Yad Vashem
Hanna Bouaicha

Illustratie: Michel Kok
Ik stelde het uit, en ik stelde het uit. Ik wist dat ik Israël niet ging verlaten zonder Yad Vashem, het Holocaust-museum te hebben bezocht. Toch hield iets hield me tegen maar ik wist niet goed wat. Ik besloot dat het er vandaag van moest komen.
De Holocaust is voor mij een groot ding. In mijn eerste stuk op deze site refereerde ik er kort aan ter verklaring van mijn motivatie om naar Israël te komen. Ik wist toen al dat het wat magertjes overkwam om zo zijdelinks te vertellen hoe de dagelijkse verhalen over Anne Frank mij als kind hadden geraakt. Maar geen kanonslag is genoeg om het gevoel over zoiets als de Holocaust te omschrijven. Dat kun je alleen als individu voelen. Je voelt het diep in je lichaam tot aan je beenmerg. Je voelt het aan je maag die samentrekt, je hartkloppingen. Je voelt het in je ziel die ineenstort in een diepe leegte van verdriet. Dat voelde ik als kind en ook later toen ik wat ouder was als ik weer geconfronteerd werd met de beelden. En dat voelde ik vandaag in Yad Vashem.
Ik had mezelf een drempel opgelegd. En zoals dat gaat met drempels, hoe dichterbij je komt hoe zenuwachtiger je wordt. De bus zette me af en ik zag een bordje met een verwijzing richting het museum. Misschien is zelfs daar over nagedacht want de korte wandeling door een rustgevend bos was aangenaam. Zowel voor de aankomst, als voor het vertrek, een soort transitie tussen het museum en de wereld van nu.
Al wandelend vroeg ik mezelf weer waarom ik het had uitgesteld, waarom ik niet eerder was gegaan? Toen bemerkte ik een angst. Angst voor de heftigheid en de pijn. Het was al te lang geleden dat ik echt geconfronteerd was met die realiteit. Eigenlijk was het alleen tijdens mijn kinderjaren dit drama me in zijn meest pure vorm in beslag had genomen, het is me altijd bijgebleven. Waarschijnlijk was ik toen ook meer vatbaar. Later heb ik, zoals het hoort bij volwassen worden, een mooi schild om me heen gebouwd. Sporadisch, als er dan weer eens een beeld voorbijkwam, kon het soms dwars door alles heen gaan. Ook deze beelden en dat allesdoordringende gevoel zijn me bijgebleven. Ik identificeerde me heel erg met het leed van de Joden. Voordat ik er überhaupt over kon nadenken, stopte ik het weer snel weg. Want het waren slechts interrupties in mijn eenvoudige leven.
Het gevoel heb ik nooit van me af kunnen schudden. Later vertaalde ik het deels naar intellectuele argumenten in relatie tot mijn afstuderen. En daar zit ik dan, thuis in Jeruzalem na een bezoek aan Yad Vashem en probeer ik vat te krijgen op mijn gevoel en denken. Tot dit moment heb ik me zoveel als ik kon georiënteerd in deze omgeving en daar af en toe ook analyses op los gelaten of een mening gevormd die ik dan soms in stukjes zoals deze schreef. Eigenlijk had ik de Holocaust daar niet in mee genomen. Natuurlijk was het er wel, op de achtergrond en wist ik ook dat het een behoorlijke invloed heeft gehad op bijvoorbeeld de staatsvorming van Israël. Maar vandaag voelt het anders. Nadat ik de confrontatie heb opgezocht. De confrontatie met die afschuwelijke werkelijkheid en de confrontatie met mezelf.
Als de Holocaust al zo’n effect op mij kan hebben, een relatieve buitenstaander, hoe moet het dan zijn voor elke Jood, voor alle nabestaanden? Dan krijgt het thema bestaansrecht’ een andere lading. Normaal gesproken kan ik me niet bepaald vinden in het concept van the chosen people‘ (los van het in mijn ogen absurde religieuze), het vergroeide culturele aspect van zich als Jood speciaal’ voelen. Mijn weerstand is vooral omdat speciaalheid’ niet ver verwijderd is van een mogelijk superioriteitsgevoel’. Maar de Holocaust is een unieke gebeurtenis die Joden tegen wil en dank speciaal maakt’. Het schrijft hun geschiedenis en daarmee hun cultuur, hun psychologie, hun zijn.
Wat ik eerder het krampachtig’ aanhangen van de Joodse identiteit noemde, krijgt in deze context meer betekenis. Maar vooral de enorme verdediging,- en overlevingsdrang en ook het subliem georganiseerde IDF (Israel Defense Forces), vallen op hun plek. Als ik de Israëlische maatschappij gemilitariseerd’ noem dan spreek ik behalve een constatering ook kritiek uit. Nog steeds vind ik het niet gezond dat agressie en angst op zo’n natuurlijke manier deel van je systeem wordt. Maar het is een noodzakelijk kwaad in deze situatie, vanwege de voortdurende dreiging.
Nu relateer ik deze aspecten ook aan de beelden van de Holocaust. Joden waren in diaspora en over het algemeen militair niet genoeg georganiseerd om tegenwicht te bieden. Bovendien hadden de meeste van hen vanzelfsprekend vertrouwen in de bescherming van hun thuisland. Ik begrijp dan dat Israel als jonge staat, met de schaarse burgers die ze heeft, een zo goed mogelijk verdedigingssysteem wil kweken en opbouwen. De dreiging van een Nazi-regime is voorbij. Maar er is andere dreiging voor in de plaats gekomen. De angst is gebleven.
Persoonlijk houd ik niet van het te pas en te onpas gebruik van de Holocaust als een gemakkelijke losstaande metafoor. De Holocaust is zo ongelofelijk uniek en weerzinwekkend, dat, gelukkig tot nu toe, geen enkele volledige vergelijking afdoende is. Ik wil ook totaal niet stellen dat de huidige dreiging van Israël enigszins vergelijkbaar is met toentertijd die van Hitler en aanhangers. Andersom geldt hetzelfde dat ik ook nooit een dergelijke vergelijking zou willen trekken naar het handelen van Israël richting de Palestijnen.
Natuurlijk zijn er losstaande dingen ten aanzien van het conflict die op zijn minst discutabel zijn. De Muur is daar een voorbeeld van. Echter het probleem van een losstaande vergelijkingen maar ook zoals ik nu zelf doe, het benoemen van een element zoals De Muur, is dat het uit verband wordt getrokken. De realiteit is complex en hangt met allerlei verschillende meer en minder morele draden aan elkaar. Aan wie is het, op welk moment om moreel te oordelen?
Als mensen gaan gooien met termen als etnische zuivering’, waar Israël schuldig aan zou zijn, dan gebeurt er iets met mij, ik word boos en defensief voor Israël. Afhankelijk van definities en perspectief zou je kunnen stellen dat rond 48 Israël strategisch veel Arabieren heeft verjaagd. Het is ook niet zo dat ik die geschiedenis niet wil erkennen. De reden dat ik moeite heb met de term etnische zuivering’ is vanwege de impliciete toon. Al weet ik dat het niet de letterlijke betekenis is, maar in mijn beleving gaat de toon richting de systematische uitroeiing van mensen op basis van etniciteit.
Ik benoem het hier omdat voor mij elke keer als deze woorden vallen, de Holocaust-put open gaat. Dat is dus niet zozeer rationeel maar een emotionele reactie. Het voelt niet goed, mij huid spant zich samen, deze toon heeft voor mij de overhand en is te pijnlijk. Rationeel probeer ik de ander uit te leggen dat taalgebruik verder gaat dan feitelijke betekenis, dat dit soort termen functioneren als provocatie en je er daarom niets mee bereikt, althans niet als je uitbent op dialoog of begrip.
Yad Vashem is in meerdere opzichten indrukwekkend. Ten eerste de inhoud van dit onwerkelijke maar waargebeurde script wat de geschiedenis heeft voortgebracht. Het scenario is in retrospectief op een fenomenale wijze beschreven en in beeld gebracht dankzij de uitputtende research en discipline van de duizenden mensen achter de schermen. Ten tweede de vorm. Ze zijn geslaagd in de ultieme uitdaging om het pijnlijke op een geniale manier te vermengen met het esthetische. Het museum toont een rijkdom aan artistieke schoonheid als decor waartegen het verhaal verteld wordt. Een organisatie waarvoor je alleen maar ontzaggelijk veel respect kunt hebben.
Mijn drempel van angst heb ik nu overwonnen. Yad Vashem is juist heel laagdrempelig opgezet om zoveel mogelijk mensen te bereiken. Daarom zal ik er in de resterende tijd dat ik hier ben nog zeker een paar keer naartoe gaan. Ik ben er nog niet klaar.
Hanna Bouaicha (1974), bijna afgestudeerd socioloog, is Arabier en geïnteresseerd in Joden. Bij voorbaat verdacht! Voor Frontaal Naakt bericht ze regelmatig vanuit Jeruzalem, waar ze de secularisering van joden onderzoekt.





RSS