Jodenneus
Peter Breedveld

Ik wou dat je nooit was geboren, schreeuwt de Argentijnse Jood Kaddish Poznan tegen zijn zoon Pato. Daarna wordt er op de deur geklopt en krijgt Kaddish zijn zin. Vier mannen in pak nemen Pato mee en dan is het net of hij nooit was geboren. Zelfs het bestaan van zijn naam wordt ontkend, ontdekken Kaddish en zijn vrouw Lillian als ze de politiebureaus en ministeries afstruinen, op zoek naar hun zoon.
Als Pato verdwijnt, zijn we al op een derde van Nathan Englanders nieuwe boek The Ministry of Special Cases, dat zich afspeelt in Argentinië ten tijde van de militaire coup in 1976. Het stoorde me aanvankelijk dat de familie Poznan zo enorm Amerikaans aandoet. Kaddish is bijvoorbeeld geen archetype van de Latijnse vader, niet de autoritaire macho die ik - vergeef me de generalisatie - gewend ben in Latijnse families. Hij heeft nauwelijks macht over zijn zoon. Hij en Pato roepen fuck you naar elkaar. Het is, bedoel ik te zeggen, allemaal erg vertrouwd, totdat die mannen in pak Pato uit zijn huis komen halen.
Gaandeweg realiseerde ik me echter dat die vertrouwdheid juist één van de sterke punten is van het boek. Ik ken de Argentijnse toestanden van de televisie, als kind pikte er via het Journaal af en toe iets van op. Dan zag ik donkerharige mannen met snorren die zich als bully gedroegen tegen hun donkerharige landgenoten, zoals ik donkerharige mannen met snorren nou eenmaal altijd op televisie zag doen. Het was beangstigend – donkerharige mannen met snorren geven me nog steeds een ongemakkelijk gevoel - en geruststellend tegelijk, want zolang ik me niet in een exotisch land bevond waar donkerharige mannen met snorren het voor het zeggen hadden, hoefde ik niets te vrezen.
Maar Englander heeft natuurlijk gelijk, het waren heel normale families, wier zoons en dochters door de militaire junta werden ontvoerd, gemarteld en gedood. Normale mensen met een kantoorbaan, met rebelse kinderen met te lang haar, die Pink Floyd te luid opzetten en stiekem jointjes roken. Het zou u zomaar kunnen overkomen, dat mannen uw huis binnenkomen en u of uw familieleden meenemen, omdat u de verkeerde boeken in uw kast hebt staan. Het kan zomaar dat die mannen werken voor de politici die u altijd hebt gesteund. Als ons dit niet was overkomen, zou ik hebben gezegd dat het land er met de junta op vooruit is gegaan, merkt Kaddish op zeker moment op.
Die pikante opmerking brengt de Argentijnse ellende nog dichter bij huis. Het ene moment zit je te kankeren hoe je land naar de verdommenis afglijdt, en dat het toch eens hoog tijd wordt voor een sterke regering die orde op zaken stelt, het andere moment heb je je sterke regering en ben je je kind kwijt. ‘Geen regering kan een natie iets aandoen als die natie iets anders wil’, schrijft Englander.
Kaddish doet denken aan Isabel Perón, die als staatshoofd de militaire junta carte blanche gaf voor een grote schoonmaak en daarmee haar eigen ondergang en dat van haar land bewerkstelligde. Maar Kaddish doet óók denken aan de junta - fanatiek als hij is in het uitwissen van wat is. ’s Nachts trekt hij erop uit om op het Joodse kerkhof van Buenos Aires, op het afgescheiden gedeelte waar de prostituees en pooiers liggen, de namen van de grafstenen weg te bikken. Dat doet hij in opdracht van de nabestaanden; advocaten en artsen die wensen te vergeten wie hun ouders waren, en die beseffen dat het in turbulente tijden beter is je joodsheid weg te poetsen, want: ‘Als er ergens op grote schaal gestorven wordt, ontspringen de Joden de dans nooit.’
Zelf is Kaddish ook de zoon van een prostituee, een hijo de puta, getrouwd met de dochter van respectabele Joden, door de rest van de gemeenschap wordt hij als paria beschouwd. De enige persoon die voorbij de oppervlakte kijkt, die oog heeft voor de mens Kaddish, is een aan lager wal geraakte, gokverslaafde plastische chirurg, dr. Mazursky. Mazursky is wreed in zijn eerlijkheid. Als Kaddish zegt dat zij beiden mislukkelingen zijn, antwoordt de dokter: Jij bent een mislukkeling, ik ben gevallen. Dat is een groot verschil. Hij biedt aan om Kaddish’ neus onder handen te nemen, ’die verschrikkelijke bijl van een neus’, ’die tumor waardoor je ademhaalt’. Kaddish gaat akkoord, probeert ook zijn vrouw en zoon over te halen hun neus te laten behandelen, maar Pato weigert.
Pato verzet zich ook tegen de pogingen van zijn vader om zijn boekenkast te zuiveren van werken die de negatieve aandacht van de junta zouden kunnen trekken. Het is onvermijdelijk dat hij wordt opgepakt, want hij steekt schril af bij zijn omgeving, met zijn subversieve boeken en zijn grote Jodenneus.
Kaddish en Lillian beginnen een hopeloze zoektocht naar hun zoon, weten zelfs door te dringen tot de huiskamer van een generaal. Ze proberen mensen om te kopen, maar zonder resultaat. Dat verwondert dokter Mazursky niets: De junta beschouwt zichzelf als idealistisch, en het kwaad volgt altijd wanneer mensen niet meer in je geld zijn geïnteresseerd. Dat is een kapitalistische vanzelfsprekendheid.
Ik heb The Ministry of Special Cases nu een week uit en het boek weigert me los te laten. Het lijkt op een Chinese puzzel, ogenschijnlijk simpel, maar zodra je de afzonderlijke vormen uit elkaar hebt gehaald, is het niet meer zo gemakkelijk de oorspronkelijke vorm terug te krijgen. Englander heeft zijn roman caleidoscopische kwaliteiten gegeven. Er is zoveel te zien, en tegelijkertijd is het zo’n compact geheel.
Tot mijn schande moet ik bekennen dat ik nog nooit van Englander (1970) had gehoord voordat iemand me een advance reader’s edition van zijn laatste boek toestuurde. De man is nogal een literaire sensatie en kreeg een recordbedrag (350.000 dollar) als voorschot voor zijn eerste boek, de verhalenbundel For the Relief of Unbearable Urges. Een Nederlandse vertaling van The Ministry of Special Cases had al verschenen moeten zijn, maar heeft blijkbaar vertraging opgelopen. Het moet raar lopen als dit boek eind dit jaar niet in mijn persoonlijke top vijf eindigt.





RSS