Zwart-wit-denken
Sinan Çankaya

Illustratie: William Mortensen
Iedereen in South Park leeft gespannen mee met Randy, die in een tv-aflevering van het Rad van Fortuin zit. Randy moet een woord raden in de categorie ”mensen die je vervelen”. Nadat de bonusletters zijn omgedraaid, moet hij nog één letter raden: er staat N_GGERS. Randy twijfelt en weet niet of het gepast is om het antwoord te geven. De klok tikt, de spanning stijgt en opgejaagd schreeuwt hij ten slotte enthousiast: NIGGERS! De buzzer gaat af, het antwoord is fout. Tergend langzaam draait Leontien het bordje om: er staat NAGGERS (mensen die zeiken).
Stan, Randy’s zoon, gaat de volgende dag naar school. Hij vertelt Token – inderdaad, het enige zwarte personage in South Park – dat zijn vader niet racistisch, maar stom is. Cartman schreeuwt ”race war” in de hoop dat er bloed vloeit, maar Token loopt verdrietig weg, zonder iets te zeggen. In de rest van de aflevering probeert Stan tevergeefs zijn excuses aan te bieden bij Token.
Zwarte Piet-discussie
Racism is back! Natuurlijk heeft het altijd bestaan, maar sinds de Tweede Wereldoorlog (1939-1945) spreken we in Nederland nauwelijks meer over racisme. Wie het woord ‘racisme’ in de mond nam, plaatste zich buiten het spreekveld en werd niet meer serieus genomen. Alleen een anti-fascist durfde dat nog wel eens aan.
Elk spreken is begrensd. Zo worden in de Zwarte Piet-discussie spreekposities beknot door opposities als wit/zwart, dader/slachtoffer en dominant/marginaal. De spreker moet daarbij kleur bekennen. Ben je wit of zwart? Voor of tegen? Niemand is neutraal. Daarbij onderga ook ik gedwongen het retorisch ritueel: ik vind Zwarte Piet een racistische karikatuur die aan het slavernijverleden appelleert en zie graag dat die wordt aangepast aan de huidige tijdgeest. Om die reden sta ik achter de ‘Zwarte Piet is racisme’-beweging.
Voor veel mensen is precies dit het ongemak van de Zwarte Piet-discussie, het kleur bekennen. Het verlammende zwart-wit-denken is namelijk terug, inclusief het onhandige gejongleer met het allesomvattende en allesverslindende raamwerk van ‘institutioneel racisme’.
Zwart bewustzijn
In een institutioneel racistische samenleving vertegenwoordigen blanke mensen automatisch een wit standpunt. Volgens dit perspectief geldt dat wanneer witte personen bepaalde claims over racisme ontkennen of tegenspreken, ze dan vaak worden beoordeeld als – jawel – racistisch, bevooroordeeld en dusdanig geprivilegieerd dat zij ongelijkheden niet meer kunnen zien.
Als gevolg zouden witte mensen een blinde vlek hebben met betrekking tot hun eigen racisme, schrijft Baukje Prins. Blinde witte mensen kunnen daarbij de hulp gebruiken van ziende zwarte mensen. Vanwege hun gemarginaliseerde positie ontwikkelen zij namelijk een zwart bewustzijn, waardoor zij racisme en uitsluiting herkennen. Ze kunnen onzichtbaar racisme zichtbaar maken en het verborgene onthullen. Een bijzondere superpower. Die vooronderstellingen zijn niet zonder problemen.
Het zwart-wit-denken veralgemeniseert gedeelde ‘zwarte’ emoties van een quasi-homogene groep; Zwarte Piet zou namelijk kwetsend zijn voor zwarte mensen. ‘Wit’ en ‘zwart’ worden daarbij verbeeld als reeds bestaande homogene blokken die diametraal tegenover elkaar zouden staan.
Dat in de tijd vastzetten van de categorie ‘zwart’ maakt het grofmazige dualisme van Asha ten Broeke’s wit genot en zwart pijn denkbaar. Het zwart-wit-denken smokkelt op die manier essentialisme binnen met onvoorziene uitsluitende gevolgen. Kortweg gaat essentialisme over het toeschrijven van bepaalde oorspronkelijke, natuurlijke en essentiële eigenschappen aan ‘groepen’.
Zwart-wit-denken
Alsof de discussie sommige zwarte Nederlanders niet raciaal én politiek bewust heeft gemaakt van de slavernijgeschiedenis, blackface en het racistische karakter van Zwarte Piet – een slapende groep die politiek is geactiveerd. Alsof er niet anti-zwarte zwarten zijn of zwarte Nederlanders die zich niet gekwetst voelen door Zwarte Piet. Alsof er niet anti-racistische witte mensen zijn. Alsof er, dus, geen kleurenblinde zwarte en kleurbewuste witte Nederlanders zijn. Ook die spreekposities moeten ruimte krijgen. Ik beschuldig de zwart-wit-denkers inderdaad van zwart-wit-denken.
Een onopvallende uitsluiting ontstaat door het policen van zwarte ‘groepsleden’. Daarbij treden politiek bewuste zwarte Nederlanders op als politieagenten binnen ‘de eigen groep’ door zwarte mensen die het goede ‘zwarte perspectief’ niet huldigen te corrigeren, terecht te wijzen en te ridiculiseren. Dissidenten lopen het daardoor het risico om uitgesloten te worden.
Zo is Adjiedj Bakkas volgens sommige ‘zwarte’ Nederlanders geen ‘zwarte’ Surinamer, omdat hij Zwarte Piet niet als kwetsend ervaart. De ‘braboneger’ – ik heb het niet verzonnen – zou eveneens zijn ras verraden, als ook deze mensen in reportage van GeenStijl. Het gaat mij niet om de vraag hoe omvangrijk of marginaal deze groep is. Mijn focus ligt op de uitsluiting ‘binnen groepen’. Zo wordt er een enkelvoudige en onwrikbare invulling van zwart-zijn gepropageerd, waardoor ‘interne’ verschillen worden uitgegomd en niet mogen bestaan.
Allochtone Twitter-intellectueel
Ik realiseer me dat de notie ‘zwart’ moet worden begrepen als een politieke identiteit. Maar dat kan de gebruiker van het begrip niet ontslaan van een kritische en reflexieve houding. Dat is in het geval van Zihni Özdil mogelijk teveel gevraagd. Zo fulmineert hij eerst tegen de belediging dat hij een ‘allochtone Twitter-intellectueel‘ is, om zichzelf vervolgens in dezelfde tekst te identificeren als ‘allochtoon’. Duidelijk.
Özdil’s paradoxen buitelen over elkaar. Zwart wordt alles wat niet wit is, waardoor het plotseling ook ‘gekleurde Nederlanders’, zoals Özdil zichzelf omschrijft, kan omvatten. Maar als Özdil het over ‘gekleurde Nederlanders’ heeft, dan kan hij het onmogelijk over witte Nederlanders hebben, omdat hij zich daar nu eenmaal tegen afzet in zijn tekst. Alsof wit geen kleur is!
Hoewel hij onophoudelijk tettert over ‘institutioneel racisme’, houdt hij zo dezelfde ‘structuren’ in stand die witheid representeren als neutraal en kleurloos. In de deconstructie van witheid is het nujuist de taak om te wijzen op de veronderstelde neutraliteit van deze raciale categorie. Nog veel belangrijker is dat Özdil wit anti-racisme onmogelijk maakt; anti-racisme is immers voorbehouden aan ‘gekleurde’ Nederlanders. In Özdil’s overzichtelijke zwart-wit-wereld is de kleur wit a priori verdacht.
Getinte Nederlander
In een reactie op Rob Wijnberg doet Nadia Ezzeroili exact hetzelfde. Vastgeklemd in een zwart-wit-kader herhaalt ze eerst de problematische oppositie van zwart is slachtoffer versus wit is dader. Vervolgens diskwalificeert ze, geheel volgens de logica van het zwart-wit-denken, Wijnberg op basis van zijn witheid.
Een witte Nederlander mag klaarblijkelijk niets beweren over racisme. En zij? Vanwege haar unieke positie als ‘getinte’ Nederlander komt zij wel even vertellen hoe het zit met racisme in Nederland. We moeten dus niet luisteren naar witte Wijnberg, maar naar getinte Ezzeroili. Bij uitstek een pervertering van het zwart-wit-denken. Het anti-ZwartePiet-kamp verdient betere woordvoerders. Gelukkig is Quinsy Gario er nog.
In South Park probeert Stan nog steeds vriendjes te worden met Token. Hij zegt dat zijn vader zijn excuses heeft aangeboden bij Jesse Jackson, de zwarte burgerrechtenactivist in de Verenigde Staten. Token reageert verontwaardigd en boos: ”Wat maakt mij dat uit! Jesse Jackson is niet de keizer van zwarte mensen!” Waarop Stan zegt: ”Hij zei tegen mijn vader van wel…”
Strategisch essentialisme
Elke politieke entrepreneur moet de indruk wekken dat er voor een grotere groep wordt gesproken. Het is dan ook een legitieme vraag in hoeverre de anti-ZwartePiet-beweging ‘zwarte Nederlanders’ vertegenwoordigt, die voortdurend als ‘wij’ worden aangeduid. Dit beroep op een verbeeld ‘wij’ bestendigt, hoe het ook zij, het rassendenken. ‘Groepen’ worden namelijk pas groepen als groepsleden actief groepswerk verrichten. Zo verrichten activisten in het anti-ZwartePiet-kamp ‘groepswerk’ door de kleur ‘zwart’ inzet te maken van een politieke strijd om gelijkwaardigheid en gelijkheid.
Ook mensen in het pro-ZwartePiet-kamp verrichten groepswerk: ze verbeelden Zwarte Piet als een fundamenteel element van dé Nederlandse identiteit, cultuur en traditie. Wijnberg maakt een aantal vreemde uitglijders in zijn artikel over Zwarte Piet (bijvoorbeeld door te suggereren dat ‘rassen’ geen reële gevolgen hebben in de sociale werkelijkheid), maar grijpt de paradox: ”Van het rassendenken afwillen en je er vervolgens op beroepen.”
Volgens Gayatri Spivak is een essentialistische en oppositionele politieke identiteit soms noodzakelijk in een emancipatiestrijd om gelijkwaardigheid, gelijkheid en erkenning. Strategisch essentialisme, noemde Spivak dat. Om een offensief te vormen in de strijd tegen seksisme en racisme, helpt het als de intragroepsverschillen van ‘vrouwen’ en ‘zwarten’ tijdelijk worden gemaskeerd en de eigen identiteit wordt benadrukt. Ik schaar mij daarachter, maar pleit tegelijkertijd voor meer ademruimte door te wijzen op de paradoxen in het zwart-wit-schema. Die manoeuvreerruimte is noodzakelijk voor een grotere emancipatiebeweging.
Witte privileges
De tegenstrijdigheden in het anti-ZwartePiet-kamp wijzen op het veranderlijke karakter van raciale en politieke identiteiten. Helaas is dat verhaal vooralsnog gestold in een categoriale uitsluiting van zwarte Nederlanders die Zwarte Piet best ‘Hollands gezellig’ vinden en alle witte Nederlanders – tenzij de laatste ‘groep’ door een heel zuiveringsritueel is gegaan waarbij de juiste kleur is bekend en duizendmaal excuses zijn aangeboden voor witte privileges.
Noodzakelijk is een inclusieve boodschap met ruimte voor witte antiracisten die al om zijn, witte personen die nog twijfelen en zelfs voor witte en zwarte Nederlanders die nog weerstand ervaren tegen het veranderen van Zwarte Piet. En ik val nu in de val van het zwart-wit-denken, want natuurlijk ook alle ‘kleuren’ daartussen.
In de laatste scène van de Southpark-aflevering loopt Stan naar Token. Hij zegt dat hij het nu snapt. Hij zal nooit de ernst van het n-woord ervaren, omdat hij niet zwart is. Voor het eerst in de aflevering glimlacht Token: ”Nu begrijp je het”. Waarop Stan enthousiast zegt: ”Ja, ik begrijp het, ik begrijp er niets van!”
Ook de makers van Southpark zijn zwart-wit-denkers en houden het idee van een onoverbrugbare kloof tussen ‘wit’ en ‘zwart’ in stand. Hoewel witte Stan en zwarte Token ogenschijnlijk dichter bij elkaar zijn gekomen, blijft er een fundamenteel onbegrip tussen hen bestaan. Jammer.
Dit stuk is eerder gepubliceerd op Zaman Vandaag. Sinan Çankaya is cultureel antropoloog en doet onderzoek naar de politieorganisatie, in- en uitsluiting en multiculturalisme. Volg hem op Twitter: @S1nanCankaya.





RSS