Erdoğan moet kleur bekennen
Dennis l’Ami

Het is 2 juli 1993, een hete vrijdagmiddag in Sivas, Turkije. In het Madımak hotel is een Alevitisch festival aan de gang ter ere van de 16e-eeuwse Alevitische dichter Pir Sultan Abdal. Vele linkse intellectuelen hebben zich verzameld in het hotel, voornamelijk Alevieten, die behoren tot een liberale stroming binnen de Islam.
Terwijl het evenement in volle gang is, verzamelt een groeiende groep rechts-extremisten zich na het vrijdaggebed rondom het gebouw. Ze schreeuwen leuzen en vooral schrijver Aziz Nesin moet het ontgelden. Hij heeft het gewaagd passages uit De Duivelsverzen van Rushdie te vertalen en is één van de aanwezigen.
De woedende menigte breekt op enig moment door het politie cordon en sticht brand, die zo’n tien uur zijn verwoestende werk zal doen. Brandweer en politie kijken toe. Zevenendertig mensen komen om, waaronder vele bekende intellectuelen, twee hotelmedewerkers en de Nederlandse studente culturele antropologie Carina Thuijs.
Een bijzonder wrang detail is dat Aziz Nesin niet wordt herkend als hij probeert weg te komen uit het brandende hotel. Niemand uit de menigte kent zijn gezicht, niemand uit de menigte heeft zijn boeken gelezen.
Bijna twintig jaar later, een grauwe dinsdag in Ankara. Weer is er een menigte op de been. Ditmaal zijn het vooral studenten die protesteren tegen een uitspraak van het Hooggerechtsof. Dat heeft zojuist besloten de laatste verdachten van het bloedbad in Sivas te ontslaan van rechtsvervolging op grond van verjaring.
Waren de verdachten overheidsvertegenwoordigers geweest, dan hadden de kansen juridisch anders gelegen, zo stelt het Hof. De CHP, Turkije’s grootste oppositiepartij, heeft tot zeventien keer toe (!) geprobeerd die kansen te keren door een motie in te dienen om de brand als een misdaad tegen de mensheid te berechten. De laatste poging was 6 maart jongstleden, een week voor de uitspraak in de zaak. Tevergeefs. De regerende AK-partij van Premier Erdoğan blokkeerde tot dusver iedere motie. Als reactie op de uitspraak zei Erdoğan afgelopen dinsdag na een partijvergadering: “Laat dit een zegen zijn voor ons land.”
Een ijskoud antwoord. Met zo’n leider heb je als Aleviet geen vijanden meer nodig in eigen land. En het is niet het enige probleem voor de Alevitische minderheid, die uit zo’n twintig miljoen mensen bestaat. In 2007 wordt Turkije op de vingers getikt door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens omdat zij weigert de Alevitische minderheid eigen godsdienst-onderwijs te gunnen.
Hoewel Turkije volgens de Grondwet religieuze vrijheid kent en heeft beloofd het onderwijs aan te passen, gaat het er in de praktijk meestal anders aan toe. In Alevitische wijken worden enkel Soenitische moskees gebouwd, omdat de zogenaamde cemevi (Alevitisch gebedshuizen) niet officieel worden erkend door het Presidium voor Godsdienstzaken (De Diyanet İşleri Başkanlığı). Deze Diyanet geeft in de praktijk geen subsidies aan organisaties die niet Soenitisch zijn. Tot zover de vrijheid van godsdienst en onderwijs. Dat er gevaarlijke, uitsluitende kanten zitten aan deze vorm van staatsislam is evident.
Turkije kent een lange geschiedenis van geweld tegen minderheden. In de nacht van zes op zeven september 1955 werd een gerucht verspreid dat het geboortehuis van Atatürk (de grondlegger van de republiek) in Thessaloniki was vernield door Grieken. Hierop brak in Istanbul een lynchpartij uit, die pas ophield nadat twaalf Grieken waren omgekomen door bruut geweld en vele winkels en gebouwen waren geplunderd of afgebrand. Ook Joden en Armenen moesten het die dag ontgelden. De meeste plunderaars kwamen van buiten de stad en werden met vrachtwagens binnen gebracht, zo werd later bekend.
Wat opvalt, is het georganiseerde karakter van de acties en de wegkijkende overheid, wat later nog vaker zou voorkomen. In december 1978 kwamen meer dan honderd Alevieten om toen een uitzinnige menigte van Soennieten huishield in Alevitische wijken in Maraş. Wederom waren geruchten de oorzaak: linkse krachten zouden uit zijn op de vernietiging van de plaatselijke moskee. Alle ruim achthonderd verdachten werden vrijgelaten in 1991, op last van het Hof van Cassatie.
Ten tijde van deze gebeurtenissen werden in Maraş Alevitische huizen beklad met rode verf, waarvan gezegd werd dat het een herkenningsteken was voor nationalisten om dat huis met de grond gelijk te maken, iets wat ook gebeurde. In 1980 vond een vergelijkbaar bloedbad plaats in Çorum. Zevenenvijftig doden, honderden gewonden en duizenden vluchtelingen.
Onlangs nog ging er een siddering door de Alevitische gemeenschap toen er wederom rode tekens verschenen op Alevitische huizen, ditmaal in Adıyaman. Minister van Binnenlandse Zaken Şahin deed het af met een simpel: “Dat hebben kinderen gedaan.” Gezien de gebeurtenissen in ’78 en ’80 een weinig empatische uitspraak.
Bovenstaande strookt dan ook totaal niet met de recente buitenlandse politiek van het Turkije onder de AKP. Economisch gaat het goed, het streven is binnen een aantal jaren tot de top tien van grootste economiën ter wereld door te dringen en dat lijkt een haalbare kaart. Inmiddels komt een kwart van alle export terecht in het Midden-Oosten en Noord-Afrika, wat de Turkse invloed in deze regio enorm doet toenemen.
Turkije laat zich, voor het eerst sinds de val van het Osmaanse Rijk, weer gelden op het wereldtoneel. Ook politiek is dit te merken. De scherpe bewoordingen van Premier Erdoğan aan het adres van de Syrische president Assad lieten weinig aan de verbeelding over: “De toekomst kan niet worden gebouwd op het bloed van de onderdrukten.”
Ware woorden. Erdoğan is bereid op te komen voor de gehele wereld, en kijkt vaak naar de horizon. Het zou hem sieren als hij eens wat vaker over z’n schouder zou kijken.
Dennis l’Ami studeert aan de Haagse Kunstacademie en publiceerde vorig jaar de roman De Eeuwige Mens. Lees zijn weblog.





RSS