Vader en dochter: islam en Europa
Jona Lendering

Stel, het is 1880, je heet Abraham Kuyper, je bent leider van het orthodoxe-protestantse volksdeel en je wilt jouw mensen een gepaste theologische opleiding geven. Dan richt je een onderwijsinstelling op. Stel, je zoekt daarvoor bovendien erkenning. Dan doe je alles om het zoveel mogelijk te laten lijken op een normaal onderwijsinstituut. Dan noem je de instelling dus universiteit en kijk je zoveel mogelijk naar soortgelijke instituten. En dus leek de door Abraham Kuyper opgerichte Vrije Universiteit op de Leidse Rijksuniversiteit en zijn de toga’s van VU-hoogleraren tot op de dag van vandaag identiek aan die van hun collega’s in Leiden. Anders gezegd: als je iets nieuws wilt in het onderwijs, moet het wel herkenbaar zijn als onderwijs.
Zo bezien is de belangrijkste onderwijsvernieuwing die ooit in Europa heeft plaatsgevonden volkomen idioot. We moeten daarvoor zo’n negen eeuwen terug. Veel geleerden waren ontevreden over de kloosterscholen, waar verkeerd onderwijs zou worden gegeven. Beroemd is het geval van Willem van Champeaux, een van de grootste filosofen uit die tijd, die in het klaslokaal werd tegengesproken door zijn student Pierre Abélard. Als jij het dan zo goed weet, moet Willem hebben gezegd, dan moet jij morgen de les maar verzorgen. Zo geschiedde, en Abélard (1079-1142) groeide al snel uit tot een beroemdheid. Hij was echter ook een moeilijk mens en omdat hij overal ruzie kreeg, richtte hij uiteindelijk in Parijs een onderwijsinstelling voor zichzelf op, waar hij leerlingen uit heel Europa les gaf. Hieruit ontstond de universiteit van Parijs, die zó beroemd werd dat je bijna zou vergeten dat de afgetroefde Willem van Champeaux de eigenlijke held is, zoals elke docent die zijn leerling een kans geeft hem te overtreffen.
Je zou verwachten dat de Parijse geleerden hun instelling zo organiseerden dat hun activiteiten herkenbaar waren als onderwijs, maar dat gebeurde niet. De universiteit leek minder op een kloosterschool dan op een gilde. De daar gebruikelijke drie niveaus van bekwaamheid (leerling, gezel, meester) kennen we uit Parijs als escolâtre, bachelier en maître, en uit Oxford als student, fellow, en master. Voor je tot het hoogste niveau promoveerde, legde je een meesterproef af door in het openbaar een reeks stellingen te verdedigen. Daarna was je een erkend geleerde en mocht je je doctor of magister noemen. Een doctor die zelf onderwijs gaf bezat een nauwkeurig omschreven licentia docendi en het recht de promotie van anderen te beoordelen, het ius promovendi. Alle leden van het geleerdengilde waren vertegenwoordigd in een democratische universiteitsraad en hadden het recht de rector magnificus te kiezen. De instelling bezat eigen fondsen waarmee ze, als uit een gildekas, lonen en pensioenen uitkeerde. En tot slot: noch de overheid, noch de kerk mochten zich met de inhoud van het onderwijs bemoeien.
Waarom organiseerden de vernieuwers hun onderwijs als een gilde en niet, voor iedereen begrijpelijk, als een school? Het antwoord is misschien wat onverwacht: de geleerden keken het af uit de Arabische wereld, waar de scholen in rechtsgeleerdheid, de zogenaamde madrasa’s, ook de vorm hadden van een gilde. De drie niveaus van bekwaamheid heetten daar mutafaqqih, sahib en mufti en de Europese licentia docendi is de letterlijke vertaling van ijazat at-tadris. Ook de madrasa kende een democratische raad, een democratisch gekozen voorzitter en een gildekas. En, het meest belangrijk van allemaal: de academische vrijheid is in de madrasa uitgevonden. Noch de wereldlijke machthebbers, noch de islamitische autoriteiten hadden invloed op het onderwijs.
Er is echter meer aan de hand. Een van Abélards bekendste geschriften is Sic et non, Ja en nee’. Hierin plaatst hij tegengestelde meningen van beroemde theologen tegenover elkaar en probeert hij door vragen te stellen te bewijzen dat de tegenstelling slechts schijnbaar is. Of dat aan deze of gene mening de voorkeur moet worden gegeven, omdat ze gevonden kan worden in een bron met groter gezag. (Als de Bijbel het een zegt en een bisschop het ander, zal de bisschoppelijke mening moeten wijken voor de autoriteit van de heilige schrift.) Abélards methode lijkt verdacht veel op khilaf, een van de wijzen waarop het islamitisch recht wordt vastgesteld.
De training in het logisch denken, de dialectica van de Europese universiteiten, is de islamitische jadal en het op het scherpst van de snede gevoerde debat, de disputatio, kent Arabische antecedenten in de munazara. Enzovoort. We zullen deze onderwerpen laten wat ze zijn en ons beperken tot de constatering dat deze zaken in Europa uit de lucht komen vallen maar in de islamitische wereld verklaarbaar zijn.
De noodzaak tegengestelde meningen te vergelijken was bijvoorbeeld in het christendom niet zo groot, want de paus bepaalde wel hoe het moest. De islamitische wereld althans het soennitische deel ervan kent zo’n bron van gezag niet, en daar is de consensus van de geleerden, de zogeheten ijma, noodzakelijk om recht te scheppen. De christenen hadden ook geen behoefte aan een nauwkeurig omschreven licentia docendi, want ze hadden al priesters die met gezag spraken. De ijazat at-tadris was in de islam echter een zwaarbevochten recht, opgeëist, bediscussieerd en afgedwongen in de tijd waarin de kalief en de schriftgeleerden met elkaar overhoop lagen over de vraag wie het hoogste gezag had.
De islamitische invloed op de Europese wetenschap beperkt zich niet tot een schooltype en een methode; ze betreft ook de inhoud van de wetenschap. In de Late Oudheid was een wijsgerige synthese ontstaan waarin vrijwel alle eerdere filosofische scholen waren geïntegreerd. Dit zogenaamde neoplatonisme was een briljant stuk speculatie dat alle menselijke vragen leek te beantwoorden. De eerste christelijke wijsgeren formuleerden hun religie in neoplatoonse termen en enkele eeuwen later zagen ook de moslims wel wat in dit systeem. In de wereld van de islam knaagde echter ook wat twijfel en verschillende geleerden, zoals de Iraanse arts Ibn Sina (980-1037) en zijn Andalusische collega Ibn Rushd (1126-1198), prefereerden de filosofie van Aristoteles, die minder speculatief was en zich meer richtte op het concreet waarneembare. Al Haytam (965-1039) introduceerde het experiment als nieuwe manier om wetenschap te bedrijven.
De door deze geleerden herontdekte Aristoteles raakte ook in Europa in de mode. De kerk, die haar leer tot dan toe in neoplatoonse termen had uitgedrukt, had er aanvankelijk moeite mee, tot de Parijse filosoof Thomas van Aquino (1225-1274) erin slaagde de christelijke leer te verwoorden in aristoteliaanse termen. Dat leverde de kerk een nieuwe filosofie, Thomas een heiligverklaring, en de gelovigen een hele batterij nieuwe zonden op. Zo werd het idee van Aristoteles dat de natuur doelmatig was door Thomas in het christendom gentroduceerd, waar voortaan alles wat niet doelmatig was kwam te gelden als tegennatuurlijk en dus zondig. De hedendaagse katholieke seksuele leer, met haar afkeer van homoseksualiteit, masturbatie en anticonceptie, is een regelrecht gevolg van het feit dat ooit Europese wijsgeren de Arabische filosofische mode volgden.
Een probleem hierbij was dat islam en christendom zich moeilijk lieten rijmen met de filosofie van Aristoteles. Niet dat deze afkerig was van elke theologische speculatie, maar er zijn in zijn filosofie weinig aanknopingspunten voor het idee dat er een boek zou zijn waarin God zich aan de mensen openbaart. Vaak ook concludeerde Aristoteles dingen die in strijd waren met koran en bijbel, bijvoorbeeld toen hij erop wees dat de aarde niet geschapen kon zijn, er geen voorzienigheid is en de ziel kan sterven.
De tegenspraak werd door de Arabische en Europese geleerden meteen herkend. Ibn Rushd constateerde laconiek dat er dus een dubbele waarheid was: de filosoof kon het een beredeneren en de gelovige kon het ander aannemen. Daarmee had hij geen moeite en zijn Parijse volgeling Siger van Brabant (1230-1281) evenmin. En toen eenmaal het denkbeeld had postgevat dat geopenbaarde en filosofische waarheden naast elkaar konden bestaan, was de gedachte niet ver meer dat kerk en staat gescheiden moesten worden. In 1324 verscheen hierover De verdediger van de vrede van de hand van Marsilius van Padua, een door Ibn Rushd benvloed politicoloog die ook de scheiding tussen wetgevende en uitvoerende macht uitvond, opperde dat de wetgevende macht bij een representatief orgaan moest liggen, en zei dat de uitvoerende macht toekwam aan een gekozen staatshoofd min of meer zoals het geval was in een universiteit of een madrasa.
Alsof dit nog niet genoeg was, introduceerde Marsilius van Padua ook nog het idee van de volkssoevereiniteit, dat wil zeggen dat het bestuur het welzijn van het hele volk tot doel heeft (en niet het eigenbelang van de heerser) en dat de bestuurders hun bevoegdheden ontlenen aan een mandaat door datzelfde hele volk (en niet de adel’ of een ander deel van de bevolking). Dit was niet zo’n nieuw idee. Dat een politieke analyse als uitgangspunt het volk in zijn geheel moest hebben, gaat terug op een van de kernconcepten van de islam: de umma, de leefwereld en gemeenschap van alle gelovigen, ongeacht rang of stand.
De reeks ontleningen aan de Arabische wereld is veel langer, maar de ridderroman, de windmolen, de alcohol en de andijvie kunnen hier verder buiten beschouwing blijven. Waar het om gaat is dat de islam de westerse cultuur heeft helpen vormen: de universiteit, de academische vrijheid, de wetenschappelijke methode, de praktische filosofie van Aristoteles en de consequenties daarvan voor het christendom, machtenscheiding, representatieve democratie, volkssoevereiniteit het zijn centrale ideeën in de westerse cultuur, en ze hebben alle voorlopers in de wereld van de islam. De in dit stuk genoemde moslimgeleerden horen evenzeer tot de Europese beschaving als Newton, Voltaire, Beethoven en Einstein.
Jona Lendering is historicus en publiceerde onlangs een boek over Aristoteles’ bekendste leerling, Alexander de Grote. Momenteel werkt hij aan een boek waarin hij de Grieks-Romeinse en Arabische bijdragen aan de Europese cultuur vergelijkt.





RSS