Frontaal
Naakt

4 februari 2008

Alááf

Lagonda

Tang16 (38k image)
Tang Jiali

Dit keer geen al te diepgravende overwegingen van uw columnist. Het is immers carnaval, en daar heb ik iets mee. Ja, ik weet het — carnaval is plat, achterlijk en boers. Carnaval is voor katholieke feestneuzen, kontenknijpende middenstandsmannetjes en wanhopige muffe ouwe vrijsters die eindelijk weer eens aan de beurt komen. Carnaval is veel bier, veel kotsen, nog meer bier, nog meer kotsen, en schunnige liedjes zingen in bruinlederen dialecten. Carnaval is te dom voor woorden. Vol overgave meedoen met carnaval, kan ik ook helemaal niet; daar ben ik te gereserveerd voor. Het drinktempo is geen probleem, het uitschakelen van mijn zelfkritische systeem wel. Wellicht ben ik te ijdel om ongedwongen in te haken en mee te lallen. Daarbij: tijdens een polonaise struikel ik altijd over de benen van mijn voorganger. Meelopen in een polonaise is een stuk moeilijker dan het lijkt.

En toch doet het me iets. Op weg naar de supermarkt stond ik een kwartier vast in een colonne praalwagens die op weg waren naar de optocht. De stemming zat er al lekker in: twintig kerels, waarvan ik in één duidelijk mijn fysiotherapeut herkende, hadden plastic tieten om hun kop gebonden, en waren fijn aan ’t hossen op hun wagen. Op deze wagen lag, omringd door kartonnen stoplichten, een gigantische vrouwenborst. De tepel stak fier de lucht in, en lichtte zo nu en dan felrood op. De gemeente hèf tiet zat!, stond er ter verduidelijking in feestelijke letters op de zijkant. Na enig denkwerk was ik er uit: de beloofde bouw van een kruispunt was onlangs voor de zoveelste keer uitgesteld, tot teleurstelling van de burgers. Een klacht aan het adres van onze bestuurders dus, vormgegeven als een nauwelijks gesublimeerde mannenfixatie. Nou ja, het is weer eens wat anders dan een ingezonden brief. En ik kan er niets aan doen; ik vind het leuk! Ik zie volwassen kerels doodserieus voor de spiegel staan om te checken of hun plastic tieten goed zitten, en ik moet onwillekeurig grinniken.

Wat mij altijd het meest verheugt aan dit soort lolbroekerij, is de ernstige toewijding waarmee het vervaardigd wordt. Al in september zijn de bouwtekeningen voor de praalwagen gemaakt, en zijn bij de fopwinkel in de grote stad een twintigtal omknooptieten besteld. Maandenlang is er zorgvuldig geverfd en gezaagd, er zijn sponsoren, tractors en geluidsinstallaties geregeld, en belangrijke voetbalavondjes zijn afgezegd omdat er nog 15 kostuums gestikt moesten worden. Humor is een serieuze zaak, en toch heeft het allemaal iets heerlijk lichtvoetigs: eensgezind is men heel hard bezig met het scheppen van ledigheid, daarbij voortgestuwd, niet door bitterheid, wrevel of wraak, maar door louter enthousiasme en kinderlijke maakdrift. Ook de hoge mate van infantiliteit wijst op de onschuld van het fenomeen: het wemelt altijd van de poep- en piesgrappen, en met name dus mannen met een moederborstcomplex komen ruim aan hun trekken. Het is ontwapenend, en oneindig relativerend. Want al die minutieuze voorbereidingen dienen slechts één niet mis te verstane boodschap: neemt u ons toch vooral niet serieus!

In het kader van het integratiedebat wordt nogal eens gesproken over “Nederlandse” normen en waarden, in relatie tot “andere” normen en waarden. Vroeger of later valt dan de vraag: wat zíjn die Nederlandse normen en waarden? Wat ís die Nederlandse volksaard? Als een troep aangeschoten vogels fladderen de gesprekspartners dan uiteen, bang al ze zijn dat hen “nationalisme” verweten zal worden zodra men een poging waagt “de Nederlandse volksaard” onder woorden te brengen. Pas als heel duidelijk is gemaakt dat men niks geeft om voetbal, niks geeft om de Nederlandse vlag of het koningshuis, vooral niet trots is op Nederland, en men zelfs het Wilhelmus niet eens kan zingen, waagt men het bedremmeld met wat algemene kwalificaties op de proppen te komen. “Erm, nou ja, we zijn een volk van individuen, toch? Die allemaal hun gang een beetje willen gaan, toch? Of niet?”

Aan deze terughoudende wijze waarop de Nederlander zijn volksaard definieert, is de Nederlandse volksaard juist het beste te herkennen. De Nederlander wil namelijk heel serieus vooral niet serieus genomen worden. Alles moet in de lucht blijven hangen, en vooral geen gewicht krijgen. Want zodra iets gewicht krijgt, raakt het vol van zichzelf; het zakt in de grond en raakt daar verankerd in onwrikbare en pompeuze zelfzucht. En daar houdt de Nederlander niet van. Gewichtige gezagsdragers, gewichtige geloofshoeders, gewichtige kunst of cultuur en gedragen nationalisme; daar wil de Nederlander in een grote boog omheen kunnen lopen, in de hoop een groepje andere Nederlanders tegen te komen waarmee men gebroederlijk de narcistische stenen des aanstoots uit kan lachen.

Kunt u zich nog die foto herinneren van die Hagenees, die zich met zijn lul uit zijn broek had laten vereeuwigen, in joviale omarming met burgermeester Deetman? Ja, natuurlijk kunt u zich dat herinneren. “Moet dat nou?”, sprak een enkele mopperaar voor de vorm, maar stiekem vond iedereen het natuurlijk hilarisch: dat rare pafferige regentenkrieltje Deetman werd te kakken gezet! Die daad, dát is nou de Nederlandse volksaard in optima forma! Ja, het is bot, het is plat en het is ordinair… maar het is ook uiterst effectief! Lekprikken, ontmaskeren, terugbrengen tot ware proporties: voor Nederlanders is dat volkssport nummer één.

Wij zijn namelijk Geuzen. We zijn bot, ongecultiveerd, en wars van enige pretentie of dikdoenerij — en daar zijn we bijzonder trots op! In geen land waait de alles-relativerende zeewind van de simpele lol zo verfrissend als in onze platgeslagen moerasdelta. De volmaakte pretentieloosheid van onze geuzenlol wordt zelfs niet door de onvolprezen Britse humor bereikt — want ook die is nog te vol van zichzelf. En er is geen samenleving ter wereld waar boertige luim een zo essentiële bijdrage aan heeft geleverd. Met onze platte grappen wordt in feite uiting gegeven aan een weerzin voor ijdelheid. Een weerzin die in ons landje zorgvuldig wordt gecultiveerd, en waar veel typisch Nederlandse fenomenen diep in zijn geworteld. Calvinisme, André van Duin, carnaval, Freek de Jonge, Geenstijl, het poldermodel, Gregorius Nekschot, cabaret, ludieke hippies… het drijft allemaal op dezelfde diepe behoefte aan zelfrelativering. Doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg.

Dit vermogen tot zelfrelativering is iets bijzonders, en, in mijn optiek, ook geheel in overeenstemming met de Schepping, waar immers ook maar weinig absoluutheden in zijn te vinden. Ik acht het een grote deugd in staat te zijn heiligheden los te laten, en te spotten met het dorre gelijk en de stalen autoriteit die kerkvaders en machthebbers in de regel opeisen. Maar dit vermogen tot relativering is tegelijkertijd onze zwakke plek; het maakt ons soms onzeker. Want waar staan we eigenlijk? Hoever kunnen we gaan? Wij zijn kwetsbaar voor de schreeuwer met de grote bek, voor de gelijkhebbers, voor de Bijbelrammers en Koranduiders. Bedeesd zetten we een stap terug, en houden uit respect onze mond. Maar nooit voor lang: vroeger of later begint een Nederlander te gniffelen, zet een mal hoedje op, gaat tussen de schuifdeuren staan, en maakt met een zorgvuldig ingestudeerde act de narcistische gelijkhebber voorgoed belachelijk. De lach die hiermee geoogst wordt, is een bevrijding. Ja, iedereen had al het idee dat die ene meneer zichzelf wel erg serieus nam — goed dat dit even aan iedereen duidelijk werd gemaakt!

Veel mensen maken zich druk over de toekomst van de vrijheid van meningsuiting in ons land. Ik vraag me echter af of het echt zo’n vaart zal lopen. Wij blijven Geuzen, met een niet te stillen dorst naar lol. Het liefst hingen we allemaal onze pik uit de broek, en gingen we met iedereen op de foto: met meneertje de minister-president, met meneertje Bush, met mevrouwtje de majesteit, met meneertje pastoor, met meneertje de paus, met meneertje Jezus en meneertje God — en dus ook met meneertje Mohammed of meneertje Allah. De lachende tiefus voor iedereen! Wij zullen altijd de mogelijkheid willen behouden uiting te geven aan de grofst mogelijke schofferingen. En tja, daar is dus vrijheid van meningsuiting voor nodig; onversneden en onvoorwaardelijk.

Ik sta inmiddels nog steeds klem tussen de carnavalswagens. Ik werp een blik naar links; daar rijdt Gredje de Waal, vaste exponent van elke carnavalsoptocht in de verre omtrek. Als uitbater van snackbar De Vette Punt maakte hij al jaren geleden furore met Het Frikadellenlied, nog steeds gratis op CD bij een bestelling van meer dan 10 frikadellen, één exemplaar per gezin:

Frikadelle delle delle delle delle

Joa, die kunde bij mijn gerus bestelle

Ik heej ze lang, ik heej ze kort of meej un korsje

Luste ze nie, dan bestelde moar un worsje

Tijdens het carnaval van 2002 (na 11 september dus) scoorde Gredje weer een plaatselijke hit. Uit het diepst van mijn geheugen put ik de volgende regels:

O-o-o-o-samaaa, wat bende toch veur’n kèrl?

O-o-o-o-samaaa, trek hier us oan de bel

Doe’s nie zo agressief en dan is allus okee

Dus nim die theedoek vande kop en gif un rondje in’t café

Het overweldigende succes van deze prachtige hymne indachtig, was Gredje dit jaar opnieuw bezig aan een praalwagen over de islam; een project dat hij vanwege de cartoonrellen voortijdig moest staken, want geen grappen over de islam dit jaar! Maar desalniettemin is Gredje toch van de partij. Grijnzend zit hij in zijn auto, en trekt een aanhanger vol bouwpuin en verwrongen staal. Achterop prijkt een groot bord: Dit is GEEN grap! Lachend stoten de toeschouwers elkaar aan, en wijzen naar de tekst. Iedereen snapt ‘m. Ik ben gerust. Vrijheid van meningsuiting voorgoed inperken? Hier? Ik zie het nog niet gebeuren.

Lagonda is 49 procent mannelijk, 51 procent vrouwelijk en 100 procent esotericus. Haar schrijfstijl wordt door sommigen ervaren als ‘een warm bad’, door anderen weer als ’totaal genadeloos’. Het is maar hoe de pet staat. Meer op de Lagonda blogspot.


Reacties gesloten. Reageren? Mail de redactie.

« home