Frontaal
Naakt

5 september 2012

Meneer B.

Hedwig Vos


Foto: Maxim Vakhovskiy

Hij had altijd een speldje van een rode tomaat op zijn kleding. Dan hadden we het over politiek. Een geliefd onderwerp van mij. Maar we hadden het over meer. Hij kwam graag bij mij. Niet dat hij de deur plat liep, maar we hadden een klik.

Hij is een keer naar een andere praktijk gegaan na een meningsverschil met een praktijkmedewerker. Snel was hij weer terug. Niet met hangende pootjes, maar gewoon. Omdat er volgens hem maar één dokter was die met hem om kon gaan. Zo lastig vond ik hem niet, maar dat was hij blijkbaar wel. Ik vind mensen met wie ik een klik heb zelden lastig. Misschien ben ik zelf wel lastig.

Hij werd ouder. Hij kreeg een interne aandoening en daarna een hartkwaal waarvoor hij risicovolle medicatie moest gebruiken. Op een dag kwam z’n dochter vertellen dat het niet goed ging. Hij gooide al z’n medicatie door elkaar, wat niet zo gek was met meerdere medicatiemomenten per dag.

Als ik bij hem langs ging, was er niets aan de hand. Hij maakte geen vergeetachtige indruk. Hij was eigenwijs, maar dat was niets nieuws. Ik regelde thuiszorg om hem te helpen met de medicijnen. Die bemoeials sloeg hij het huis uit met zijn wandelstok. Letterlijk, helaas. Maar als ik langs kwam, was er nog altijd niets aan de hand.

Zijn interne ziekte nam toe doordat hij z’n medicatie niet goed innam. Een korte ziekenhuisopname in overleg met z’n specialist trok de boel weer een beetje vlot. Op mijn verzoek werd tijdens de opname gekeken of er sprake was van dementie. Het was meer voor de zekerheid, want ik kon het me nauwelijks voorstellen. Hij kende de naam van mijn kind uit zijn hoofd. Welke demente kent nou de naam van het kind van z’n huisarts uit z’n hoofd?

Hij had Alzheimer. En blijkbaar zat ik zo in zijn systeem dat hij de naam van mijn kind onthield.

Het ging thuis niet. Het was gevaarlijk. Dwalen, de thuiszorg het huis uit slaan, medicatie door elkaar halen, de mantelzorg overspannen, alles. Een gedwongen opname in een verpleeghuis volgde. Wat gaf me dat een kutgevoel. Alsof ik hem verraadde. En in zekere zin deed ik dat ook door het inschakelen van de crisisdienst. Maar ik kon als dokter niet gaan zitten afwachten.

De eerste maanden wilde hij me niet zien. Via zijn dochter hoorde ik hoe het hem verging. Hij is nog een keer ontsnapt uit het verpleeghuis. Met rollator en al van zes hoog de trap afgeklommen. We hebben daar nog om zitten lachen, z’n dochter en ik. Een tragikomisch beeld. Hoe graag wil je dan vrij zijn?

Op een gegeven moment kon hij het aan om mij te zien. Zijn boosheid was weggezakt. En elke keer als ik langs het verpleeghuis reed waar hij woonde, en dat was vaak, bedacht ik me dat ik echt bij hem langs moest. Maar het kwam er niet van. Druk, praktijk, kind, vergaderingen, nascholing, administratie, dienst, noem maar op.

Ik was net bevallen van mijn tweede. Ik had verlof en mijn assistente belde me dat het heel slecht met meneer B ging. Samen met de baby ben ik naar hem toe gelopen. Hij wist nog precies wie ik was en hij wist ook heel goed dat ik net weer moeder geworden was. Ik zat nog steeds in zijn systeem, zo dement als hij was. Een paar dagen later overleed hij. Ik ben blij dat ik hem nog gezien heb.

Hedwig Vos is huisarts, promovendus, moeder, chocoholic en PvdA’er.


Reacties gesloten. Reageren? Mail de redactie.

« home