Geen ruimte voor renegaten
Thaddeus Russell

Vijf jaar geleden had ik alle reden te geloven dat mijn baan als universitair docent Geschiedkunde aan Barnard College (NY) gewaarborgd was. Ik had er vier jaar lesgegeven, mijn proefschrift was gepubliceerd bij een grote uitgever, en omdat ik de omvang van de klassen voor de inleidingscursus ‘Geschiedenis van de VS’ en in de studierichting Amerikanistiek had verdrievoudigd, vertrouwden collega’s me toe dat ze “geschokt zouden zijn” als ik niet bevorderd zou worden met een carrièrepad naar een vaste aanstelling als hoogleraar.
Maar dat was voordat mijn collega’s wisten wat ik nu eigenlijk doceerde.
Ik ben altijd een buitenbeentje geweest in de academische wereld: deels vanwege mijn achtergrond, deels vanwege mijn karakter, en over de jaren heen in toenemende mate vanwege mijn ideeën. Ideeën die nu een boek zijn geworden: ‘A Renegade History of the United States’.
Ik ben opgevoed door blowende, naaktlopende, socialistische revolutionairen: een kneuzig blank jochie in de zwarte buitenwijken van Berkeley en Oakland. Het scheelde niet veel of ik was blijven zitten in de laatste klas van de basisschool, en ik sloot mijn middelbare schooltijd af met een examenrapport vol zesjes. Daarna ging ik naar het anarchistische, ultrahippie-eske Antioch College in Ohio, dat elke kandidaat accepteerde, geen cijfers gaf, en dat geeneens een geschiedenisfaculteit had.
Hoewel ik er uiteindelijk in slaagde mijzelf aan die achtergrond te onttrekken – eerst met een promotieonderzoek aan de prestigieuze Columbia University, daarna met een baan aan een elite-universiteit – viel de overgang van de wereld van de wiet naar de wereld van de tweed me niet gemakkelijk. Ik had er een hekel aan “Professor” te zijn. Ik vloekte in de klas. Ik sprak over seks. Ik gebruikte politiek-incorrecte termen. Mijn studenten zeiden dat ze de dingen die ik hen bijbracht nog nooit eerder hadden gehoord. Ze noemden me “Bad Thad”.
-
Ik liet hen zien dat ten tijde van de Amerikaanse Revolutie dronkaards, lanterfanters, prostituees en piraten pioniers waren in menige van de vrijheden en genoegens die wij nu voor dierbaar houden, – waaronder seks zonder huwelijk, interraciale omgang, dansen, winkelen, echtscheiding en het weekeinde – en dat de Founding Fathers zich in de naam van de democratie tegen hen hadden verzet.
-
Ik betoogde dat veel blanke Amerikanen niet alleen jaloers waren op de slaven, maar daar ook goede redenen voor hadden, aangezien de slavencultuur veel bevrijdende alternatieven bood voor de bijzonder repressieve, met werk geobsedeerde, anti-seksuele cultuur van de vroege Verenigde Staten.
-
Ik toonde aan dat het de prostituees waren, en niet de feministen, die vrijwel alle vrijheden veroverden welke destijds aan vrouwen werden ontzegd maar die nu voor vanzelfsprekend worden gehouden.
-
Door het pad van immigranten na te trekken vanaf hun aankomst als “primitieven” tot hun assimilatie als “beschaafde” burgers, wist ik uit te leggen dat blanken, door goede Amerikanen te worden, hun ‘ritme’ waren kwijtgeraakt.
-
Ik legde hen bewijzen voor dat we het zonder de georganiseerde misdaad nu wellicht hadden moeten stellen zonder jazz, Hollywood, Las Vegas, legale alcohol, anticonceptiemiddelen, of homorechten,- aangezien alleen gangsters bereid waren aan deze projecten steun te verlenen toen respectabele Amerikanen ze nog schuwden.
Dit was niet het standaard links-progressieve perspectief dat mijn studenten gewend waren; al valt deze zienswijze ook bepaald niet conservatief te noemen. Mijn alternatieve kijk op de geschiedenis van de VS werd bezield door een onwaarschijnlijke mengeling aan invloeden, waaronder de hippies en de andere culturele radicalen die ik was tegengekomen in mijn jeugd; zwarte en homoculturen, die mij een uitweg lieten zien uit de zelfopgelegde beperkingen van het blank en hetero zijn; en libertariërs, die mij deden twijfelen in hoeverre progressief Links – het milieu waarin ik was geboren en dat mij nu in dienst had genomen als universitair docent – wel echt zo toegewijd was aan de vrijheid.
Ik gaf mijn studenten een geschiedenis die gestructureerd was rond de oudste kwestie in de politieke filosofie, maar die door beroepshistorici veelvuldig wordt genegeerd: het conflict tussen het individu en de gemeenschap, of wat Freud de eeuwige strijd noemde tussen de beschaafde maatschappij en haar ontevredenen.
Universiteitsstudenten wordt meestal een geschiedenis voorgehouden die een strijd behelst tussen kapitalisten en arbeiders, blanken en zwarten, mannen en vrouwen. Maar de geschiedenis wordt ook gedreven door confrontaties tussen degenen die belang hebben bij het bewaren van de sociale orde en hen die meer belang hechten aan het najagen van hun eigen begeerten: het ‘respectabele’ versus het ‘ontaarde’; het morele versus het immorele; de ‘goede burgers’ versus de ‘slechte’. Ik wilde laten zien dat hoe meer ‘slechte’ lieden er rondliepen, in verzet kwamen en wonnen, des te groter voor ons allen werd wat ik “de marge van de vrijheid” noem.
Mijn studenten waren nog het meest ontsteld door de bewijzen dat de ‘goede’ vijanden van ‘slechte’ vrijheden niet enkel bestonden uit traditionele Amerikaanse iconen zoals presidenten en zakentycoons, maar dat ook vele van de meest vereerde abolitionisten, progressieven en leiders in de vrouwenrechten-, arbeidersrechten-, burgerrechten- en homorechtenbewegingen hard hun best hadden gedaan om de subculturen te onderdrukken van vrouwen uit de arbeidersklasse, immigranten, zwarte Amerikanen, en van de flamboyante nichten die homoseksualiteit uit de kast hebben gehaald.
Ik had deze ideeën voornamelijk in mijn eentje ontwikkeld, in mijn studies en in klaslokalen, en ik besefte voortdurend dat ik verwikkeld was in een Oedipale strijd die bestond uit niets minder dan het omverwerpen van de generatie historici vóór mij; de generatie die tot wasdom was gekomen in de jaren ’60 en ’70, de generatie die nu de geschiedwetenschappen beheerste, de leermeesters die mij hadden opgeleid. Ze waren er zo op belust de volksmassa’s tot helden te maken dat ze niet zagen dat het juist de niet-heroïsche en onwelvoeglijke karakteristieken van gewone lui waren geweest, die de Amerikaanse maatschappij steeds ten goede hadden veranderd.
Ik was dan ook behoorlijk nerveus toen ik gevraagd werd mijn werk te presenteren aan collega’s om in aanmerking te komen voor een contract voor langere duur en een traject naar de functie van hoogleraar. Een vriend bij de Geschiedenisfaculteit vertelde me dat, gegeven mijn lijst aan publicaties en mijn populariteit onder studenten, de presentatie en discussie “eigenlijk alleen nog maar een formaliteit” zouden zijn. Maar ik wist wel beter: dit zou problemen gaan geven.
Verschillende onderscheiden professoren van Columbia kwamen opdraven, aangezien de universiteit een laatste stem heeft in alle vaste academische aanstellingen op haar zustercollege, Barnard. Tijdens mijn lezing staarde een hoogleraar die door een landelijk blad was uitgeroepen tot de belangrijkste publieksintellectueel in de VS, me aan met een blik die ik verstond – terecht, zo bleek later – als pure walging. Een ander liep de zaal uit voordat ik klaar was met mijn presentatie. Een van mijn voormalige decanen stelde me een serie vijandige vragen. Andere collega’s zeiden me na de lezing dat ik “moedig” was, dat ik “schitterend, onverbiddelijk revisionistisch” was, en dat ik sommige beroemde historici “net dinosauriërs had doen lijken”.
Maar de e-mails kwamen bij de sollicitatiecommissie binnen vanuit “belangrijke plaatsen”, zo werd mij verteld. Mails waarin mijn ideeën “onfatsoenlijk”, “uiterst zorgwekkend” en “gevaarlijk” werden genoemd. Ze zeiden dat mijn ideeën niet thuishoorden in de academie en stonden erop dat ik de laan uit werd gestuurd. Het was gewoon niet betamelijk dat ik de “verdrukten” beschreef in dezelfde terminologie die hun verdrukkers hadden gebruikt – “doelloos”, “seksueel onbeteugeld”, “primitief”, “onbeschaafd” – ook al transformeerde mijn argumentatie deze scheldwoorden tot eerbetuigingen.
Nadat mij was aangezegd dat ik Barnard zou verlaten, protesteerden honderden studenten in de kantoren van de faculteit en van de decaan, en de Columbia Spectator wijdde een hoofdcommentaar aan mijn zaak, maar tevergeefs. Er leek inderdaad geen plaats voor mij in de academie. En daarom schreef ik een boek.
Thaddeus Russell is voormalig universitair docent geschiedenis van Barnard College (NY). Bovenstaand stuk is een geautoriseerde vertaling van zijn stuk op de Huffington Post.





RSS