Sharia
Jamila Laoudadi

Illustratie: Jacob Collins
In een Haags huiskamerrestaurantje wisten mijn Nederlandse vriend en ik ons meteen bij binnenkomst verzekerd van de geconcentreerde aandacht van het gezelschap aan de belendende tafel. Duidelijk hoorbaar begonnen de dame en twee heren te speculeren over mijn etniciteit. Ze heeft iets Indisch Volgens mij is ze Indiaas In Zuid-Italië heb je ook zulke donkere vrouwen. Marokkaans? Met dat steile haar? Neeee.
En gewoon blijven kijken, ook toen ik voorzichtig een paar keer terugkeek. Pas toen mijn vriend lang en hard bleef terugstaren, besloten ze uiteindelijk hun aandacht weer te richten op wat er op hun borden lag.
Dit gebeurt ons niet vaak, zeker niet in de grote stad. In één van die typische middelgrote rijke babyboomergemeenten werden we op een zomerse zondagmiddag eens door iedereen aangestaard, totdat we ons zo opgelaten voelden dat we ons heil maar ergens anders zochten. Marokkaanse mannen hebben er ook een handje van om nadrukkelijk te kijken, alsof hún persoonlijke eer is aangetast door de stamgenote die met een Nederlandse kerel aanpapt.
Marokkanen hebben meteen door dat ik ook uit lebled kom, voor de meeste Nederlanders blijft het gissen. Ik ben al voor alles uitgemaakt, tot Cherokee aan toe. Dat is best leuk, maar om als een stel negentiende-eeuwse antropologen hardop aan de hand van mijn uiterlijke kenmerken te discussiëren over welke diersoort ik vertegenwoordig, gaat mij iets te ver. Kom het me vragen, als je het per se wilt weten. Ik spreek gewoon Nederlands. Kun je meteen doorzagen over waarom ik geen hoofddoek draag, of ik besneden ben en wat mijn vader ervan vindt dat ik met een Nederlandse jongen ben.
En het waren geen tokkies of zo, integendeel. Deze mensen behoorden tot de hogere middenklasse. Ik schatte ze in als PvdA-stemmende staatsambtenaren, sowieso de meest racistische Nederlanders die ik ken. Zullen het woord kut-Marokkaan’ nimmer in de mond nemen, maar menen wel de zeggenschap te hebben over elk aspect van je leven, zelfs je over je intiemste gevoelens. Praten daarover met elkaar alsof je er niet gewoon bij zit. Alsof je een onmondig kind bent van 33 jaar.
Naarmate de avond vorderde, raakten de drie steeds aangeschotener en werden ze ook steeds luider. Nu praatten ze over iemand die niet aanwezig was, een afdelingschef, vermoedde ik, of projectmanager of hoe dat dan ook heet (ik ben kleine zelfstandige en heb er het meeste baat bij in gewone mensentaal te communiceren). Een meerdere, in elk geval, die beslissingen genomen had die bij de drie niet in goede aarde waren gevallen en die één van hen overduidelijk had geschoffeerd. De details weet ik niet, want we luisterden ze niet bewust af, vingen alleen af en toe een flard op.
Eén van hen liet door de serveerster/eigenaresse van het restaurant in rap tempo glazen bier aanrukken en zijn hoofd werd steeds roder. Op zeker moment sloeg hij met zijn vlakke hand op tafel en schreeuwde: Ze zouden de sharia moeten invoeren! Zijn twee tafelgenoten keken geschrokken en uit hun monden klonk simultaan: De sharia? – Ja! De sharia!, sprak de dronkelap. En m dan zijn kop afhakken! Die klootzak! De tafelgenoten begonnen nu besmuikt te lachen. Ja, ja, soms zou je sharia willen invoeren, zei de vrouw. Hèhè grinnikte de man. Onder de sharia zouden ze wel raad weten met dat soort types.
Ze vielen even stil en keken toen onze kant op, met op hun gezichten iets wat op een betrapte uitdrukking leek. We keken glimlachend terug. Ik hief mijn glas en zei: Op de sharia!
De dronkelap slaakte een vermoeide zucht.
Jamila Laoudadi (1975) koestert haar twee paspoorten en het harira-recept van haar moeder.





RSS