Frontaal
Naakt
25 februari 2006

Antillen een Provincie van Nederland: onhaalbaar

Thomas Cool

Riebicke1 (80k image)

Bij de verkiezingen voor de Staten van de Nederlandse Antillen op 27 januari 2006 nodigde Stanley Brown me uit op positie 2 van de lijst van MOD.POR te staan. “Maar ik ben het niet eens met de Provincie-gedachte,” protesteerde ik. “De Antillen moeten het zelf doen. Het is onhaalbaar dat de Antillen ooit een provincie van Nederland worden. Als de mensen in Nederland al iets willen dan is het juist een afscheid van de Antillen.” Brown reageerde: “Geeft niet. Die Provincie komt er ook niet voor ik sterf. We streven voorlopig alleen de provinciegedachte na opdat het, bij alle aandacht voor de Status Aparte, niet vergeten wordt. Maar jouw analyse over de werkloosheid is belangrijk voor de overgangsperiode. De Antillen moeten welvarend en minder crimineel worden, de staatsschuld moet aangepakt. Met jouw aanpak hebben we een kans.” Mijn reactie was: “OK, ik heb er geen moeite mee om achter een nobel doel te staan dat toch niet realistisch is. Je hebt mijn steun.”

Aldus geschiedde. Totdat Brown en de lijst van MOD.POR kiezersbedrog pleegden door in de Amigoe van 24 januari 2006 een “plan” te presenteren dat Nederland 5.000.000.000 gulden investeert om de Provincie mogelijk te maken, oftewel 2.4 miljard euro, oftewel 27777 gulden per Antilliaan. De kiezers werd zo voorgespiegeld “stem op ons want dan komt er geld”. Zulk bedrog is natuurlijk ontoelaatbaar.

Het doet me deugd nu in de Amigoe te lezen dat onze “nationale slaapkamer” (de Eerste Kamer der Staten Generaal) wakker is geschrokken zowel van het “plan” voor een Status Aparte voor Curaçao en St. Maarten als van het “plan” van minister Pechtold om een “oplossing” te bieden voor de staatsschuld van de Antillen, welk “plan” door vele Antillianen gezien wordt als een belofte om de schuld kwijt te schelden. Pechtold, die stuurloos heen en weer kaatst tussen nu eens beledigende confrontatie en dan weer slap meeheulen, wordt dus aan de lijn gelegd. Wanneer hij niet spoedig met een konijn uit de hoed komt dan zal het parlement niet rouwig zijn om hem als zondebok naar huis te sturen.

De belangstelling in de Eerste en Tweede Kamer voor de Antillen en het Koninkrijk komt nogal plotseling. De vragen van de volksvertegenwoordigers verduidelijken vooral dat men nog slecht op de hoogte is. Eerder heb ik de situatie al gekarakteriseerd als de belangstelling van de gemiddelde Japanner voor de oorlog tegen Mantsjoerije: een ver-van-mijn-bed-show, waar de Japanner zich niet verantwoordelijk voor voelt, want het waren een paar generaals die de macht in het leger grepen en die die oorlog voor zichzelf begonnen.

Mijn advies aan het parlement is een parlementaire enquête naar het Koninkrijks-Statuut op te starten. Het instrument van de enquête is oorspronkelijk ingesteld als een middel voor het parlement tot het
verzamelen van informatie voor wetgeving. Laat de Kamer maar eens goed bestuderen hoe het Statuut gefunctioneerd heeft, wat de doelen ervan zouden moeten zijn, en wat mogelijke verbeteringen zouden zijn. Een dergelijke politiek gemotiveerde en grondig uitgevoerde studie is nog nooit gehouden, en zal ook nooit gehouden kunnen worden noch door het normale ambtelijk bedrijf, noch door wetenschappers, noch door een tweede garnituur ministers die de Antillen “erbij doen”. Het zou een goed moment zijn voor het Nederlandse parlement om de argumenten op orde te brengen, nu de eisen van de kant van de Antillen zich opstapelen.

Het is daarbij nuttig om op te merken dat het Referendum van 8 april 2005 op Curaçao een misleidende keuze aan de bevolking voorlegde. Van de vier opties waaruit men kon kiezen waren er twee uitermate onrealistisch: onafhankelijkheid (5 procent) en de Provincie van Nederland (24 procent). In feite ging het alleen tussen de Status Aparte (68 procent) en het behoud van de Nederlandse Antillen (4 procent). Maar ook de Status Aparte is tamelijk onrealistisch, want het is onduidelijk hoe die situatie eruit ziet en of Nederland wel wil helpen om Saba en St. Eustatius als een “Koninkrijkseiland” te ondersteunen. Bij een opkomst van 55 procent betekende de 68 procent voor de Status Aparte maar 37 procent van de bevolking, dus geen echte meerderheid. In feite is voor behoud van de Antillen gekozen want zolang een optie geen echte meerderheid krijgt blijft de Status Quo voortduren.

In plaats van die misleidende keuze was het beter geweest om opties te presenteren hoe de Nederlandse Antillen beter zouden kunnen gaan functioneren. Dit is het eigenlijke probleem: maar daar wordt wonderlijk genoeg niet over nagedacht. Sommigen (zoals Lionel Capriles, de oud-bestuurder van Maduro Curiel Bank) hebben daarom de verdenking geuit dat de Antillen alleen maar deze voortdurende discussie over het Statuut en de staatsorde kennen omdat politici liever de aandacht afleiden en niet over de eigenlijke problemen willen praten (of de deskundigheid ontberen om erover te kunnen praten).

Sommigen hebben ook wel eens gesteld dat de zogenaamde ‘dubbele bestuurslaag’ (zowel een eilandelijk bestuurscollege als een overkoepelende landsoverheid) zou leiden tot inefficiency. Bijvoorbeeld het Rapport Jesurun stelde dat. Groter larie is nooit geschreven. Is er werkelijk geen onderscheid te maken tussen burgemeesters en ministers?

In feite zijn er twee modellen:

(1) In het eerste model krijgen de eilanden meer macht, worden de gedeputeerden gepromoveerd tot minister, en wordt de overkoepelende laag (de Nederlandse Antillen) alleen een platform voor coördinatie,
vergelijkbaar aan de Europese Unie.

(2) In het tweede model krijgen de eilanden minder macht, worden de Nederlandse Antillen meer een eenheidsstaat, en wordt, met behoud van eilandelijke identiteit, meer samenhang betracht. Bijvoorbeeld kan de voertaal overal Engels worden, (a) omdat zo een betere aansluiting bij het dollar-gebied ontstaat, (b) omdat Engels al op de Bovenwindse eilanden gebruikt wordt, en (c) omdat Curaçaoenaars dan minder geplaagd worden door hun ambivalentie ten opzichte van Nederland.

In beide gevallen hoeft het Statuut niet gewijzigd te worden en blijft Nederland aanwezig voor de rechtsstaat en de externe verdediging.

De keuze wat het beste is lijkt me eenvoudig. Bij de tweede optie zijn er meer checks and balances waarbij de eilanden elkaar controleren en in evenwicht houden. Dan is er ook meer democratie.

Zoiets lijkt me dus wel haalbaar.

Thomas Cool werkt op de Antillen, is econometrist en samen met journalist Hans Hulst auteur van De ontketende kiezer“” (2003).


Reacties gesloten. Mail de redactie.

« home