Yogya (2)
Peter Breedveld

In de minibar van ons overigens fantastische hotel in Yogyakarta hebben ze geen witte wijn, dus gingen we naar de avondwinkel aan de overkant van de straat om een flesje te kopen. Zonder witte wijn tot mijn beschikking voel ik me onthand. Maar in die avondwinkel hadden ze alleen een klein flesje waar ‘sparkling white wine’ op stond, verder niks, en we besloten onverrichter zake de winkel weer te verlaten.
Maar dat ging niet zomaar! Toen we ons in de richting van de uitgang bewogen, haastte één van de winkelbediendes zich naar de deur met een emmer sop en ze begon die met tergend langzame bewegingen schoon te maken, van boven naar beneden. We wachtten tot ze klaar was, maar toen ze de deur van boven naar beneden met de spons had afgenomen, herhaalde ze dezelfde handeling nog eens in tegengestelde richting, van beneden naar boven. Ze keek Hassnae even aan en zette daarbij haar schijnheiligste glimlach op. Het was su-pe-ri-eur. Grote klasse. Ik had onmiddellijk respect voor haar.
Daarvoor waren we naar Omar Duwur geweest, volgens de Lonely Planet één van de beste restaurants van Yogya. Tot dan toe hadden we alleen in het hotel nog lekker Indonesisch gegeten en we wilden de laatste avond voor ons vertrek naar Bali op een culinair waardige manier afsluiten. Het regende, maar we besloten toch per becak te reizen, omdat ik nou eenmaal moeilijk nee kan zeggen tegen opdringerige oude mannen met staarogen. Het was een heel eind en verre van comfortabel (Hassnae’s billen staan eigenlijk geen tweede passagier in een becak toe) en een paar keer dacht ik dat onze bejaarde becakrijder het leven zou laten (zo klonk het echt), maar na een adembenemend half uurtje (auto’s en brommers kwamen in het donker recht op ons af, om pas op het allerlaatste moment uit te wijken) kwamen we bij Omar Duwur aan.
Die Hassnae is trouwens een harde, zeg! Toen ik de becakrijder vroeg hoeveel de rit ons zou kosten, overlegde hij heel lang met zijn maten, en noemde toen het bedrag van 40.000 rupiah. Dat is nog geen vier euro, maar hij keek erbij alsof hij 75 euro had gezegd. Hassnae lachte hem recht in zijn gezicht uit en stelde 20.000 rupiah voor. “Wat?”, zei ik, “wil je hem echt maar twee euro betalen om ons helemaal naar de andere kant van de stad te laten rijden? Door de regen?” Dus ze zei oké, 40.000 rupiah. Bij het restaurant gaf ik hem 50.000 en zij gaf hem nog een keer 10.000, zo is ze dan ook wel weer.
Hij wilde op ons wachten, maar dat wilden we niet, want dan zit je niet lekker, als je weet dat buiten in de regen een sloeber op je staat te wachten. “Ga naar huis! We nemen de taxi terug! Nee, niet op ons wachten! Naar huis gaan! Neehee, echt niet, willen we niet!” Dus wij naar binnen in dat hippe restaurant, waar Yogya’s verwende rijkeluisjeugd én een boel Lonely Planet-lezers achter hun trendy gerechten zaten.
Het was kut met peren. Hassnae had een stuk gemummificeerde vis (red snapper, ik vergeet altijd op te zoeken wat dat ook al weer is) en ik een gefrituurd kuikentje waar nauwelijks iets eetbaars aan zat, dat hadden we snel bekeken. Buiten op straat kwam daar toch die becakrijder weer te voorschijn. “Hellóóó!” We hadden eigenlijk een taxi willen nemen, maar ja, zo’n bejaarde becak-rijder met staarogen is toch wel zielig (Hassnae vindt dat racistisch van mij). Dus hebben we hem weer zijn longen uit zijn lijf laten puffen en hijgen voor 20.000 rupiah. Bij het hotel bleek hij niet van 50.000 terug te hebben, dus hebben we het maar zo gelaten.
Volgens mij hebben we eigenhandig de hele Yogyakartaanse becak-markt verpest.
Morgen: via de hel van Garuda Airlines naar het Balinese paradijs.





RSS