De zwarte Christus
Peter Breedveld
M’bona was een eenvoudige boerenkinkel, een lid van de Mang’anja, een volk in Zuid-Malawi. Niemand wist wie zijn vader was, dus in de ogen van zijn gemeenschap was hij een hoerenzoon. Op een leeftijd waarop iedere Malawische man al lang en breed getrouwd was en kinderen had, woonde M’bona bovendien nog met zijn moeder in een hut, waardoor de mensen roddelden over incest.
Een periode van droogte brak aan, en het was de taak van de koning om door middel van een regendans voor regen te zorgen. De koning danste, maar regen bleef uit. Ook het dansen van de koningszonen haalde niets uit. Toen kwam iemand op het idee om M’bona te laten dansen.
M’bona wilde wel, maar onder voorwaarde dat alle kinderen van 3 tot 8 jaar werden opgesloten in een hut, ook de kinderen van de koning. Zo geschiedde en M’bona zorgde al dansend voor regen. Tijdens de regendans had een zoon van de koning zich echter uit de hut weten te bevrijden. Hij werd onmiddellijk door de bliksem getroffen en in tweeën gespleten.
Nu waren de Mang’anja gered van de hongersnood, maar de moeder van de gestorven koningszoon eiste genoegdoening voor de dood van haar zoon. M’bona moest sterven. Urenlang hakten de mannen met messen en speren op M’bona in, maar steeds als de wapens zijn lichaam raakten, veranderden die in grashalmen.
M’bona kreeg medelijden met ze en raadde ze aan het eens te proberen met grashalmen. Zo gezegd, zo gedaan. De mannen haalden grashalmen en sloegen er M’bona zijn hoofd mee af. Een rivier van bloed vormde zich, de Shire-rivier, die nog altijd het land van de Mang’anja bevloeit.
Cultureel antropoloog en priester Matthieu Schoffeleers maakte kennis met M’bona toen hij in de jaren vijftig en zestig als katholieke missionaris in Afrika werkte. ‘De zwarte Christus’ noemt hij hem. Schoffeleers raakte verknocht aan de regengod. Hij zegt als vijfjarige al visioenen van M’bona te hebben gehad, al wist hij toen nog niet dat het om M’bona ging. “Een grote, zwarte slang die me met doodsangst vervulde”, vertelt de hoogleraar emeritus, die tot 1985 een leerstoel aan de Amsterdamse Vrije Universiteit bekleedde. Toen Schoffeleers vele jaren later in Malawi een aan M’bona gewijd heiligdom, gewijd bezocht, ontdekte hij dat één van de incarnaties van deze god een grote zwarte python is.
Het verhaal van M’bona doet hem denken aan een passage in het bijbelboek Filippenzen:
Laat dezelfde gezindheid onder u zijn als in Christus Jezus was, die, hoewel hij Gods gestalte had, er niet aan dacht de gelijkheid met God door roof zich toe te eigenen, maar zichzelf ontdeed van de heerlijkheid, door een knechtsgestalte aan te nemen en uiterlijk aan een mens gelijk te worden. In de gedaante van een mens aangetroffen, vernederde hij zich en werd gehoorzaam tot den dood, ja, den dood des kruises. Daarom heeft God hem zeer verhoogd en hem den naam die hoger dan alle namen is gegeven.
“Steeds als ik die verzen tijdens de paasmis voorlees, krijg ik tranen in mijn ogen”, aldus Schoffeleers.
In Afrika ontdekte hij het verbluffende aantal overeenkomsten tussen zijn eigen geloof en de traditionele, Afrikaanse religies, en hoe universeel het lijden van Christus is. Net als Christus is M’bona de zoon van God, die zijn vader beloofde garant te zullen staan voor de mensheid, omdat die niet helemaal was geschapen zoals God voor ogen had gehad. God wilde dat de mensen maar één been zouden hebben, maar liet de uitvoering over aan een vertrouweling. En zoals Satan in het Oude Testament Adam en Eva verleidde tot het eten van de Boom der Kennis, zo gaf die vertrouweling de mensen stiekem toch twee benen. “Dat wil zeggen: hij gaf ze een seksuele identiteit”, licht Schoffeleers toe.
Door de mensen twee benen te geven, maakte Gods helper ze symmetrisch en daarmee en overal ter wereld, in elke cultuur en elk tijdsgewricht, bestaat een diepgewortelde angst voor symmetrie, voor identieke halven. “Tweelingen zijn overal gevreesd vanwege de rivaliteit rond de erfopvolging”, vertelt Schoffeleers. “Door de rellen die daardoor ontstaan kan een clan uiteen vallen en dat is funest voor primitieve culturen. In veel Afrikaanse tradities wordt de helft van een pasgeboren tweeling daarom aan zijn lot overgelaten.”
Die angst voor tweelingen speelt ook in de bijbel een grote rol. “Denk maar aan Jacob en Esau”, aldus Schoffeleers. Nadat Jacob Esau door middel van een list zijn eerstgeboorterecht heeft afgetroggeld, moet hij vluchten voor de wraak van zijn broer. Als hij jaren later als rijk man weer terugkeert, worstelt hij een hele nacht met een engel, die hij tenslotte om zijn zegen vraagt. De engel trapt hem daarop zo hard tegen zijn heup, dat Jacob kreupel wordt. Jacob is nu eenbenig, asymmetrisch. De weg naar vrede met zijn tweelingbroer ligt hiermee open.
Nu naar het paasverhaal. De gekruisigde Jezus is het summum van symmetrie. “Met die twee boeven die aan weerszijden van hem hangen wordt dat nog eens extra aangezet”, zegt Schoffeleers. “Het zijn echter alleen de misdadigers wier benen worden gebroken. Die van Jezus worden intact gelaten, want hij is het paaslam.”
Toch moet op één of andere wijze de symmetrie moeten worden verstoord om het heil zich te laten voltrekken. De oplossing vinden we in het evangelie van Johannes, het enige van de vier evangeliën waarin een Romeins soldaat de gekruisigde Jezus een lansstoot in zijn zij toedient. “Uit het gat in zijn zij stromen water en bloed, asymmetrische stoffen”, legt Schoffeleers uit. “En daarmee is de hemel voor de mensheid geopend.”
Eerder gepubliceerd in Ad Valvas, weekblad van de Amsterdamse Vrije Universiteit.






RSS