie als biografische bron. De verhalen en anekdotes die we daaruit kennen, zijn nooit opgeschreven om een biografie van te maken. Het zijn oorspronkelijk verhalen geweest ‘voor bij het kampvuur’. Verhalen om de moed erin te houden, om het gehoor te stichten, om duiding aan het Leven Zelf te geven. De verhalenverteller die als eerste meldde dat Mohammed liep ‘als iemand die een berg afdaalt’, had eerder Mozes, Elia en Jezus in gedachten dan een anamnese zoals Somers die in zijn praktijk zal hebben afgenomen. De verteller heeft Mohammed waarschijnlijk nooit gezien.
En er zijn meer problemen met de islamitische overlevering. Zelfs de meest welwillende geleerden slagen er niet in om iets van al die zorgvuldig overgeleverde verhalen en anekdotes vroeger te dateren dan ruim een volle eeuw na de dood van Mohammed. Waar moslims nog volhouden dat Mohammed ‘in het volle licht van de geschiedenis’ heeft geleefd, is de rest van de wereld er inmiddels achter dat we van ’s mans leven echt helemaal niets weten. Zelfs de vraag of hij ooit wel geleefd heeft, is niet overtuigend te beantwoorden. De islamitische traditie is waar het biografische informatie over Mohammed betreft, volkomen onbetrouwbaar.
Ook moslims beginnen dat langzaam te ontdekken. In de discussie over de vraag of Mohammed pedofiel was circuleert een argument, dat door moslims is uitgevonden. Wie de islamitische overleveringen kritisch leest, vindt daarin niet alleen het verhaal dat teruggaat op Aisha, waarin zijzelf vertelt dat ze negen jaar oud was toen Mohammed voor het eerst seks met haar had, maar ook een aantal verhalen over hele andere onderwerpen waaruit blijkt dat ze ouder geweest moet zijn. Iedere leeftijd tussen negen en éénentwintig is op basis van canonieke overleveringen uit de islamitische traditie te verdedigen. De vraag is alleen: welk verhaal kies je? Er is maar één conclusie mogelijk: er bestaan geen betrouwbare bronnen over het leven van Mohammed en dat is niet alleen jammer voor diegenen die Mohammed graag als pedofiel willen afschilderen maar ook voor het betoog van Somers. Het is letterlijk op niets gebaseerd.
Dat geldt ook voor diens gebruik van de koran. Alleen volgens de islamitische orthodoxie vormen de openbaringen aan Mohammed de inhoud van de koran. Daarbuiten wemelt het van de theorieën en hypothesen die iets anders beweren. Volgens de islamitische traditie zelf waren er al vanaf het begin van Mohammeds optreden mensen die beweerden dat hij het allemaal afgekeken had van Christenen en Joden. Wie nu de koran leest en een beetje thuis is in de religieuze wereld van de 7e eeuw kan bijna niet tot en andere conclusie komen: de koran staat vol met verhalen uit de bijbel, de targum en de talmoed en sluit qua belevingswereld sterk aan bij de christelijke prediking uit die dagen. Er kwam nogal wat fantasie over hemel en hel en het laatste oordeel in die prediking voor en de koran past uitstekend in die voorstellingswereld. Somers leest in die koranteksten vooral Mohammeds Katastrophen-Ahnen, een symptoom van paranoïde wanen, die op hun beurt dan weer wijzen op een hypofysair adenoom. Dat kan natuurlijk, maar dan heeft zich in het 7e eeuwse Midden-Oosten wel een epidemie van die aandoening voorgedaan.
Het is dus maar de vraag in hoeverre de koran teksten weergeeft die van Mohammed afkomstig zijn. En het kan nog erger. Er zijn theorieën die beweren dat de koran en Mohammed helemaal niet aan elkaar gerelateerd zijn. De al eerder op deze website besproken theorie van Christoph Luxenberg meent dat de koran samengesteld is uit christelijke teksten. Serieuzer is de suggestie van de Amerikaanse islamoloog Fred Donner dat de koran mogelijk veel ouder is dan Mohammed en de islam. De reden voor die suggestie is puur linguïstisch. Vroege Arabische teksten anders dan de koran zijn heel goed te begrijpen. Het gaat dan om de vroegste islamitische teksten, inscripties en pre-islamitische poëzie. Grammatica en woordenschat komen perfect overeen met wat we weten van het klassiek Arabisch. Van de woordenschat van de koran echter is niet minder dan een kwart een hapax, een woord dat maar één keer voorkomt. In de Hebreeuwse bijbel is dat tien keer minder.
Donner heeft het idee geopperd dat de tekst van de koran mogelijk een veel oudere taalfase van het Arabisch vertegenwoordigt. Ook hier geldt dus: het is uiterst onwaarschijnlijk dat de koran de gedachtenwereld van één enkele paranoïde hallucinant weergeeft. Veel plausibeler is het idee dat de koran de religieuze gedachtenwereld uit het 7e eeuwse Arabië, of misschien zelfs vroeger, weerspiegelt.
Somers onderkent de problemen met de bronnen wel, maar maakt zich daar wel heel erg gemakkelijk vanaf. “Dat is het beeld dat de traditie ons van Mohammed achterliet, en we zien niet in waarom het onbetrouwbaar zou zijn”, zegt hij doodleuk na een korte schets van Mohammeds uiterlijk en gewoontes, gebaseerd op de beschikbare bronnen.
Niet veel later legt hij beter uit waarom die bronnen toch onbetrouwbaar kunnen zijn. Hij doet dat in de vorm van een waarschuwing aan de lezers “tegen een eigenaardige wijze van redeneren van bepaalde ‘geleerden’, hetzij historici, hetzij medici”. Zij die wijzen op de onbetrouwbaarheid van de geschreven bronnen, baseren zich volgens Somers ook op een onbewijsbare en betwijfelbare stelling (hij zet het woord ‘geleerden’ ook écht tussen aanhalingstekens). Somers stelt daartegenover dat wanneer uit de bronnen een éénduidig ziektebeeld kan worden gedestilleerd, die bronnen wel betrouwbaar moeten zijn. Juist wanneer de schrijvers geen artsen waren, en dus hun observaties van medische aard eigenlijk per ongeluk opschreven, kunnen die bronnen wel degelijk betrouwbaar blijken. Hoe overtuigend dat ook klinkt, het is methodische lariekoek, een cirkelredenering zoals cirkelredeneringen bedoeld zijn: dit klinkt zo overtuigend, dat het wel betrouwbaar moet zijn.
Maar bronnen zijn niet meer of minder betrouwbaar wanneer ze blijken consistent een hypothese te kunnen ondersteunen. Dat kan namelijk toeval zijn, heel makkelijk zelfs.
Somers’ eigen theorie illustreert dat goed. Zijn verhaal is gebaseerd op symptomen die wel eens helemaal geen symptomen hoeven te zijn en als ze dat wel zijn, hoeft dat niet noodzakelijk te wijzen op slechts één ziektebeeld. Er zijn duizenden verhalen over Mohammed in de islamitische traditie bekend. Ongetwijfeld zal een systematische inventarisatie van ziekteverschijnselen daarin enkele tientallen diagnoses opleveren, ook als het om combinaties van symptomen gaat. Dat zal zeker het geval zijn als daarvoor Somers’ methode wordt gebruikt, waarin ook vage en algemene zaken als zweterigheid en een grote neus al meteen symptomen zijn. Worden de bronnen ook betrouwbaarder als er niet één maar bijvoorbeeld vijftien verschillende diagnoses op kunnen worden gebaseerd met eenzelfde consistentie? En welke is dan waar? Somers had ten minste een poging moeten doen om andere mogelijke ziektebeelden uit te sluiten. Eén van die ziektebeelden had tenminste een gezond mens moeten zijn. Want er is een kans dat alles wat over Mohammed is opgeschreven, en wat nu door Somers als ziektebeeld wordt gelezen, ook gewoon wat toevallige kenmerken van een gezond mens zijn geweest.
En wat doe je in het geval dat de lezing van de bronnen vanuit één expertise, in dit geval de geneeskunde, wél een consistent verhaal op kunnen leveren, maar bezien vanuit een ander vakgebied juist weer niet? Er is hierboven al gerefereerd aan het gegeven dat de bronnen vanuit chronologisch perspectief volkomen inconsistent zijn. Historisch zijn ze dat ook, weten we al een tijd. De verhalen over Mohammed vertonen een merkwaardige consistentie waar het de historische couleur locale van de stad Mekka betreft: die schetst overduidelijk de situatie van twee tot drie eeuwen later. Dat heeft allemaal te maken met het feit dat de islamitische traditie er niet was om historie te schrijven, maar om te stichten.
De vraag is niet of Mohammed een hypofysair adenoom had. Dat zou kunnen, het ongelijk van Somers bewijzen is onmogelijk, juist omdat de bronnen zo volkomen onbetrouwbaar zijn. De vraag is wel of we wat Somers beweert eigenlijk wel kunnen weten. Het antwoord daarop is een simpel ‘nee’, en dat antwoord ligt verschrikkelijk voor de hand. Alleen van een doctor in de toegepaste psychologie, theologie, wijsbegeerte en letteren kun je verwachten dat hij zo’n voor de hand liggende oplossing over het hoofd ziet.
Richard Kroes werkt als archeoloog bij een adviesbureau in Leiden en geeft daarnaast les over het ontstaan van de islam bij Livius Onderwijs.





RSS