Perzen in Betlehem

Jona Lendering

Riebi1 (68k image)

‘Toen Jezus was geboren in Betlehem, kwamen er magiërs uit het Oosten. Ze vroegen: “Waar is de pasgeboren koning van de Joden? Wij hebben namelijk zijn ster zien opgaan en zijn gekomen om hem eer te bewijzen.”‘
U kent deze passage misschien in een iets andere vorm, waarin sprake is van ‘wijzen uit het Oosten’. Maar de Nieuwe Bijbelvertaling heeft het goed: de evangelist Mattheüs gebruikt inderdaad het woord magoi. En die kennen we: het zijn de religieuze specialisten van het oude Perzië, die mensen bijstonden door bij het heilige vuur de voorgeschreven, lange gebeden op te zeggen. Ze zijn overgeleverd in het heilige boek van de oude Perzen, de Avesta, dat pas in de derde eeuw n.Chr. is opgeschreven. Tot het zover was, moesten de gebeden uit het hoofd worden geleerd, en omdat het erom draaide dat de eeuwenoude tekst – uit de zesde eeuw v.Chr. volgens de jongste schatting – correct werd uitgesproken, is het begrijpelijk dat een gewone gelovige, die de ellenlange gebeden onmogelijk allemaal kon kennen, er een magiër voor inhuurde. Met magie in de zin van tovenarij heeft het allemaal niets te maken.

Maar wat bracht deze Perzische geheugenkunstenaars in vredesnaam naar Betlehem? Helemáál buiten hun context zijn ze niet: anders dan Lukas, die het goede nieuws van de geboorte van de messias eerst aan herders (de verschoppelingen van de oude wereld) bekendgemaakt laat worden, presenteert Mattheüs de geboorte als een majestueuze gebeurtenis, als de geboorte van een koning. En magiërs figureerden prominent aan de koninklijke hoven van het oude Perzië. Bovendien had hun religie monotheïstische trekjes.

Maar ze waren géén Joden en het is vreemd dat Mattheüs ze ten tonele voert. De reden die hij opgeeft (‘We hebben zijn ster zien opgaan’) is ook wat merkwaardig. Uit de gebeden van de magiërs blijkt niet dat het astrologen waren. Voor antieke sterrenwichelaars moeten we in Babylonië zijn, waar de zogeheten Chaldeeën avond na avond de hemel observeerden en probeerden te doorgronden welke gebeurtenissen werden voorspeld door de bewegingen van de planeten. Maar Mattheüs schrijft geen chaldaioi, maar magoi. En Perzen zijn geen Babyloniërs.

Er zijn verschillende manieren om het probleem op te lossen. De Perzische koning Cyrus de Grote had in 539 Babylon veroverd en het staat vast dat tweehonderd jaar later, toen Alexander de Grote de culturele hoofdstad van de oude wereld innam, een groep magiërs verbleef in het koninklijke paleis. Het is ondenkbaar dat de twee groepen religieuze specialisten in de tussenliggende tijd nooit met elkaar hebben gesproken, en als toegewijde koninklijke adviseurs zullen de magiërs belangstelling hebben gehad voor het futurologisch potentieel van de astrologie. Er is wel geopperd dat de magiërs ook het een en ander hierover hebben opgeschreven dat dan verloren is gegaan toen de moslims in de zevende eeuw n.Chr. Iran veroverden en de heilige boeken van de magiërs probeerden te vernietigen. Ongeveer negentig procent is verloren gegaan, en daar kan best een astrologisch traktaat bij hebben gezeten, is de redenering. Het probleem is alleen dat we een uittreksel hebben van de Avesta voordat de Arabieren huishielden, en dat daaruit niets van dien aard blijkt.

Een andere oplossing is misschien eenvoudiger. De auteur van het Mattheüsevangelie vergist zich gewoon. Uit alles blijkt dat hij een gelovige Jood was, goed thuis in de Hebreeuwse heilige geschriften, en minder op zijn gemak bij het schrijven van een tekst in het Grieks. Hij zocht een woord voor sterrenwichelaar, liefst een wat exotische term om te suggereren dat mensen van heinde en verre kwamen om de pasgeboren koning te aanbidden, en gebruikte daarbij de verkeerde term. Een taalfout: niets menselijks is de evangelisten vreemd.

Kortom, we komen er niet echt uit. Maar dat is ook niet erg. Het uitvlooien van de kwestie zelf is genoeglijk: het brengt je in aanraking met allerlei aardige aspecten van de oude wereld. Er zou nog een boek te schrijven zijn over de transformatie van magiërs in ‘drie koningen’ (middeleeuwse legendevorming), de reliekschrijn van de drie koningen in Keulen, of Marco Polo’s bezoek aan de graven in de Iraanse stad Saveh.

Het is dan ook met plezier dat ik afrond met een kwestie die slechts zijdelings met het bovenstaande heeft te maken, maar waarover iedereen altijd het naadje van de kous wil weten: van welke ster ios er sprake? Misschien geen enkele. Er lag een oude messiaanse profetie: ‘Ik zie een gestalte, hij staat op in Israël, zoals een ster rijst aan de hemel’ (Numeri 24.17) en daarom verzon Mattheüs een ster. Zo kon hij aan de goede verstaander duidelijk maken dat Jezus de messias was. Een vroom verzinsel dus. Van de andere kant, er zijn inderdaad wat interessante tekens aan de hemel te zien geweest (zie daarvoor de webpagina van Jan Pieter van de Giessen) en er is bewijs dat er rond de tijd van Jezus’ geboorte (vermoedelijk ergens tussen 6 en 3 v.Chr.) meer messiaspretendenten waren – de Joodse historicus Flavius Josephus vermeldt bijvoorbeeld een Athronges.

Alles is mogelijk, en met die ene zin in zijn evangelie heeft Mattheüs menigeen een plezierige puzzel bezorgd, en een heel wat leuker geschenk dan goud, wierrook en myrrhe.

Jona Lendering is historicus, de man achter de website Livius en mede-oprichter van Livius Onderwijs, waar cursussen worden gegeven over de oude Mediterrane samenlevingen. Onlangs verscheen zijn nieuwe boek Oorlogsmist.

26 januari 2007 — Jona Lendering

Reacties gesloten. Reageren? Mail de redactie.

« home