Plagiaat
Peter Breedveld

Een brildragende Britse jongen, type studiebol, krijgt op een dag te horen dat hij eens ’s werelds grootste magiër zal zijn. Terwijl hem door zijn leermeesters, zelf magiërs, de fijne kneepjes van het tovenaarsvak worden bijgebracht, legt de jongen tegelijkertijd de moeizame weg naar volwassenheid af. Hij krijgt het bovendien aan de stok met een aantal machtige tegenstanders, tovenaars die de kant van het kwaad hebben gekozen. In zijn avonturen wordt de jongen vergezeld door zijn tamme uil.
‘Harry Potter’, denkt u nu. Niet dus. We hebben het over Timothy Hunter, het hoofdpersonage in ‘The Books of Magic‘, een meesterlijk geïllustreerd stripverhaal, geschreven door de Britse fantasy-auteur Neil Gaiman. The Books of Magic verscheen in 1990, zeven jaar voor de eerste Harry Potter.

Waarom heeft Gaiman de schrijfster van de Potterboeken, multimiljonair J.K. Rowling, niet allang voor de rechter gedaagd? Zou er misschien onderhands een schikking zijn getroffen tussen hem en Rowling? Of heeft het te maken met het feit dat The Books of Magic en veel ander werk van Gaiman wordt uitgegeven door de machtige Time Warner Company, die ook de rechten op de Harry Potterfilms bezit?
Gaiman doet zelf erg laconiek over de kwestie. Van plagiaat is volgens hem geen sprake. “Veel overeenkomsten tussen Harry Potter en Timothy Hunter, zoals het donkere haar, de grote brilleglazen en de uil, liggen zo ongelofelijk voor de hand, dat Rowling die wel veranderd zou hebben als er echt sprake zou zijn geweest van diefstal”, zegt Gaiman. “Dan zou ze van Harry Potter wel een blond jongetje hebben gemaakt, zonder bril en met een tamme slechtvalk in plaats van een uil”.
Dat is ook wel weer zo. Want er mogen overeenkomsten zijn in het uiterlijk van beide tovenaarsleerlingen en ze zijn beide in hetzelfde vakgebied actief, verder verschilt de Potterreeks hemelsbreed met ‘The Books of Magic‘.

Gaiman en Rowling putten uit dezelfde bron van klassieke mythologie, Gothic Horror , fantasy-verhalen en andere literaire tradities. Maar Rowling slaat als een soort Disney verschrikkelijk aan het simplificeren. Niemand mag blijkbaar het gevaar lopen iets in de Potterverhalen niet meteen te begrijpen. In het eerste Potterboek komt bijvoorbeeld de driekoppige hellehond Cerberus voor, bekend uit de Griekse mythologie, alleen heet hij bij Potter ‘Pluisje’. En de Steen der Wijzen, eeuwenoud symbool voor het verlangen naar het onmogelijke, verwordt in de Potterboeken tot een ordinair hebbedingetje waar iedereen zonder duidelijke reden jacht op maakt. Bij Gaiman gaat het dat precies andersom, bij hem is bijvoorbeeld een ordinair ei in werkelijkheid juist een bron van magie die het menselijke voorstellingsvermogen verre te boven gaan.
Gaiman verweeft op originele manier elementen uit de Griekse mythologie, oude volksverhalen en populaire tradities in zijn vertellingen als ware hij een moderne Ovidius. Net als bij die Romeinse dichter loopt in het universum van Gaiman de godenwereld naadloos over in de mensenwereld, zit er magie in het alledaagse, en alledaagsheid in de magie. Zijn personages zijn bijna altijd gewone mensen die zich in het spanningsveld bevinden tussen het aardse en het bovennatuurlijke. Terwijl ze strijd leveren tegen goden en demonen moeten ze zich ook zorgen maken over de gasrekening, of over de wekelijkse boodschappen die nog moeten worden gedaan.

Zo staat Timothy Hunter in ‘The Books of Magic‘ op een gegeven moment samen met zijn leermeester, de magiër John Constantine, op een straat in New York. Hunter is inmiddels getuige geweest van het ontstaan van het universum en de val van de aartsengel Lucifer, hij heeft de tovenaar Merlijn ontmoet en hele beschavingen zien opkomen en ondergaan. Constantine bereidt hem voor op een ‘compleet nieuwe ervaring’.
‘Niks zeggen, ik weet het al’, zegt Hunter. ‘Ik word vast ingewijd in de donkere geheimen van het verloren rijk Lemuria en het legendarische Mu’. Waarop Constantine antwoordt: ‘Je gaat een ritje maken in een New Yorkse taxi’.
Overigens is deze Constantine, een kettingrokende, Londense gladjakker en ritselaar van jewelste, met gemak de meest charismatische stripfiguur uit de hele geschiedenis van het stripverhaal.

Goed beschouwd is ‘The Books of Magic‘ een typisch heldenepos, dat zich precies volgens de regels van het genre voltrekt. Timothy Hunter is een klassieke held die opgeroepen wordt zich in een avontuur te storten. Dat weigert hij eerst, maar tenslotte gaat hij toch en daarna volgt een aantal beproevingen. Uiteindelijk ontvangt Timothy zijn beloning en kan de terugkeer naar huis beginnen, die ook niet zonder de nodige verwikkelingen is.
Vrijwel elk heldenverhaal, van De Odyssee tot Beowulf, is min of meer volgens datzelfde schema opgebouwd. Wat The Books of Magic tot een meesterwerk maakt, zijn de vele dubbele bodems, de rijke symboliek en de poëtisch-filosofische beschouwingen.
Als antwoord op de vraag of Atlantis werkelijk heeft bestaan, krijgt Hunter bijvoorbeeld uitgelegd dat het er niet toe doet of dat legendarische rijk heeft bestaan. Atlantis zit diep verborgen in ons allemaal, ‘verloren in de donkere golven van natte, zwarte mythen en verhalen die stukslaan op de kusten van onze psyches’.

Eerder verschenen (27 december 2001) in De Haagsche Courant.






RSS