Vroege integratie?

Jan van Aken

Pins14 (51k image)
Arthur de Pins

In 1596, zo lees ik bij Johannes Menne Postma, loopt er een slavenschip binnen in de haven van Middelburg. Het is een van de eerste Nederlandse slavenschepen; aan boord zijn honderddertig Afrikanen. De Rotterdamse kapitein, Pieter van der Haagen, wil een slavenmarkt organiseren, iets wat op dat moment in onze streken nog onbekend is. De schipper heeft pech; het gemeentebestuur vindt dat het geen pas geeft om in mensen te handelen en na lang vergaderen besluit men dat de Afrikanen moeten worden vrijgelaten, zodat zij een baan kunnen zoeken om in hun levensonderhoud te voorzien.

Wat er verder gebeurt met deze honderddertig jonge mannen en vrouwen vermeldt de studie van Postma niet, terwijl dit nu juist de verhalen zijn die mij fascineren. Waar zijn zij heengegaan? Hebben zij banen gevonden en weten te overleven, om in de loop van vierhonderd jaar volledig op te gaan in de bevolking? In die tijd was racisme geen issue, hoogstens zullen de Middelburgers van de late zestiende eeuw wat vreemd tegen hen hebben aangekeken, want zwarte mensen zagen ze waarschijnlijk niet zo vaak.

In een achttiende-eeuwse biografie van Michiel de Ruyter die ik ooit las, meldt de schrijver, dat Michiel in zijn blauw-geruite-kieljaren een zwarte vriend had uit Vlissingen, Jan Compagnie genaamd, met wie hij samenwerkte als bootsmansmaat. Dat is twintig tot vijfentwintig jaar na de aankomst van het Middelburgse slavenschip. Kan deze Jan Compagnie een zoon zijn geweest van die eerste generatie Afrikaanse migranten-tegen-wil-en-dank? Zijn er nog meer sporen van die Afrikanen te vinden?

In het populaire boek van Professor Dr. Hermann Schreiber over de Hunnen staat ook zo’n curieus verhaal: het gaat over het Champagne-dorpje Courtisols, dat (u kunt het verifiëren op de website) het langste dorp is van Frankrijk. Het is ongeveer tien kilometer lang, en strekt zich min of meer uit langs de oude Romeinse weg van Chàlons-en-Champagne naar Verdun. Het dorpje wijkt op meer dan één punt af van de andere dorpjes in dat stuk van Frankrijk, die immers allemaal rond een centrale kerk zijn gebouwd.

Courtisols ligt vlak bij het dorpje La Cheppe, waar volgens de overlevering de laatste grote slag van de Oudheid plaatsvond: de Slag bij de Catalaunische velden. De verenigde volkeren van Europa, dat wil zeggen de Romeinen samen met alle Germaanse stammen, versloegen hier de Hunnen, de aartsvijanden van de beschaving die al zeventig jaar het Romeinse rijk brandschatten en plunderden. Atilla’ s Hunnen en hun bondgenoten werden verslagen en trokken zich terug naar Pannonië.

Schreiber nu beweert, dat ‘de Hunse gewonden en hun vrouwen in de buurt bleven rondhangen, om zich mettertijd langs de Romeinse weg te vestigen; niet in een kringetje, met eventueel een muur eromheen zoals de christenen dat deden, maar in een lange rij, nonchalant als nog altijd gevreesde Barbaren die weten dat niemand ze wat durft te doen. Tenslotte was de geallieerde strijdmacht na de grote slag, eigenlijk de aller, allereerste Wereldoorlog, uiteengevallen en ieder volk ging zijns weegs om thuis de zaken op orde te stellen.

In de negentiende eeuw schijnt er onderzoek te zijn gedaan naar de zeden en de taal van de Courtisolse bevolking. Schreiber noemt de namen van Abbé Boitel en van P. Guénard. Deze heren (van wie ik de geschriften helaas niet kan vinden) vonden er vreemde huwelijksgebruiken die in niets leken op die van hun buren. Ook bleek het plaatselijke dialect woorden te bevatten die meer met Turks van doen hebben dan met de Germaanse of Romaanse talen. Daarbij komt dat de kinderen van het dorp bij de geboorte bijna allemaal in het bezit zijn van de zogenaamde ‘mongoolse vlek’, een pigmentvlek op de billen, die alleen bij Aziaten voorkomt. Ik had hier nooit van gehoord, maar mijn Chinese dokter kon dit bevestigen.

Toen ik in 1997 zelf in de Champagne was om research te doen voor mijn eerste boek over de Slag op de Catalaunische velden, heb ik de lange straat van Courtisols afgelopen en getracht Hunse kenmerken te ontdekken in de gezichten van de bewoners. Helaas, de Courtisollers zagen er vooral erg Frans uit. Ook de dialectwoorden zijn er – volgens Schreiber – door het rigide taalbeleid van de overheid in de loop van de twintigste eeuw uitgegaan. Die Mongoolse vlek, daar heb ik maar niet naar gezocht.

In later jaren heb ik via Internet nog eens pogingen ondernomen om informatie los te peuteren over deze kwestie bij de plaatselijke kenners van streek en dorp, maar die bewaren een ijzig stilzwijgen. Ook de websites reppen met geen woord over Hunse voorouders. Is na anderhalf millennium alle besef hierover verdwenen? Het is natuurlijk allemaal speculatie, maar interessant is het wel.

In Middelburg ben ik ook geweest, maar toen had ik het boek van Postma nog niet gelezen. Misschien had men een halve eeuw geleden nog wel op zoek kunnen gaan naar vijftiende- of zestiende-generatie afstammelingen van het Middelburgse slavenschip. Toen hadden wij nog bijna geen kleurlingen, zeker niet in Zeeland. Ik zag mijn eerste zwarte mensen op de schipbrug van Willemstad op Curaçao in 1964. Ik was drie en bracht mijn vader het schaamrood op de kaken door te roepen: “Kijk eens, allemaal zwarte Pieten!” Maar nu, in onze veelkleurige samenleving, is het spoor niet meer te vinden. Evengoed zal ik, als ik weer eens in Middelburg kom, iedere inwoner nauwkeurig bekijken. Kom jij uit Suriname? Of misschien, heel lang geleden, toch uit Sao Thomé?

Wat er met Jan Compagnie gebeurde weet ik wel; bijna een halve eeuw na hun kindertijd kwamen De Ruyter en hij elkaar weer tegen. Michiel de Ruyters mannen waren langs de Afrikaanse kust op zoek naar leeftocht, toen een paar inboorlingen hen uitnodigden naar hun dorp, hun onderkoning zou namelijk dezelfde taal spreken als de Nederlanders. En zie! Het was Jan Compagnie; hij was verheugd zijn oude vriend weer te ontmoeten en zij spraken, onder het genot van een glas brandewijn, lang over de goede oude tijd. Langs welke wegen hij in Afrika was gekomen, en hoe hij het tot onderkoning had gebracht, vermeldt de biografie niet. Er valt nog veel werk te verzetten.

Jan van Aken, ‘de Umberto Eco van de Lage Landen’, heeft een nieuw boek uit en schittert vandaag in dagblad De Pers. Lees hier het stuk op de website of hier in de ‘papieren’ krant.

26 februari 2008 — Algemeen

Reacties gesloten. Reageren? Mail de redactie.

« home