Frontaal
Naakt
19 maart 2007

Werkloosheid en armoede

Auke Hulst en Hans Hulst

5712 (120k image)
The Devil in Design.

Bij de eerste oliecrisis steeg de werkloosheid in Nederland enorm. Aanvankelijk reageerde het kabinet Den Uyl met een ‘Keynesiaans’ beleid van stimulering van de economie. Op de burelen van het Centraal Planbureau onstond twijfel of dat wel de goede aanpak was. De directeur C. A. van den Beld stelde zijn medewerker H. den Hartog een buitenlands artikel ter hand, en vroeg hem te onderzoeken of er iets in de daarin besproken ‘jaargangenbenadering’ zat. Samen met H. S. Tjan ontwikkelde Den Hartog toen het jaargangenmodel.

Dit model leidde toendertijd tot revolutionaire conclusies. Bij te hoge arbeidskosten werden bijvoorbeeld oudere kapitaalgoederen afgestoten. Het belang van dit verschijnsel is dat wanneer de loonkosten naderhand weer verlaagd worden, de afgestoten productiecapaciteit niet zomaar weer terugkomt, de werkloosheid blijft dus voortduren. Het leek aldus zaak om de loonkostenontwikkeling vanaf het begin goed te bewaken. Na een heftige wetenschappelijke en politieke discussie was dat de aanbeveling die overeind bleef, het Nederlandse beleid van loonkostenmatiging was geboren. In 1982 culmineerde dit in het ‘akkoord van Wassenaar’ tussen FNV voorzitter W. Kok en VNO voorzitter C. van Veen, het nu veelgeroemde fundament van het poldermodel.

Terwijl beleidsmakers voortdurend behoefte hebben aan simpele waarheden en het Vintaf-model van Den Hartog en Tjan zodoende in de ogen van de buitenwacht triomfen vierde, groeide binnen het CPB de twijfel of deze aanpak wel zo zaligmakend was. Het probleem was dat ondanks het beleid van loonmatiging de werkloosheid (te) hoog bleef. De afkalving van de Nederlandse productiecapaciteit betrof ook vooral de neergang in de kleding- en textielindustrie, en het was niet correct om macro-economische conclusies alleen aan de ontwikkelingen in een enkele bedrijfstak op te hangen. Bovendien groeide de onevenwichtigheid op de lopende rekening van het betalingsbalans. Doordat Nederland een goedkoopte-eiland werd, werd er meer aan het buitenland verkocht dan er werd aangekocht, en tegelijk met loonmatigingen en werkloosheid zit Nederland nu al jaren opgescheept met een overschot op de lopende rekening.

In een artikel dat door sommigen nu geniaal wordt genoemd, analyseerde CPB-medewerker M. van Schaaijk hoe deze verschijnselen van loonmatiging, werkloosheid en overschot met elkaar samenhangen. Op deze plaats is het voldoende om de samenvatting van diens artikel in Economisch Statistische Berichten (ESB) uit 1983 te citeren:

“Al enige jaren wordt er een economisch beleid gevoerd gericht op matiging van de lonen in de hoop aldus via winstherstel investeringen uit te lokken en de werkgelegenheid te bevorderen. De effectiviteit van dit beleid wordt echter voor een deel tenietgedaan doordat de loonmatiging leidt tot binnenlandse vraaguitval en een opwaartse druk op de gulden die de export bemoeilijkt. Deze bezwaren zouden kunnen worden voorkomen als de gemiddelde loonstijging onberoerd zou worden gelaten, maar er in de loonvorming een differentiatie zou plaatsvinden naar inkomenshoogte, waarbij die inkomensgroepen die de hoogste werkloosheidskans hebben ook de grootste loonmatiging zouden moeten ondergaan. Omdat de werkloosheid vooral bij de lagere-inkomenscategorieën is geconcentreerd zou een dergelijk beleid echter sterk denivellerend werken en daardoor op gespannen voet staan met het inkomensbeleid. Het is evenwel mogelijk door middel van verschuivingen in de belasting- en premiedruk te verhinderen dat denivellering in de primaire sfeer leidt tot een aantasting van de laagste netto-inkomens. Denivellering van de bruto-inkomens zou dus gepaard kunnen gaan met nivellering van de werkloosheidskans. In dit artikel werkt de auteur enkele varianten uit waarin deze gedachte centraal staat. Daarbij wordt berekend welke de consequenties zijn voor de marginale lastendruk en voor de inkomensverdeling.”

De analyse van Van Schaaijk werd om onduidelijke redenen niet door het CPB omarmd. Er gebeurde weinig mee. Was het mogelijk dat Den Hartog, die inmiddels onderdirecteur was kritiek op zijn model niet leuk vond? Was het de regering, die nu zoveel had geïnvesteerd in het concept van de loonmatiging, die zich geen gezichtsverlies kon permitteren? Moeilijke vragen waarop ook wij het antwoord niet weten. We kunnen alleen concluderen dat er nauwelijks iets met de analyse van Van Schaaijk gebeurde.

Januari 1988 verscheen er in ESB een verwant artikel van CPB-collega A. Bakhoven. In zijn artikel, Een marktgerichte oplossing voor het werkloosheidsprobleem, schetste Bakhoven de situatie dat het inkomensbeleid de marktwerking frustreert, en dat mede hierdoor een te hoge werkloosheid bestaat, die vooral de lagere inkomensgroepen treft. Tevens deed hij voorstellen om verbetering in deze situatie te brengen.
Bakhovens voorstel kreeg de nodige aandacht in de pers en trok ook de aandacht van Rudolf de Korte, toendertijd minister van Economische Zaken. Toch deed de bewindsman niets met de voorstellen.

Interne stukken van het ministerie van Economische Zaken uit die tijd werpen een bizar licht op het bij De Korte ontbreken van animo om iets met de plannen te doen. Wat was er gebeurd? Nadat De Korte lucht had gekregen van de ideeën van Bakhoven liet hij zich over het plan voorlichten door de directeur economische politiek Gerrit Zalm, de huidige minister van Financiën. In de notitie die Zalm hiertoe voor de minister schreef, werden het plan en de effecten ervan op de werkloosheid somber geschetst. Opvallend is dat Zalms notitie een verkeerde voorstelling van zaken geeft ten aanzien van de merites van het plan-Bakhoven. De negatieve toonzetting van Zalm, die ook doorklonk in een concept-antwoord op een brief van Bakhoven die hij voor de minister voorbereidde, maakte dat de interesse van De Korte wegebde. En dus bleef het voorstel op de plank liggen.

Niet veel later, we schrijven 1990, hield Zalm, die ondertussen directeur van het CPB was geworden, een aan Bakhoven verwante analyse tegen, en voorkwam publicatie onder CPB-vlag. De analyse die Zalm blokkeerde is de analyse die ten grondslag ligt aan dit boek, en dezelfde misvattingen die toendertijd ten grondslag lagen aan de negatieve beoordeling van ‘Bakhoven’ kwamen ook nu weer bovendrijven. Zalm speelde dankzij de grillige wegen van het toeval zo twee keer een hoofdrol in het niet in het beleid laten doorsijpelen van vernieuwende gedachten ten aanzien van het werkgelegenheidsbeleid.
Anno 1998 werken zowel Van Schaaijk als Bakhoven niet meer bij het CPB. Met hun gedachten is niets gebeurd. Het CPB geeft nog steeds het advies tot loonmatigen, en dat is wat Nederland ook is blijven doen.

Het bovenstaande is een fragment uit Werkloosheid en armoede, de oplossing die werkt van Hans Hulst en Auke Hulst met medewerking van Thomas Cool, econometrist en samen met journalist Hans Hulst auteur van De ontketende kiezer(2003).


Reacties gesloten. Mail de redactie.

« home