Wagner voor dummies
Hafid Bouazza

Wanneer op het einde van Das Rheingold de goden het Walhalla over een regenboogbrug betreden, zingt Wotan de volgende vervoerde woorden:
Het oog van de zon straalt in de avond;
In een schitterende gloed prijkt de luisterrijke Burcht…
De nacht nadert: tegen zijn nijd
Biedt hij ons bescherming.
Zo groet ik de burcht,
Veilig voor angst en gruwel
Volg mij, vrouw: woon met mij in Walhalla!
En hij neemt Fricka bij de hand. Bij deze woorden klinkt voor het eerst het motief dat, zoals we pas in Die Walküre zullen bemerken, voor het zwaard Nothung staat. Dit verbindt het eerste deel alvast met het tweede deel. Er staat iets te gebeuren en de regie-aanwijzing van Wagner geeft dan ook het volgende aan: [Wotan] Wie von einem grossen Gedanken ergriffen, sehr entschlossen.
Het oog van de zon’ duidt op het oog van Wotan zelf, dat hij opofferde (voor kennis of voor de liefde van Fricka? Wagner geeft beide opties) en dat de zon werd; er is een obsessie met ogen en licht (in de hele cyclus eigenlijk van Der Ring des Nibelungen); er is een impliciet zwaard (het muzikale motief); er is de duisternis. En er is het stralende oog. Vergelijk dit met de volgende monoloog van Siegmund uit Die Walküre:
Een zwaard beloofde mijn vader mij;
Ik zou het in de hoogste nood vinden…
Waar is je zwaard?…
Wat flakkert ginds uit vonkelstralen op?
Wat een gestraal breekt er uit de essenstam.
Een schicht bestraalt de blinde ogen,
Lustig lacht daar een blik.
Is het de blik van de luisterrijke vrouw?…
Nu verbleekt het stralen, het licht dooft,
Nachtelijk donker dekt mijn ogen toe
Nog is het zwaard niet gematerialiseerd, al weerklinkt zijn motief herhaaldelijk. ( Een van de geneugten van het gebruik van leidmotieven bij Wagner is dat de luisteraar meer weet dan de personages zelf; het versterkt de tragiek: zij zitten gevangen in een web van noodlottige omstandigheden én een web van muzikale motieven.)
Dit is een onderhuidse verbinding tussen de twee opera’s; het trekt een parallel tussen Wotan, zwaard en Siegmund en inderdaad zal Siegmund niet alleen het zwaard vinden dat Wotan in de essenstam heeft gestoken, maar hij zal ook zijn zoon blijken te zijn.
Het verschil zit hem in de muzikale textuur, die is in Die Walküre complexer dan bij Das Rheingold. Wagner was gegroeid als componist en waar in het eerste deel het netwerk van motieven nog doorzichtig en enigszins simplistisch was, getuigt onze opera van een symfonische rijpheid en rijkdom. Het is zeldzaam dat kunst en biografie zo perfect samenvallen: de tussentijdse ontwikkeling van Wagner als kunstenaar en het temporeel verloop tussen de gebeurtenissen in Das Rheingold en in Die Walküre hadden niet overtuigender kunnen zijn.
Das Rheingold begint met de vervloeking van de liefde door de nachtelf Alberich en Die Walküre met een verliefdheid tussen twee mensen of halfgoden. Met de intrede van het menselijke element, doet ook de liefde haar intrede. Das Rheingold speelt zich af in een wereld van goden, nimfen, reuzen, dwergen en aardmannetjes. In Die Walküre hebben we behalve Siegmund en Sieglinde ook Hunding, de heer der honden, met als apotheose de metamorfose van de walkure Brunnhilde naar een vrouw een metamorfose die zich vervolmaakt in Götterdammerung, wanneer zij de lichamelijke liefde heeft leren kennen. Aanwezig, maar dan onzichtbaar en slechts als leidmotief, is Siegfried, van wie Sieglinde zwanger is. Wat het zwaardmotief voor Das Rheingold is als link naar het vervolgdeel is Siegfrieds motief de verbinding met het volgende deel: een mooi voorbeeld van muzikaal enjambement.
Hartstochtelijk en kosmisch (de elementen) stormt de liefde de opera binnen: verjaagd en achtervolgd door donder en wind valt Siegmund uitgeput en dorstig neer bij het huis van Sieglinde. Het is liefde op het eerste gezicht, een coup de foudre, zo innig en zo intens dat de muziek die fractie van een seconde moet uitspinnen om de intensiteit ervan te kunnen weergeven: alleen met een breekbare melodie op een cello, die solo omhoog zweeft om dan tegemoet gewaaid te worden door zijn gezellen alsof ze bang zijn dat hij vallen zal. (Hier perfectioneert Wagner wat hij al deed in Der Fliegende Holländer wanneer de titelheld Senta voor het eerst ziet.)
De aanvang is karakteristiek voor de hele opera: de oerkrachten waartussen het kloppen van een liefdevol hart zich niet laat verstommen. Die Walküre is een intieme opera, ondanks zulke showpieces als de onverwoestbare Walkürenritt; dit is in wezen een symfonisch gedicht en wordt te vaak log uitgevoerd, terwijl het etherisch zou moeten klinken. Je hoort er het hinniken en briesen van de paarden in, je ziet de wind in hun manen, het slaan van hun vonkende hoeven. Het is waar dat het op de rand van kitsch kan balanceren, maar dat is de uitdaging voor de dirigent. Tempo is hier alles en klankkleur. Mozart heeft gezegd dat in muziek ritme alles is, Beethoven dat het om melodie gaat. Ik weet niet met wie Wagner het eens was, ik denk dat hij beide in zich wilde verenigen.
De intimiteit van de opera toont zich ook in de structuur, die bijna schematisch is. In de eerste akte is er het liefdesduet tussen Siegmund en Sieglinde; zowel Siegmund als Sieglinde hebben een vertellende monoloog. In de tweede akte is er de dialoog tussen Wotan en Fricka en de lange vertellende monoloog van Wotan. Verder is er de dialoog tussen Siegmund en Brunnhilde (de Todesverkündigung). In de derde akte is er een treffen tussen Wotan en Brunnhilde, voordat hij haar tot vrouw en in slaap kust; Wotan sluit af met een magistraal afscheid van Brunnhilde en het tovervuur laait op (een link naar het einde van de Walhalla in Götterdammerung). Dit afscheid is geen vertelling, maar wel een beschrijving van zijn emotionele landschap:
Dit stralende ogenpaar
Dat mij zo vaak in stormen glanzend toeblikte,
Toen wanhopig verlangen mijn hart verzengde,
Naar werelds genot mijn wens reikte,
Uit een wilde en verwarde angst
(Alweer die ogen! Behalve dat het structureel functioneel is en symbolisch voor de ring, heeft het beeld ook te maken met Wagners beperkte metaforiek.) Dit vormt een lyrische antithese met zijn sombere stemming tijdens zijn verhaal in akte II, die alleen de geharde Wagneriaan zal kunnen waarderen:
Toen de lust van jonge liefde verbleekte
Verlangde mijn gemoed naar macht:
Door de woede van plotselinge begeerte voortgejaagd
Overwon ik de wereld voor mij…
De liefde kon ik echter niet laten
Precies: Die Walküre is een opera over de liefde.
De liefde tussen Siegmund en Sieglinde is misschien voor moderne sensitiviteiten wat ongemakkelijk omdat zij incestueus is, verbonden in de baarmoeder en verbonden in het vlees. Dit hoeft ons echter niet af te schrikken, het motief van incest komt in de meeste mythen voor, de bijbel niet uitgezonderd. Opvallend is de aanleiding tot incest. Bij Oedipus is dat de oplossing van het raadsel van de Sfinx: pas nadat hij dat heeft opgelost, pleegt hij, onwetend, incest met zijn moeder. In een mythe van de Algonquin-indianen pleegt een jongeman incest met zijn zus pas nadat hij enigma’s oplost hem voorgelegd door een uil. Siegmund bezwangert zijn zus pas nadat hij het zwaard uit de boomstam heeft getrokken, een daad die alleen hij kan voltrekken. Zoals Sieglinde vertelt:
Het zwaard zou aan hem toebehoren
Die het uit de stam trok.
Hoe koen ze zich ook inspanden, geen van de
Mannen kon zich het wapen toeëigenen
De culturele en antropologische implicaties hiervan zijn mij niet duidelijk, maar geïnteresseerden kunnen het werk van Claude Lévi-Strauss raadplegen. (De seksuele symboliek van zwaard moge duidelijk zijn en er is ook een live opname van deze opera waarin de sopraan, die Sieglinde vertolkt, een geïmproviseerd orgasmatische kreet laat horen, als het zwaard uit de stam wordt getrokken.)
Incestueus of niet, het liefdesduet van S&S is zo niet van een hallucinante schoonheid, dan wel zelf een hallucinatie. Wanneer de maan doorbreekt en het paar beschijnt in de duisternis van het woud, begint de muziek zijde te weven, in een pianissimo heerlijkheid die ons lijkt terug te voeren naar de oerrimpelingen van de Rijn aan het begin van Das Rheingold:
Winterstormen weken voor de wonnemaand,
In een milde schijn licht de lente op;
Op tedere briesjes licht en liefelijk
Wiegt hij zich om wonderen te weven…
Wijd geopend lacht zijn oog
[Commentaar overbodig.]
Dit maanzilveren visioen van licht en lucht krijgt een antithese in akte II, wanneer de vluchtende Sieglinde begint te ijlen, voordat ze neervalt in Siegmunds schoot:
Waar ben je, Siegmund? Zie ik je nog,
Dierbare geliefde, luisterrijke broer?…
Ah daar! Ik zie je! Gruwelijk aangezicht!
De honden blekken de tanden naar je vlees;
Zij slaan geen acht op je edele gezicht;
Hun ferme gebit pakt je bij de voeten,
Je valt – ….
Ze worden achtervolgd door de honden van Hunding, wiens hoorns doemvol weerklinken, een echo van de donder en stormen die Siegmund aan het begin van de opera voortjagen.
Een andere parallel met het liefdesduet is de Todeserkündigung, wanneer Brunnhilde als in een visioen aan Siegmund verschijnt om aan te kondigen dat zij hem naar Walhalla zal brengen, met andere woorden dat hij zal sterven. Zij spiegelt hem een paradijs voor van genot en hedonistische aantrekkingskracht, compleet met Wunschmädchen, Germaanse hoeri’s: let op de zacht dansende klarinetten wanneer deze wensmeiden ter sprake komen. Hij dankt echter voor de eer, wanneer hij begrijpt dat hij dan Sieglinde moet achterlaten. En bij zijn woorden: nach ihnen folg’ ich dir nicht weerklinkt op de strijkers (ik denk altviolen) het huiverende noodlot-motief; een siddering tussen de schouderbladen, het op hol slaan van het hart.
Deze verdubbelingen, parallelen en antithesen zijn zeer toepasselijk in een verhaal van incest, van een innige en innerlijke verbondenheid, want dat is wat liefde is (dat Siegmund en Sieglinde tweelingen zijn, lijkt mij symbolisch hiervoor). Maar tegelijkertijd en paradoxaal genoeg blijkt liefde ook een resultaat van een verbroken verbond.
Alleen door de heilige huwelijksband tussen Hunding en Sieglinde te verbreken, kan Siegmund haar liefhebben. Hunding wendt zich tot Fricka, de hoedster van de echt, om hem te wreken. Fricka weet Wotan zover te krijgen dat hij belooft Siegmund niet te beschermen. Hun dialoog is amusant realistisch en ik heb mij altijd afgevraagd of Wagner hierin niet wat autobiografische wrevel heeft verwerkt (Je trouwe gemalin bedroog jij onophoudelijk’). Wotan heeft wijsheid gekregen van de aardegodin Erda in ruil voor liefdestover’ (lees: seksuele liefde) en het is de liefde, zoals hij hierboven zelf zegt, die zijn zwakke plek is. Hij ziet geen kwaad in wat Siegmund en Sieglinde hebben gedaan:
Wat voor kwaad heeft dat paar aangericht
Dat door de lente in liefde werd verenigd?
Liefdes magie betoverde hen,
Wie zou er moeten boeten voor minnes macht?
Fricka houdt echter voet bij stuk en zij heeft gelijk. Wat Wotan vergeet is dat het zijn verbroken contract met de reuzen Fafner en Fasolt (die Walhalla voor hem hebben gebouwd) was, die de schemering inluidt van de goden. En wat wilden de reuzen hebben? Freia, godin van de liefde. Fricka, als een echte echtgenote, heeft hem door:
Je verwerpt alles wat je ooit eerbiedigde;
Verbreekt de banden die jezelf hebt gebonden
Zoals hij nu inziet is hij, die ooit door verdragen heerste, nu knecht geworden van die verdragen:
Ik moet verlaten wie ik liefheb
Doden wie ik bemin
Bedriegen en verraden wie mij vertrouwt
Vertrouwen en liefde delven het onderspit voor droge verdragen. De enige overlevende in Der Ring des Nibelungen is Alberich, de duistere vijand van de liefde’, degene die liefde heeft afgezworen. Weliswaar weet hij een kind te verwekken, maar in ruil voor goud en niet, zoals Wotan, voor kennis. In een werk dat handelt over ethische kwesties, lijkt alleen het materiele van duurzame waarde.
Ook Brunnhilde zwicht voor de macht van de liefde en verbreekt daarmee zowel haar band met Wotan (zij is zijn dochter) als hun verbond. Ik heb niet geteld, maar het woord Band en alle variaties daarop komen talrijk voor in Die Walküre. Wanneer Wotan met zijn speer het zwaard Nothung in stukken slaat, vormen de fragmenten ervan niets anders dan een symbool voor een versplinterde wereld. En dat Wotan het zelf doet is al veelzeggend: er is een curieuse drang naar megalomane zelfdestructie in deze god met menselijke trekken.
In zijn tomeloze woede op Brunnhilde, is het nu de beurt aan Wotan om haar te herinneren aan hun verbond. Zij heeft zijn nadrukkelijke bevel voor Hunding te strijden genegeerd, zij is een bevel van hem ongehoorzaam geweest (Wat ben je anders dan de blinde/ willekeur van mijn bevel?’). Wat zij heeft gedaan en hiermee weet zij hem uiteindelijk te vermurwen is zijn wens ten uitvoer brengen, niet zijn bevel. Aanvankelijk had hij haar gevraagd aan de kant van Siegmund te vechten, maar hij nam zijn beslissing terug. Dan zegt Brunnhilde: Toen Fricka u een vreemdeling maakte voor uw eigen voornemens.’ Touché.
Het is een grimmige wereld waarin liefde leidt tot een breuk: liefde is verlies van controle en in dit geval een verstoring van kosmische ordening. Das Ende! Das Ende!’ roept Wotan getergd uit en alles zal ook onherroepelijk leiden naar dat einde. De storm aan het begin van de opera is de verwoestende kracht van de liefde in een wereld die draait op verdragen (Was du bist, bist du nur durch Verträge,’ zegt Fasolt tegen Wotan in Das Rheingold); maar een verdrag en liefde sluiten elkaar uit. Liefde is rebellie, anarchie en kan niet gedijen in een hiërarchische wereld. De grenzen tussen Nibelheim, Riesenheim en Walhalla zijn vervaagd.
Die Walküre begint met het element lucht en eindigt in vuur. Loge wordt opgeroepen om het magische vuur te ontsteken rondom slapende Brunnhilde en hij gehoorzaamt: Zoals ik je aan mij bond, zo roep ik je vandaag aan!’
Wie kiest voor de liefde eindigt in vuur, de hel. Het is treurig, maar niet anders.
Hafid Bouazza (1970) schildert, componeert, kookt, goochelt, bedwelmt, prikkelt de zinnen en verruimt de geest met zijn woorden. Onderga zijn boeken. Bovenstaande tekst staat in het programmaboekje van de opvoering in maart 2007 van Die Walküre door de Vlaamse opera, onder regie van Ivo van Hove. Hafid schrijft geweldig meeslepend over opera in De vierde gongslag.





RSS