Frontaal
Naakt

29 september 2007

De Moriaen geschuurd

Jan van Aken

ram004a (135k image)
Patriotic Women door Amir Normandi

Etymologie is een hachelijke zaak: hoe dikwijls niet worden vergezochte woordafleidingen gebruikt om al even speculatieve theorieën te ondersteunen? Eén van de mooiste vinden we in het Oera-Linda boek, waar de naam Neptunus teruggaat op een antediluviaanse Friese schipper ‘Neef Teunis’. En dan de bewering van de middeleeuwse geleerde Pseudo-Hunibald, (ik citeer graag niet-bestaande autoriteiten) dat de naam Nijmegen, afkomstig van noviomagus, zou betekenen: ‘nieuwe magen’, ‘nieuwe verwanten.

Enige tijd geleden alweer ijverde een zekere heer Groenberg voor zuivering van de dikke Van Dale, omdat dit standaardwerk het woord ‘neger’ heeft opgenomen. Het instituut waarvoor de heer Groenberg werkte, had een flink aantal woordenboeken verzameld en wilde die in het openbaar gaan verbranden als protest tegen het vermeende discriminerende karakter.

Desgevraagd kwam de heer Groenberg in een televisieprogramma uitleggen dat het woord in kwestie was verzonnen door vileine slavenhouders, zodat zij hem konden negeren. Toen de presentatrice vroeg of hij bezwaar had tegen het woord ‘zwarte’, ontkende hij: “Ik ben er trots op dat ik een zwarte man ben!”

Natuurlijk betekent neger, ontleend aan het Portugese negro, precies hetzelfde als zwarte en heeft het niets te doen met negéren. Wel bestaat er het woord négeren, dat betekent: behandelen als een neger(slaaf), slecht behandelen. Het zelfstandig naamwoord neger heeft op zichzelf natuurlijk geen negatieve betekenis.

De heer Groenberg heeft vooralsnog verzuimd om het WNT (woordenboek der Nederlandse Taal) te onderzoeken met de luizenkam der politieke correctheid. Daar zou hij nog veel meer brandstof vinden voor zijn auto-da-fé. Het WNT geeft uiteraard meer synoniemen en vermeldingen en gaat ook diep in op de oudere vorm, Moriaen. Veel uitdrukkingen tonen hoe men in vroeger tijden over zwarte mensen sprak. ‘(Hij) mat zig door even vrugteloozen arbeid af, als of hy een Moriaan wilde wit wasschen’, of, ‘Het is de Moriaen ge-schuurd!’

Tot mijn verbazing blijkt het gewraakte woord neger pas ná de Middeleeuwen in onze taal te zijn binnengeslopen, en het is dan zeker niet direct de gangbare term; dat wordt het pas in de achttiende eeuw. In mijn Statenbijbel (1618-19) lees ik: ‘Sal oock een moorman sijne huyt veranderen? ofte een luypaert sijne vlecken?’ (Jeremia 13, 23) Ik heb het voor u nagekeken: Vulgaat en Septuagint gebruiken hier voor moorman respectievelijk aethiops en aithiops.

Ik ben eens in mijn boekenkast gedoken en kwam boven met de Moriaen, een Arthurroman die deel uitmaakt van de Haagse Lancelot-compilatie. De hoofdpersoon van dit boek, Moriaen, is een zwarte ridder, zoon van een morinne, een moorse koningin. De schrijver vertelt dat boze tongen wel hebben beweerd dat Perchevael zijn vader was, maar dat was onzin; iedereen weet immers dat Perchevael als maagd is gestorven. De werkelijke vader van de zwarte ridder (die bij Wolfram von Eschenbach gevlekt schijnt te zijn) is de broer van Perchevael, Acglavael.

Overigens moeten wij de huidskleur van de ridder beschouwen als symbolisch voor zijn onaangepastheid: hij gedraagt zich niet direct zoals dat een ridder betaamt: bij het minste of geringste trekt hij zijn zwaard en slaat hij erop los als een randgroepjongere. Pas na een paar diepgaande lessen in ridderlijkheid, van zijn collegae van Arthurs hof, een soort inburgeringscursus zullen we maar zeggen, weet Moriaen zijn doelen te verwezenlijken. Naarmate hij zich verder aanpast, wordt in het verhaal steeds minder naar zijn huidskleur verwezen. Althans volgens degene die het boek inleidde in 1970; zij ziet dit als een aanwijzing dat wij die kleur symbolisch moeten opvatten.

Zonder dit overigens te willen bestrijden, denk ik dan: als een lezer een aantal keren heeft gelezen hoe zwart die ridder wel was (ende alse sward, alse en rauen; in de dertiende eeuw was het wellicht nog geen cliché!), weet hij of zij het wel.

De denkfouten van de heer Groenberg gaan verder dan etymologische misvattingen; daarover is door anderen genoeg gezegd, ik hoef er niet op in te gaan, het is toch de Moriaan geschuurd. Maar die stommiteiten, die op zichzelf onschuldig lijken, hebben ons wel een gekoesterd stukje cultuurgoed, de negerzoen, gekost. De allerlaatste kregen we van Aldith Hunkar bij het NOS journaal, díe maakte veel goed. Maar hoe lang zal het nog duren voor onze geschoolde Marokkanen boos worden over de moorkop?

Nee, nu iets heel anders: ook ik koester een etymologische droom: ik hoorde eens mijn oom, die nog een vooroorlogse eruditie bezit, beweren dat het woord ouwehoeren niks te maken met prostituées op leeftijd. Volgens hem gaat dit woord terug op het Latijnse augur, dat is ziener, priester, vogelwichelaar. Klinkt aannemelijk, nietwaar? Gedurende de Middeleeuwen is dan de herinnering, aan vervolgingen en oppositie in het Romeinse rijk, blijven voortleven. Tegenover de absolute waarheden van de kerkelijke dogma’s en de evangeliën stelde men de uitspraken van de vele soorten heidenen, waarvan de Romeinen slechts de eersten waren.

Is het dan niet logisch, dat aan de woorden van al die valse priesters en sjamanen van meet af aan het werkwoord auguren, gaandeweg ouwehoeren: ‘onzin kletsen’ verbonden was? Hoe ergerlijk is het dan niet om, wat zo vaak gebeurt, de spelling oudehoeren te lezen, in feite een verkeerd begrepen uiting van correct taalgebruik. Het WNT heeft onder het lemma hoer allerlei oud-Germaanse vormen die misschien allemaal teruggaan op het Latijnse carus. Maar zeker is dat helemaal niet. De Indo-Europese wortel is kā-. Waarom geven de etymolo-gische woordenboeken, noch de Van Dale, noch enig ander uitsluitsel over ouwehoeren?

Kan iemand dit niet eens voor mij uitzoeken?

Jan van Aken is al eens de Nederlandse Umberto Eco genoemd. Zijn tweede roman, De valse dageraad, werd genomineerd voor de Seghers Literatuurprijs.


Reacties gesloten. Reageren? Mail de redactie.

« home