Frontaal
Naakt
29 juli 2010

Bali (2)

Peter Breedveld

Het heeft de afgelopen nacht zo lang en hard geregend, dat er overal overstromingen waren. Een deel van de weg naar de Goa Lawah-tempel was in een rivier veranderd. Er stond een TV-ploeg te filmen en we zagen vanuit onze taxi een groep mensen in een prauw voorbijkomen. Wel apart, dat de weg is ondergelopen en dat je dat dan vooral als gelegenheid ziet om je nieuwe prauw uit te proberen, terwijl de politie probeert de ontstane verkeerschaos een beetje in goede banen te leiden.

Mede door die chaos duurde het meer dan twee uur voor we bij de tempel waren aangekomen. Zodra we uit de auto waren gestapt, werden we belaagd door een groep vrouwen die ons sarongs en allerlei prullaria wilden verkopen. Die sarongs waren verplicht in de tempel, zeiden ze. Dat was waar, maar de tempelmensen leenden die gratis aan de bezoekers. Dat wisten we pas toen we al twee sarongs en twee parasols hadden aangeschaft voor veel te duur en er kwam ook nog een man bij met zonnebrillen en een vrouw met een zielig gezichtje en een schattig babymeisje die me ansichtkaarten wilde aansmeren en van alle kanten riepen vrouwen naar ons: “Wanna drink?”; “What you need?”; “I sell you cheap!”

Maar die tempel is prachtig. Duizend jaar oud, gebouwd voor een grot met duizenden vleermuizen erin. Heilige vleermuizen, zei onze gids, maar alleen zolang ze zich in die grot bevinden. Zodra ze de grot verlaten om de oogst op de omliggende fruitgaarden op te vreten, zijn ze niet meer heilig en mogen ze worden doodgemaakt. Ik had gelezen dat diep in de grot een draakachtige slang woont, Basuki genaamd, maar het blijkt om een doodgewone python te gaan die zich tussen het struikgewas boven de grot verschuilt en eens in de twee weken een vleermuisje verschalkt. Na onze rondleiding wilde onze gids een vrijwillige bijdrage (terwijl we gewoon een toegangskaartje hadden gekocht), maar hij was niet tevreden met de vijfduizend rupiah, die ik hem gaf. “Dat is minder dan een euro”, zei hij.

Onze chauffeur bracht ons daarna naar Klungkung, om de Taman Gili te zien, het enige wat de Nederlanders in 1908 hebben overgelaten van het koninklijk paleis van Klungkung. Er staan twee open zalen met prachtige plafondschilderingen, dramatische scènes uit, schat ik, de Balinese mythologie. Er is ook een prachtige poort, waarvan de deuren niet zouden zijn geopend sinds de voltallige koninklijke familie na de nederlaag tegen de Nederlanders ritueel zelfmoord hebben gepleegd.

Tegenover de Taman Gili is een markt, en daar hebben we het echte Bali gezien. Daar heeft iedereen het hier over, ‘het echte Bali’, maar daar weten de verwende toeristen hier niks van, heb ik al wel gemerkt. In het echte Bali zie je geen enkele toerist, want je moet er donkere gangetjes voor door, over glibberige paden, het stinkt er en niemand spreekt hier ook maar een woord Engels (maar ik gelukkig wel Maleis) en je wordt hier niet constant aangeklampt door geldgeile kruimelzwendelaars. Mensen kijken wel even vreemd op als ze een westerse toerist zien, maar ik voelde me eindelijk weer eens ‘in mijn waarde gelaten’, zoals dat zo pathetisch heet.

Hier heb ik voor 5000 rupiah (50 cent) een verrukkelijke lunch gegeten, iets gado gado-achtigs, maar loeischerp. Hassnae heeft niks gegeten, want ze voelt zich niet zo lekker. Ik had er een cola bij, waar ik maar een paar slokken van had gedronken, en toen ik wilde weggaan (na ook nog een heleboel snoep te hebben gekocht, dit alles voor in totaal nog geen twee euro) goten de uitbaters van het eetstalletje de cola uit het flesje, in een plastic zakje met een blok ijs en een rietje erin.

Eigenlijk wil ik de rest van onze Balivakantie alleen nog maar tussen dit soort normale mensen vertoeven. Het zal wel weer worden afgedaan als ‘typisch Nederlands’, maar ik heb in twee dagen een enorme bloedhekel gekregen aan mijn westerse collega-toeristen.


Reacties gesloten. Mail de redactie.

« home