Frontaal
Naakt
25 maart 2007

Vroom bedrog

Peter Breedveld

5905 (216k image)
Scène uit Frank Millers 300.

Het grote publiek heeft de wetenschap ontdekt. De vraag is enorm, het aanbod ook. Vroeger had Chriet Titulaer het monopolie, tegenwoordig zien we figuren als Bas Haring, Midas Dekkers, Wubbo Ockels, Jaap Seidell, Frans de Waal, Maarten van Rossem overal: op televisie, in de Viva en in de zaterdagbijlage van de krant. Populairwetenschappelijke boeken gaan als zoete broodjes over de toonbank. Ze halen niet allemaal de astronomische oplagen van de werken van natuurkundige Stephen Hawking, maar populair zijn ze, de boeken voor leken waarin de relativiteitstheorie wordt uitgelegd, genetica inzichtelijk wordt gemaakt of de buitenaardse herkomst van de Maya’s onthuld.

Vragen oproepen
Maar hoe weet de lezer of hem geen knollen voor citroenen worden verkocht? Niet-wetenschappers moeten er maar op vertrouwen dat een boek wetenschappelijk verantwoord is en dat hen niet van alles op de mouw wordt gespeld. In 1991 verscheen van de Amerikaanse wetenschapsjournalist David Lerner het boek The Big Bang never happened (‘De Big Bang heeft nooit plaatsgehad’) waarin hij, gesteund door een aantal astronomen, de bekende Big Bang-theorie van tafel veegde en er een eigen theorie voor in de plaats poneerde.

Waaraan kun je zien dat het hier niet om bonafide, maar een zeer gevaarlijke variant van pseudowetenschap gaat? Volgens Marcel Hulspas, wetenschapsredacteur van de gratis kwaliteitskrant De Pers en schrijver van En de zee spleet in tweeën, een populairwetenschappelijke behandeling van de joodse bijbel, weet je dat je moet oppassen als een auteur vooral antwoorden pretendeert te hebben. “Je hebt vaak een beter boek in handen als de schrijver vooral vragen probeert op te roepen en je als lezer een eigen mening laat vormen”, zei Hulspas tijdens een drukbezocht debat over populaire wetenschap. De bijeenkomst was georganiseerd door Athaenaeum Uitgeverij, Athaenaeum Boekhandel en de oudheidkundige school Livius Onderwijs in het Allard Piersonmuseum.

Behalve Hulspas debatteerden astronoom en voorzitter van de Vereniging van Wetenschapsjournalisten Govert Schilling (schrijver van onder andere De kosmos in een notendop), en historicus Jona Lendering, stichter van Livius Onderwijs en schrijver van het boek Oorlogsmist, over propaganda in de Oudheid. Gespreksleider was Liviusdocent Richard Kroes, auteur van diverse eigenzinnige essays over de geschiedenis van de islam.

Verkeerde boeken
Lendering, die ’s werelds meest uitgebreide website over oudheidkunde beheert, zegt veel mails te krijgen van mensen die vragen hebben over van alles en nog wat. Verkeerde boeken zijn volgens hem de oorzaak. Veel schrijvers vallen in de talloze valkuilen van de populaire wetenschap, zoals een te eenzijdig en te rooskleurig beeld, onvoldoende vakkennis, gebrek aan zelfkritiek, ongenuanceerdheid en aandacht voor allerlei onzin.

Zelfs Lendering en Schilling ontkomen er niet aan aandacht te geven aan populaire mythes als de beroemde brandspiegels waarmee Archimedes in de derde eeuw voor Christus Romeinse schepen zou hebben bestookt (Lendering) en de mysterieuze buitenplaneet Nibiru, die al bekend zou zijn geweest bij de oude Mesopotamiërs (Schilling). “Ik móet daar wel aandacht aan besteden omdat er lezers zijn die het verwachten”, verantwoordt Schilling zich.

Maar terwijl Lendering en Schilling de lezer op zijn wenken bedienen zonder hun integriteit als wetenschapper in gevaar te brengen, vliegt David Lerner er vreselijk mee uit de bocht. Een algemeen aanvaardde theorie ontkrachten is altijd goed voor de verkoopcijfers, maar Lerner vergeet zijn lezers er duidelijk op te wijzen dat de Big Bang-theorie een theorie is, een verzameling aannames waarmee wetenschappers kunnen werken, wat meer is dan men kan zeggen van zijn eigen theorie over het ontstaan van het universum. Lerners meest onvergeeflijke fout is misschien nog wel dat het hem ontbreekt aan elke vorm van zelfrelativering. Hij lijkt zichzelf werkelijk als een wetenschappelijke messias te zien.

Iets dergelijks overkwam ook voormalig onderwijsminister Maria van der Hoeven, die anderhalf jaar geleden gemakzuchtig uithaalde naar de evolutietheorie om onderwijzers de idee van de Intelligent Design op te dringen. Maar wetenschappers boeken resultaten door te werken met de evolutietheorie, hoe incompleet of speculatief die ook is. Met de theorie van de Intelligent Design kan een wetenschapper niets.

Het gevaar van dergelijke capriolen van Van der Hoeven en Lerner schuilt in het feit dat met het verdachtmaken van één standaardtheorie álle standaardtheorieën in een kwaad daglicht komen te staan in de ogen van het grote publiek. En daaronder lijdt het imago van de gehele wetenschap.
“Populariseren is vroom bedrog” meent Hulspas. “In populair-wetenschappelijke boeken komen eigenlijk alleen de mooie zaken en de triomfen van de wetenschap aan de orde. Aan blunders als de schedelmeetkunde en de genetische theorieën van Lysenko wordt zelden aandacht besteed. Je zult ook niet snel lezen over de frustratie van het wachten in het lab om, als je je meetresultaten eenmaal hebt, te ontdekken dat een ander team je een slag voor is geweest.”

Onwenselijke situatie
Populaire wetenschap, het moest eigenlijk niet mogen. “Maar iemand moet de wetenschap inzichtelijk maken voor het publiek”, meent Lendering. De universiteiten laten het volgens hem afweten. “Academici krijgen geld omdat ze een maatschappelijke taak hebben, en daar zullen ze de tijd dan ook maar voor moeten vrijmaken. Maar ze doen weinig om de samenleving uit te leggen waarmee ze bezig zijn. Te weinig academici schrijven, behalve voor hun collega’s, ook voor het brede publiek. Iemand als de Utrechtse nieuwtestamenticus Piet van der Horst, die beurtelings voor zijn collega’s en voor de belastingbetalers schreef, toonde dat het kon. Maar hij is wel een uitzondering. Het is toch vreemd dat dit debat wordt georganiseerd door een uitgeverij, een boekhandel en een privéschool, en niet door een universiteit?” Totdat universiteiten hun verantwoordelijkheid gaan nemen, hebben popularisatoren volgens Lendering bestaansrecht. “Maar het is een onwenselijke situatie.”

Wat universiteiten in de tussentijd wel zouden kunnen doen om de maagdelijke lezer te wapenen tegen populairwetenschappelijke vuigheid, meent Lendering, is een soort virtuele encyclopedie op het Internet zetten, een soort Wikipedia, maar dan betrouwbaar, waarin de feiten wel accuraat staan. Zo’n naslagwerk zou meteen een hoognodig tegengif zijn voor de rotzooi die ons via het Internet ten deel valt. “Kijk naar het creationisme, maffe theorieën over Atlantis en antisemitisme,” zegt Hulspas daarover. “Die zijn dankzij het wereldwijde web weer helemaal terug van weggeweest.”

Hulspas en Schilling zien echter meer in de zelfredzaamheid van de lezer. Ze geven hem wat instrumenten mee om zelf te kunnen beoordelen of een boek deugt of niet: laat hij zien welke methodes hij hanteert? Pretendeert de auteur de antwoorden te weten, of roept hij vooral vragen op? Volgt hij de wetenschappelijke methode van trial and error? Durft hij eigen fouten te erkennen? Legt hij uit welke argumenten hij heeft? En vooral: durft hij te zeggen ‘dit weten we niet’? Schilling: “Het gaat in de wetenschap minder om het vaststellen van wat wáár is, want dat is vaak niet mogelijk, maar om het uitrangeren van foute kennis.”

Dit artikel verscheen eerder in Ad Valvas, weekblad van de Amsterdamse Vrije Universiteit.

Jona Lendering
Reageren? Mail de redactie.