De mythe Mohammed
Hafid Bouazza

Het is niet een weinig ironisch dat personen die kritiek leveren op de islam en op de persoon Mohammed, de profeet van deze religie, teruggrijpen naar dezelfde hagiografische bronnen die vrome moslims ook gebruiken. Dit is ironisch omdat deze personen, hoewel geen moslims, in feite ook gelovig’ zijn, omdat ze de mythe voor authentiek aannemen. Of Mohammed al dan niet een pedofiel was en of hij de pek en de veren verdiende, is alleen van belang als we de officiele lezing accepteren.
Zulke kritiek is op zich niet erg en zelfs gerechtvaardigd, omdat zij de islam, officieel of niet, niet wil vrijwaren; dat is toe te juichen, want ik zie geen enkele reden waarom juist deze godsdienst ontzien zou moeten worden voor spot, scherts en satire al denken de moslims daar natuurlijk zelf anders over.
Zou de islamitische woede om de minste of geringste steek voortkomen uit de onbetwistbare heiligheid van Mohammed of uit een besef dat men gelooft in iets dat bespotbaar is en dus intrinsiek belachelijke aspecten bevat? Wanneer religie en identiteit samenvallen, is er geen koevoet die de twee scheiden kan. Dat geldt niet alleen voor gelovigen, maar ook voor arabisten en andere oriëntalisten die om verschillende redenen (respect, politieke correctheid, bewondering) niet van de officiele lezing willen afwijken. Zo wil een vertaler van de Koran, Fred Leemhuis (die, naar ik heb vernomen, zijn vertaling wilde laten goedkeuren door de Azhar-universiteit), niets eens de mogelijkheid openlaten dat de revolutionaire bevindingen van Christoph Luxenberg (een pseudoniem), dat de Koran invloeden van het Syrisch-Aramees bevat, wel eens waar konden zijn hoe overtuigend hij ook op onder andere mij overkomt. Maar goed: het doel van Leemhuis was de Koran zo te vertalen om de Nederlandse lezer te laten zien hoe de doorsnee, geletterde moslim hem leest.
De officiele lezing is sinds enige decennia onder vuur komen te liggen. Onder door wetenschappelijk sceptisme ontstoken vuur. Het is verbazingwekkend hoelang het heeft geduurd voordat men inzag dat de oorsprong van de islam, die, zoals Salman Rushdie ergens schreef, door het licht van de historie’ zou worden beschenen, het kunstmatig licht was van de olielampen waarbij vroege schrijvers hun perkamenten vulden.
De oudste biografie’ (sira) die we hebben over Mohammed is van Ibn Ishaq (704-767), die rond 750 is geschreven; zij is bewaard gebleven in de redactie van Ibn Hisham (gest. 830), die er in heeft gesnoeid en aangevuld, zoals blijkt uit andere bronnen die stukken uit Ibn Ishaq aanhalen, die we bij Ibn Hisham niet vinden. Het is deze levensbeschrijving van waaruit Hans Jansen vertrekt voor zijn reconstructie van de historische Mohammed’, in het gelijknamige boek. In 2005 verscheen het eerste deel, De Mekkaanse jaren; onlangs verscheen het tweede deel, De verhalen uit Medina.
Jansen deelt het leven van Mohammed in twee, zoals de koran de soera’s verdeelt in Mekkaanse en Medinensische: de openbaringen die hij in Mekka zou hebben ontvangen en die uit zijn periode in Medina, waar hij uiteindelijk zijn macht vestigde. De Mekkaanse verzen zijn zonder twijfel de meest aansprekende wat poëtische zeggingskracht betreft; de andere uit Medina zijn taai en saai, wettisch en er spreekt een onverdraagzaamheid uit, ondanks brokken van charmante vertellingen her en der, hoewel veel van deze rommelige verhalen vooral bedoeld zijn als voorbeeld of parabel (mathal, dat wel eens in verband is gebracht met het Griekse mythos) van Gods nietsontziende toorn.
Wat voor de koran geldt, geldt ook voor Mohammeds leven. Het eerste deel van Jansens werk is onderhoudend, waar het tweede deel wat droog uitvalt. Dat is niet de schuld van Jansen: bij het toenemen van Mohammeds macht, leek zijn leven slechts te bestaan uit huwelijken en plunderingen en bekeringsdrift niet noodzakelijkerwijs in deze volgorde. Het goede nieuws is dat Jansens humor, die in De Mekkaanse verhalen ingehouden was, in De verhalen uit Medina weer zijn snijtanden laat zien.
Jansen pretendeert niet dat hij de definitieve biografie heeft geschreven, om de simpele reden dat zulks onmogelijk is: Er is niemand die weet welke verhalen over Mohammed waar zijn, en welke verhalen als vrome fantasie of preken in verhaalvorm beschouwd kunnen worden.’ Zo begint hij De verhalen uit Medina en ik hoop dat de lezer zich hierdoor niet laat ontmoedigen. Hij zift en zeeft, ontleedt en snijdt, maar authentieke verhalen en fantasie en preken en vroomheid zijn zo met elkaar verweven of door elkaar besmet dat we overblijven met veel vraagtekens als mijlpalen naar een verschiet dat misschien veelbelovend is, maar toch vooral een oorverdovende stilte inhoudt. Het is een kwestie van tijd en geduld.
De katholiek Jansen is een gelovige’, in die zin dat hij gelooft dat Mohammed werkelijk heeft bestaan, maar hij is ook sceptisch; hij gaat niet zo ver als de wat hij noemt hypersceptici’ , die in aantal lijken toe te nemen, en voor wie Mohammed nooit heeft bestaan en slechts een constructie is en niet een reconstructie.
Het probleem is dat als we van de hagiografie alleen die elementen nemen waar vroegere historici, in moreel opzicht, ook mee leken te worstelen, zoals het huwelijk met Aisha (een bron vertelt dat ze zes, zeven jaar was, daarna wordt ze steeds ouder) en met de vrouw van zijn pleegzoon, dan doen we de bronnen onrecht aan: dit is selectieve scepsis. Aan de andere kant: waarom hebben de oudere bronnen deze verhalen niet weggelaten? Ze werpen een smet op de volmaakte figuur van Mohammed, maar dan: hij was Gods gezant en hij genoot bepaalde privileges van God, die altijd aan zijn kant stond, zoals Aisha eens niet naliet sarcastisch op te merken.
Hij fronste en wendde zich af / toen de blinde bij hem kwam / en hoe weet u dat hij zich niet wilde reinigen? / of dat hij iets gedacht opdat gedachtenis hem tot voordeel zou zijn?
Zo wordt in soera 80 van de Koran Mohammed gerechtvaardigd dat hij zich afwendde van een behoeftige, blinde man. Wat er precies is voorgevallen is onduidelijk, omdat het verhaal van deze gebeurtenis ongetwijfeld verzonnen is om deze verzen van een context te voorzien, zoals bij vele andere onduidelijke passages in de koran. In veel gevallen was er ongetwijfeld eerst het vers en dan pas het verhaal. Jansen geeft dit steeds aan soms met de moed der wanhoop, want duidelijkheid scheppen is haast (een woord dat hij veelvuldig gebruikt) onmogelijk.
Dat het leven en de uitspraken van Mohammed opvallende parallelen bevatten met dat van Jezus en de Bijbel, toont hij uitvoerig aan. De heiligverklaring van Mohammed, de idee dat Mohammed de volmaakste onder de mensen was, lijkt dan ook een imitatieve vernieuwing’ van de moslims, analoog aan Jezus. Ondanks dat de Koran stelt: Vermaan want u bent slechts een vermaner.’ Ook de vele wonderen die door de eeuwen heen aan hem zijn toegschreven, lijken een equivalent te zijn voor Jezus’ wonderen: Mohammed mocht niet achterblijven. Zo wordt hij omschreven als helderziende. Hoewel aanvankelijk werd gesteld dat het enige wonder dat Mohammed aan zijn tegenstanders kon tonen, de koran zelf was, het enige ware woord van Gods, uit de mond van een analfabeet.
Een van die wonderen is dat hij de maan in twee liet splijten en de hoorns ervan door zijn mouwen liet gaan, vandaar dat de maansikkel het symbool zou zijn van de islam. Echter, de drie oppergodinnen van voor de islam vertegenwoordigden de maan en een van hen werd aanbeden in de vorm van een stuk wit graniet. Zou het niet kunnen zijn dat die maan een heidens overblijfsel is?
Nu we het toch over de pre-islam hebben: Jansen rekent gelukkig af met de heersende opvattingen over de Jaahiliyya (Onwetendheid’), zoals de tijd voor de komst van Mohammed wordt genoemd. Die tijd moest met duisternis gevuld worden om de komst van de islam des te feller te laten stralen. (Bij de geboorte van Mohammed zou een fel licht kilometers woestijn hebben beschenen.) Zoals hij afrekent met meer aannames, bijvoorbeeld dat Mekka een bloeiende handelsstad zou zijn geweest vóór de komst van de islam, zoals Patricia Crone al overtuigend aantoonde in Meccan trade and the rise of islam (1987). Het is duidelijk: Ibn Ishaq had onder meer politieke bedoelingen met zijn geschiedschrijving’; er was de toenmalige heersers blijkbaar veel aan gelegen om de opkomst van de islam daar te situeren, hoewel er aanwijzingen zijn dat Syrië de bakermat van Mohammed en dus de islam is. Archeologische opgravingen en ontdekkingen van nog onbekende bronnen, vooral niet-Arabische, kunnen nog veel helderheid brengen.
Gelukkig hebben we de twee boeken van Jansen. Wie de huidige, wetenschappelijke stand van zaken rondom Mohammed wil kennen, doet er goed aan zijn werk te lezen. Wie de officiele lezing wil leren kennen, doet er ook goed aan zijn werk te lezen. De traditionele sira levert af en toe mooie anekdotes op en Jansen is zich bewust van de literaire charme van sommige van deze preekverhalen. Hij is een scherpzinnige lezer; hij is de moderne, breder geörienteerde Ibn Hisham voor Ibn Ishaq.
Wat tussen de regels van zijn kritische beschouwing te lezen valt (hij meldt het nergens expliciet) is dat hij van mening is dat de Islam als een sektarische afsplitsing is begonnen van het Christendom een opvatting die hij deelt met de reeds genoemde Christoph Luxenberg. De invloeden van het Christendom op de Islam zijn duidelijk, met name die van de Arianische afsplitsing, die ontkende dat Jezus de zoon is van God, want de Drie-Eenheid blijft voor moslims onbegrijpelijk en een bron van spot. Het virulente monotheïsme (tawhied) lijkt echter direct aan het Jodendom ontleend. De Joden zouden de grootste vijand van Mohammed worden, die zichzelf gelijkstelde aan Mozes: beide zouden God hebben aanschouwd. Het verhaal gaat dat enkele Joden in Mohammed de Messias zagen, totdat ze hem betrapten op het eten van kamelenvlees. Volgens Deuteronomium 14:7 is dit verboden. Dit verhaal treffen we niet alleen aan bij Ibn Ishaq, maar ook bij Theophanes (gest. 818) in zijn Kroniek.
Behalve politieke drijfveren, had Ibn Ishaq ook theologische en juridische doelstellingen. Ondanks de bekende woorden van Mohammed: Vandaag heb ik uw religie voor u vervolmaakt…’ is het ongeloofwaardig dat de islam bij de dood van de profeet (de consensus is het jaar 632) al een duidelijk profiel had. Sterker nog: aangezien de recente turbulenties zowel in Islamitische landen als in Europa, kan men stellen dat de Islam nog steeds in worsteling is met zijn imago en essentie.
Nu is de Koran niet een mirakel van structuur en chronologie; vele passages zijn onduidelijk; af en toe lijkt het boek een aaneenrijging van losse fragmenten. Alleen door het vrijgeven of ontdekking van afwijkende Koran-redacties (we weten dat ze bestaan), kunnen we hopen dat de Koran wat meer van zijn geheimen prijsgeeft.
Zoals al gezegd hebben we nu Hans Jansen; zijn grootste verdienste is zijn helderheid van stijl en inzicht in wat een brij is van historie, legende, mythen en politieke en religieuze propaganda. Het is onmogelijk te zeggen hoe en of de kennis zal voortschrijden: moslims hebben genoeg aan de mythe en zullen Jansens boeken niet verslinden, tenminste niet in positieve zin, maar daar heeft de wetenschapper niets mee te maken. Uiteindelijk is de geschiedenis van ons allemaal, anders dan Allah en Mohammed, ondanks dat laatstgenoemde gezonden zou zijn door de eerste voor de gehele mensheid. Goedschiks dan wel kwaadschiks.
Gelovigen zorgen wel voor zichzelf. Alleen scepsis en nieuwsgierigheid en twijfel brengen ons, andere stervelingen, verder. En laten we humor niet vergeten.
Hafid Bouazza (1970) schildert, componeert, kookt, goochelt, bedwelmt, prikkelt de zinnen en verruimt de geest met zijn woorden. Onderga zijn boeken. Dit artikel is eerder gepubliceerd in HP/De Tijd. Lees hier zijn bespreking van het eerste deel van Jansens Mohammed-biografie.





RSS