Vrijheid van meningsuiting, goed voor u!
Lars Hedegaard
Vertaling/bewerking: Marijke de Jonge

Niet alleen in Nederland, maar in de hele westerse wereld woeden discussies over de waarden die een vrije, welvarende, democratische samenleving overeind houden. Eén van die waarden is vrijheid van meningsuiting. Volgens de powers that be heeft die vrijheid z’n grenzen. We dienen rekening te houden met de diepste gevoelens van mensen’, kwetsen om het kwetsen’ zou niet moeten mogen en als die oproepen niet helpen, hebben we altijd nog het wetboek van strafrecht waarin staat dat beledigen en discrimineren toch echt niet mag. Voor het beledigen van God hebben we een aantal decennia geleden zelfs (weer) een apart wetsartikel in het leven geroepen dat sindsdien gelukkig maar weinig is toegepast.
Ook in Denemarken zijn ze klaarwakker, vooral sinds de cartoonaffaire die bijna een jaar geleden de moslimwereld op z’n kop zette en het land letterlijk tot brandpunt van wereld maakte. Een aantal maanden geleden heeft Lars Hedegaard, directeur van de Deense Vereniging voor Vrije Pers en chefredacteur van Sappho, tijdens een door een Turkse en Amerikaanse universiteit georganiseerde conferentie een lezing gehouden waarin hij uit de doeken deed waarom een vrije, democratische en welvarende samenleving niet zonder een ongelimiteerde vrijheid van meningsuiting kan. Dat heeft niets met fatsoen in het debat’ of het kwetsen van tere (moslim)zieltjes’ te maken, maar alles met het voortdurend uitdagen van denkbeelden en overtuigingen die vooruitgang en rechtvaardigheid belemmeren. Prachtige abstracte termen; Lars Hedegaard maakte het tijdens zijn lezing wat concreter.
Om de herdenking van de cartoonaffaire wat meer kleur te geven vroeg een redacteur van de Weekendkrant een paar mensen een canon voor de democratie op te stellen. Eén van de organisaties die hij benaderde waren wij, de Deense Vereniging voor Vrije Pers. Geen gemakkelijke klus: zet maar eens op een rijtje welke 10 tot 15 boeken de basis hebben gelegd van het democratische systeem dat we de afgelopen 250 jaar hebben opgebouwd en waar we nu de vruchten van plukken. Het werd dan ook een leerzame exercitie.
Wat mij het meest opviel was hoe kwetsbaar democratie eigenlijk is en hoe weinig ervoor nodig is deze te vernietigen. Dat is tussen 1770 en 1915 verschillende keren gebeurd. Het is waar dat Denemarken z’n grondwet kreeg in 1849, waarmee een eind werd gemaakt aan 190 jaar vorstelijk absolutisme. Het is ook waar dat deze grondwet vrijheid van meningsuiting garandeerde, of liever gezegd, een einde maakte aan censuur. Maar eigenlijk was dit pas het begin van een ontwikkeling die tot ver in de 20e eeuw doorging en op verschillende momenten in gevaar kwam.
Vrouwen en armen kregen pas in 1915 stemrecht. Het parlementaire systeem, dat wil zeggen de regel dat de regering gesteund moet worden door de meerderheid van stemmen in het lagere huis van het parlement, werd pas in 1901 ingevoerd en in 1953 in de grondwet opgenomen. Eigenlijk was Denemarken lange tijd een dictatuur. Er waren verkiezingen, maar de koning benoemde de ministers die los van het parlement konden opereren. Koning Christian X heeft nog in 1920, dus niet eens zo lang geleden, zelfs eens een democratisch gekozen regering naar huis gestuurd en een eigen kabinet benoemd dat maatregelen nam die tegen de wil van de meerderheid in het parlement ingingen. Dat bleek een treurige vergissing van de koning. Het dan ook lang geduurd voor hij z’n populariteit weer op peil had.
Wie de Deense geschiedenis bestudeert, krijgt het beeld voorgeschoteld dat Denemarken alleen vreedzame en geleidelijke veranderingen heeft doorgemaakt. Een wonder van rust en gematigdheid, ons land. Dat beeld verdient bijstelling. Gedurende 150 jaar was het levensgevaarlijk om je mening te ventileren. Meningen die de belangen van de machthebbers bedreigden werden keihard onderdrukt. Hof, adel, kerk en ambtenarij, en later de kapitalistische klasse, hielden de touwtjes stevig in handen. Intellectuelen, journalisten, voorvechters voor arbeidersrechten, politici die naar democratische hervorming streefden; ze werden de mond gesnoerd, gevangen gezet of zelfs tot zelfmoord gedreven.
Europeanen wijzen terecht op de verschillen tussen islam en christendom maar we moeten niet vergeten dat christelijke geestelijken er gedurende het grootste deel van de 19e eeuw alles aan deden om vrijheid van meningsuiting te onderdrukken. Dat zeg ik niet om islam en christendom over een kam te scheren, het christendom kan tegenwoordig tenslotte prima met onze democratische verworvenheden door een deur; mijn punt is slechts dat geen enkele religie uit zichzelf welwillend tegenover vrijheid staat. Als we niet waakzaam zijn, kan elke religie tot een tiranniek totalitair systeem verworden.
De Denen hebben hun vrijheden dus niet cadeau gekregen. Die danken zij niet aan de nobele inborst van hof, kerk of elite. Nee, daar hebben activisten hard voor gevochten en vaak een hoge prijs voor betaald. Wat voor Denemarken opgaat, geldt volgens mij trouwens voor alle landen in het vrije westen.
Meningsvrijheid en de Mohammed-cartoons
Wat me tijdens m’n studie van de Deense geschiedenis ook opviel, was dat het bij vrijheid van meningsuiting niet gaat om een verheven abstract begrip. Discussies over die vrijheid steken altijd de kop op als mensen het nodig vinden in te gaan tegen achterstelling, onderdrukking of onrechtvaardigheid. Dat is dan ook de reden dat heersende klassen zich altijd tegen die vrijheid hebben verzet. Als mensen alleen maar wat over onbelangrijke dingen wilden klagen en zeuren, zou er geen probleem zijn.
Vrijheid van meningsuiting wordt pas een probleem als mensen willen onthullen dat de adel een greep in de schatkist doet. Als ze suggereren dat de koning niet goed wijs is en dus niet geschikt is om te regeren. Als vrouwen gelijke rechten willen. Als niet-gelovigen de macht van de geestelijkheid willen breken. Als arbeiders het recht op staken opeisen. Pas dàn wordt vrijheid van meningsuiting een probleem: als de elite haar positie en voorrechten bedreigd ziet.
Tussen twee haakjes, dat de meerderheid van Denen gelooft dat de Jyllands-Posten de Mohammed-cartoons terecht heeft geplaatst, ligt niet aan een perverse neiging tot moslimpje pesten of aan een voorliefde voor het zeggen van foute dingen. Wie nauw gevolgd heeft wat er in Denemarken gebeurde, weet dat er een reden was dat de hoofdredacteur de grenzen van meningsvrijheid wilde aftasten.
Ik zal er niet te diep op ingaan, maar de afgelopen jaren hadden moslims verschillende pogingen gedaan vrijheid van meningsuiting in ons land te beperken. Een Joods universiteitsdocent werd door Arabieren uit het centrum van Kopenhagen geplukt, ontvoerd en mishandeld omdat hij uit de koran citeerde. Een bekend schrijver kon geen illustrator vinden voor zijn boek over Mohammed. Een fundamentalistische groep bedreigde een groep sufi-immigranten die een concert wilde geven omdat muziek onislamitisch zou zijn. Dat soort incidenten kwam vaker voor.
Daarom werd het tijd om te zeggen: Tot hier en niet verder’. Waar eindigt het als je dat niet doet? Laat je je meningsvrijheid stukje bij beetje afpakken tot je die helemaal niet meer hebt?
Wat me ook opviel was dat meningsvrijheid – en z’n broertje democratie onontbeerlijk zijn voor culturele, politieke en economische vooruitgang. Ik durf zelfs te beweren dat economische vooruitgang zonder die vrijheid niet mogelijk is.
De zegeningen van godslastering
Wetten tegen godslastering horen niet in een vrije maatschappij. Er is geen enkele reden waarom religieuze ideeën, denkbeelden en gevoelens meer eerbied verdienen dan andere meningen, overtuigingen en emoties. Ongelukkigerwijs verbiedt de Deense wet godslastering nog steeds. Hoewel dit wetsartikel al decennialang niet meer is toegepast, ziet mijn organisatie, de Vereniging voor Vrije Pers, dit artikel graag afgeschaft. Zolang dit artikel nog bestaat en het idee dat god gelasterd kan worden nog bestaat, kunnen mensen denken dat nieuwe ideeën bestreden moeten worden omdat ze tegen de wil van god ingaan of omdat ze de gevoelens van religieuzen kunnen kwetsen.
Laat me een voorbeeld geven van een bloeiende maatschappij die begon af te takelen toen vrijheid van meningsuiting uit ontzag voor religie aan banden werd gelegd: de islamitische beschaving.
In 1761 bezocht een Deense expeditie een groot deel van het Midden-Oosten, van Egypte tot wat we nu Irak noemen, met als doel volkeren, cultuur en geschiedenis van die streek te bestuderen. Bijna alle expeditieleden stierven tijdens de reis, op één na: de Duitser Carsten Niebuhr.
Zijn beschrijvingen van de Levant en het Midden-Oosten werden zo gewaardeerd dat de universiteit van Kopenhagen een hele afdeling naar hem heeft genoemd. Daarom durf ik het wel aan hier een aantal van zijn waarnemingen op een rijtje te zetten.
Hoewel Niebuhr zeker niet onwelwillend stond tegenover cultuur, religie en gewoonten van de landen waar hij kwam, wekken zijn beschrijvingen de indruk dat hij een onderontwikkeld gebied bezocht. Van orde en gezag was geen sprake en de politieke en economische systemen waren primitief. De mensen maakten een fatalistische indruk. De noodzaak meer te doen dan de dingen die nodig zijn om te overleven leken zij niet te voelen; bovendien had God alles sowieso al voorbestemd.
Een paar anekdotes om de onderontwikkeling te verduidelijken. Toen Niebuhr in 1761 Alexandrië bezocht – voorheen een oase van intellectuele bloei – liet hij een Turkse koopman door een voorloper van de telescoop kijken. De koopman zag hoe de telescoop een toren in de stad ondersteboven weergaf. Al gauw ging het gerucht dat de Denen waren gekomen om de hele stad op z’n kop te zetten. Nadat in 1762 een reisgenoot van Niebuhr terecht voorspelde dat er op 18 oktober een zonsverduistering zou plaatsvinden, liep stad en land uit om de wonderdokter te bezoeken, omdat zij dachten dat hij hen kon genezen. De emir van Jemen kreeg van zijn Europese gasten een horloge, maar hij had geen idee wat hij ermee moest. Een christelijk koopman kwam elke dag bij hem langs om het op te winden. Andere Jemenieten dachten dat de botanisten planten en bloemen verzamelden om er goud van te maken. De meeste Arabieren dachten dat Europa ten zuiden van Jemen moest liggen omdat de schepen uit Europa altijd uit die richting kwamen (in die tijd was het Suezkanaal nog niet aangelegd).
Dat ik stilsta bij de expeditie van Niebuhr heeft natuurlijk een reden. Tegenwoordig denken veel mensen dat de relatieve achterstand van islamitische landen aan Europees kolonialisme te wijten is. Maar in het midden van de 18e eeuw had nog geen Europeaan als kolonialist voet op islamitische bodem gezet. Het leger van Napoleon viel pas in 1798 Egypte binnen. De oorzaak van de relatieve achterstand van islamitische landen op het gebied van economie, politiek, cultuur en filosofie moet dus ergens anders gezocht worden. Een biologische’ of etnische’ verklaring kan er niet zijn. Voorheen kon Europa een puntje zuigen aan wat er in Egypte, Anatolië, Mesopotamië, Perzië en Syrië werd bereikt. Er blijft dus maar één oorzaak over: dat de oude godsdiensten, zoals christendom, judaïsme en zoroatrisme, vervangen werden door de islam.
Daar wordt door historici vaak tegenin gebracht dat de islamitische beschaving lange tijd, zeker tot de 16e eeuw, op een hoger plan stond dan de Europese. Maar dan is het de vraag welke interne factor dan tot de ineenstorting heeft geleid. Laten we daarom eens kijken naar wat er rond die tijd in Europa gebeurde.
Revolutie in de wetenschap
Zo’n 350 jaar voordat de Deense koning zijn expeditie naar Arabië stuurde, begon in Europa de Renaissance. Van serieuze rebellie tegen als autoriteiten beschouwde grootheden als Paus, Bijbel en Aristoteles was toen nog geen sprake. Dat veranderde een eeuw later met pioniers op het gebied van wetenschap, zoals de Italiaan Galileo Galilei (1564-1642), de Engelsman Francis Bacon (1561-1626) en Fransman René Descartes (1596-1650). Deze pioniers hadden met elkaar gemeen dat zij twijfelden aan alles wat tot dan toe voor waar werd aangenomen. In plaats van voetsstoots van het gelijk van de autoriteiten uit te gaan, vroegen zij zich af op welke manier kennis vergaard hoort te worden. Zodoende legden zij de basis voor wetenschappelijke onderzoeksmethoden die nu nog gebruikt worden. De wetenschappelijke doorbraak van Isaac Newton (1642-1727) vormde het hoogtepunt van die ontwikkeling.
Drie belangrijke aspecten van die wetenschapsrevolutie zijn de volgende:
1. Het ging de pioniers niet om de resultaten maar om de manier waarop die resultaten werden bereikt. Galileo sloeg menigmaal de plank mis voordat hij raak schoot. Een wetenschapper die een fout maakt, gaat niet naar de hel. Als z’n onderzoeksmethode klopt, bereikt hij vroeg of laat via deductie of inductie, experimenteren, proberen en nog eens proberen, de juiste resultaten.
2. Religie en wetenschap verkeren, toen net zoals nu, op voet van oorlog met elkaar. Religie heeft geen plaats in de wetenschap. Die scheiding moet doorlopend bevochten worden. Zelfs in het westen. Denk aan nieuwe obscurantistische creationistische theorieën zoals Intelligent Design die als wetenschap worden verkocht.
3. Wetenschappers kunnen niet zonder vrijheid van meningsuiting. Zij moeten in vrijheid hun zinnige en onzinnige theorieën kunnen verkondigen en bediscussiëren. Zonder de vrijheid te beledigen en te provoceren is geen vooruitgang mogelijk.
Kenmerkend voor een totalitair systeem – communisme, fascisme of islamisme is dat het geen fouten of afwijkende meningen toestaat. Maar elke belangrijke nieuwe, afwijkende theorie is ooit als belachelijk, godslasterlijk of staatsondermijnend van de hand gewezen. Ook de oude wetenschapspioniers werden belasterd en beschimpt, terwijl zij zich toch als vrome christenen beschouwden en er niet op uit waren de dogma’s van het christendom te ondermijnen. Die goede trouw werd niet beantwoord. De als ketters beschouwde theorieën van de nieuwlichters werden door zowel vertegenwoordigers van de Katholieke Kerk als door de grote voorvechters van de Reformatie fanatiek bestreden.
De bestrijders moesten het onderpit delven. Dat is het grootste verschil tussen de islamitische wereld en de het westen: in het westen hebben religieuze dogma’s het af moeten leggen tegen vrijheid van gedachte, meningsvorming en meningsuiting. Geen ontwikkeld mens twijfelde in 1761 aan het heliocentrisch stelsel, net zoals men de waarde inzag van verstandelijk redeneren en experimenteren als manieren om de wereld en de plaats van de mens daarin te leren kennen.
Tussen de wetenschapsrevolutie en de industriële revolutie is geen eenvoudig direct verband aan te wijzen. Maar zonder het nieuwverworven vertrouwen in z’n vermogen de wereld te veranderen en naar z’n hand te zetten, is de economische en technologische bloei die op de wetenschappelijke doorbraken volgde moeilijk te verklaren. Filosofen van de Verlichting zoals Adam Smith verschaften de theoretische onderbouwing voor nieuwlichterijen als spoorwegen, fabrieken, kapitalisme, arbeidsverdeling, concurrentie, internationale handel en internationale investeringen. The Wealth of Nations van Adam Smith verscheen in 1776, het jaar dat ook wel het Annus Mirabilis van de Verlichting wordt genoemd.
Op het moment dat de Arabieren bang waren dat Niebuhr en z’n vrienden gekomen waren om hun stad op z’n kop te zetten, was de Schot James Watt bezig om de stoommachine uit te vinden. Een paar jaar later patenteerde James Hargreaves z’n Spinning Jenny. Die technische vernieuwingen en de welvaartstoename die ermee gepaard ging leidde tot een andere inrichting van de samenleving: de standenmaatschappij werd vervangen door de klassenmaatschappij. Dit plaveide de weg voor de verworvenheden die we nu kennen: vrijheid, democratie, gelijkheid voor de wet, emancipatie van vrouwen en arbeiders, de omverwerping van traditionele vormen van bestuur en de afschaffing van de slavernij.
Laat me benadrukken dat al die ontwikkelingen zonder voorvechters voor het vrije woord niet hadden kunnen plaatsvinden. Zonder de vrijheid religie te bekritiseren had niemand het kunnen opnemen voor slaven, vrouwen en arbeiders, en had niemand kunnen vechten voor stemrecht of de opheffing van apartheid. Geestelijken en reactionairen hadden dan altijd kunnen tegenwerpen dat dit soort ketterijen ingingen tegen de door god gegeven orde. Zonder de vrijheid religie te bekritiseren is menselijke vooruitgang dus niet mogelijk.
Daarom snap ik niet dat Uffe Ellemann-Jensen – de Deense minister van Buitenlandse Zaken – een groep industriëlen en een groot aantal publicisten, artiesten en mediamensen het nodig vonden zichzelf te vernederen door de publicatie van de Mohammed-cartoons door de Jyllands-Posten te veroordelen. Dat abjecte standpunt illustreert alleen maar dat zij niet begrijpen waar de westerse wereld voor staat en welke factoren tot haar succes hebben geleid. Zij zijn zo naïef te geloven dat we met reactionairen en religieuze fanaten compromissen kunnen sluiten en tegelijkertijd onze progressieve maatschappij en economie staande kunnen houden. Ze begrijpen niet dat we onze uitspraken moeilijk ter controle kunnen voorleggen aan de sheiks van Al-Azhar of de mullahs van Teheran of een Raad voor Europese Fatwa’s of de paus van Rome of de bisschop van Kopenhagen. Dat zou het eind van onze beschaving inluiden.
De kwalijke invloed van de publieke opinie
Voor de gevaren die het vrije woord bedreigen moeten we niet alleen kijken naar de traditionele seculiere en geestelijke machthebbers. De zogenoemde publieke opinie kan net zo gevaarlijk zijn, zo niet gevaarlijker. Die publieke opinie staat meestal voor wat men hoort te denken’. En als men’ het niet hoort te denken’, dan in ieder geval voor wat men hoort te zeggen’. Tenminste, als men deel uit wil blijven maken van de beschaafde politiek-correcte consensus.
Machthebbers, koningen, aristocraten, geestelijken, bureaucraten en partijleiders hebben allemaal hun best gedaan vrijheid van meningsuiting tegen te werken. Maar zij deden dat tenminste openlijk en hun bedoelingen waren duidelijk. Dat mag kwalijk zijn, maar zoals Søren Kierkegaard zei: Ik klaag niet omdat de tijden beroerd zijn, maar omdat ze verachtelijk zijn’.
Kwalijk is wat anderen jou aandoen. Verachtelijk is wat je je jezelf aandoet, zoals niet zeggen wat gezegd hoort te worden omdat je bang bent dat je jezelf anders buitenspel zet.
De publieke opinie is wat anders dan wat mensen echt denken. Het is niet de som van alle meningen samen. Die zijn via verkiezingen of enquètes boven tafel te krijgen. De publieke opinie staat voor de meningen die door massamedia en vooraanstaande maatschappelijke organisaties worden uitgedragen. Die instellingen zijn zo machtig dat regeren zonder hun steun niet mogelijk is, zelfs als de zwijgende meerderheid het met de bestuurders eens is. Wie het hardste schreeuwt bepaalt de koers.
De publieke opinie is niets meer dan één mening tussen vele, maar ze ontleent haar macht aan de moraal. Opinieleiders hoeven hun mening niet te beargumenteren, ze hoeven die van anderen alleen maar af te doen als belachelijk, immoreel, conservatief, of erger. Ze zijn er vaak niet toe in staat in te zien dat hun blik op de wereld net zo bevooroordeeld is als die van anderen en dat hun blik slechts één van vele is. Door hun sterke positie zijn ze blind en doof geworden voor andere wereldbeschouwingen.
In het westen wordt vrijheid van meningsuiting vrij algemeen verdedigd. Toch heeft ook daar die vrijheid z’n grenzen, want het blijkt heel moeilijk om tegen de publieke opinie in te gaan. Dat kan het einde van je carrière betekenen. Dus is het beter om met de mond te belijden dat je achter zo’n mooi abstract concept als vrijheid van meningsuiting staat, terwijl je er een paar maars’ achteraan plakt: tuurlijk, vrijheid van meningsuiting, goed idee. Maar je mag anderen niet beledigen. Maar je mag anderen niet kwetsen. Maar je moet wel fatsoenlijk blijven.
Door zo’n opinieklimaat kunnen mensen gaan denken dat anderen die tegen de gevestigde mening ingaan wel immoreel of zelfs slecht moeten zijn. Of zoals Jean Baudrillard het zei: Politieke consensus heeft het kwade uit onze samenleving verdreven maar het onmogelijk gemaakt ons ertegen te verdedigen. ( ) Het verdrijven van het kwade is een obsessie van ons. Dat heeft tot een soort Totalitarisme van het Goede geleid. Om het wat minder dramatisch te stellen: ons streven naar consensus wordt aangejaagd door een neiging tot totalitarisme. Dat is een probleem omdat we daardoor niet meer in staat zijn het kwade te herkennen’.





RSS