Frontaal
Naakt
12 april 2016

Geweldloze moslims

Marcel Hulspas

aad8
Illustratie: Aadorah

De Ahmadiyya-beweging, die momenteel rond de half miljoen leden telt, begon ooit als een gevaarlijke ketterse sekte binnen de islam. De stichter, de Indiër Mirza Ghoelam Ahmad (1835-1908), beweerde namelijk dat hij de mahdi was, dat wil zeggen de door de sjiitische islam voorspelde messias. Bovendien beweerde hij de reïncarnatie van Jezus, Mohammed én Krishna te zijn.

Het mag duidelijk zijn dat deze boodschap niet met gejuich werd ontvangen. Maar gelukkig voor hem en zijn eerste volgelingen kwam Mirza na een aantal jaren terug op deze claim. Sindsdien vereren zijn volgelingen hem ófwel als een nieuwe profeet, óf (want ook die laatste bewering ging een deel van zijn latere volgelingen te ver) als een zeer belangrijk geestelijk leider. De Ahmadiyya-beweging groeide daarna langzaam maar gestaag, en missioneert nog steeds actief onder moslims in Groot-Brittannië en de Verenigde Staten. Elders, met name in de islamitische wereld, zijn de Ahmadiyya het slachtoffer van gewelddadige aanvallen.

Gods zuivere woord

Mirza Ahmad legde zijn leer vast in de Baraahin-i Ahmediya (‘de argumenten van de Ahmediya’; eerste deel 1880). Zijn leer wijkt in de kern niet af van de orthodoxe islam. Er is maar één God; Mohammed is Zijn Profeet en de Koran is Gods zuivere Woord. Een belangrijk verschil met de ‘gewone’ islam is dat de Ahmadiyya menen dat de boodschap van de Koran in overeenstemming is met westerse waarden zoals vrijheid van meningsuiting en democratie. Mirza Ahmad bewonderde het Westen en de Britse cultuur; hij wees religieus verzet tegen de moderniteit af en predikte gehoorzaamheid aan de door God boven hen gestelde (Britse) autoriteiten.

Het afwijzen van geweld is nog steeds een belangrijk kenmerk van de beweging. Mirza Ahmad interpreteerde Jihad als een bij voorkeur geestelijke strijd tegen de vijanden van de islam, een strijd met de pen, door middel van debat (tenzij de gelovigen werkelijk fysiek werden aangevallen, dan was zelfverdediging uiteraard toegestaan). Een curieus verschil met de islam is dat de Ahmadiyya geloven dat Jezus niet aan het kruis is gestorven (dat valt ook uit de Koran af te leiden) maar levend van het kruis is gehaald. Daarna (en hierover zegt de Koran niets) zou hij nog bijna een eeuw geleefd hebben in het Noorden van India. De graftombe van Yuz Asaf in de Indiase stad Srinagar zou in feite de graftombe van Christus zijn. (Mirza Ahmad schreef hierover een apart boek, Jesus in India, dat in zijn sterfjaar 1908 werd gepubliceerd.)

Stammen van Israël

Dat combineren van westerse waarden en de Koran vergt de nodige tekstuele lenigheid. Dat blijkt uit het boek ‘Demystifying islam‘ van Harris Zafar, een vooraanstaand woordvoerder van de Amerikaanse Ahmadiyya Muslim Community. Zafar is regelmatig te gast bij Amerikaanse media, en verdedigt dan met verve het standpunt dat de Koran en de moderne westerse waarden prima samengaan. (In feite verkondigt hij dan geen ‘islam’ maar de opvatting van een in de islamitische wereld vervolgde sekte.) Zafar heeft het in dergelijke debatten uiteraard niet gemakkelijk. Ook in zijn boek moet hij alle zeilen bijzetten, en dan is het maar de vraag of hij er werkelijk in slaagt om Koran en moderniteit te verzoenen.

Maar eerst even zijn opvatting over Jezus. Het standpunt dat Jezus niet aan het kruis is gestorven maar naar India vertrok, is uiteraard in de VS nauwelijks te verkopen. Maar Zafar blijft zijn geloof trouw. In een apart hieraan gewijd hoofdstuk probeert hij aan te tonen dat Jezus na enige uren aan het kruis (dat valt te overleven) door zijn volgelingen werd gered, en na drie dagen weer kon spreken. Volgens Zafar kán Jezus ook niet aan het kruis zijn gestorven want zijn opdracht was nog niet voltooid. Christus was immers volgens de Bijbel gezonden aan de stammen van Israël, dat wil zeggen álle stammen dus, en het grootste deel van die stammen woonde toen helemaal niet in Palestina maar elders. (Speculaties over de ‘verloren stammen’ waren zo rond 1900 érg populair.) Jezus, schrijft Zafar, ‘reisde uit Judea om zijn missie te voltooien en de verloren stammen van Israël te zoeken en te vinden, die in het oosten verstrooid waren geraakt. Zijn roeping duurde totdat hij zijn missie voltooid had, de verloren stammen had gevonden, en uiteindelijk een natuurlijke dood stierf.’ (p. 162)

Joodse profeten

Dat de Koran Gods zuivere woord is, staat voor Zafar niet ter discussie. Hij besteedt heel veel ruimte om te betogen dat de monotheïstische godsdiensten in wezen dezelfde zijn, en benadrukt dat de islam groot respect heeft voor de Joodse profeten en voor Jezus. Dat zal christelijke lezers wellicht plezier doen. Waar hij veel minder aandacht aan besteedt, is dat volgens de islam de heilige boeken die wij aan de Joodse profeten en aan Jezus te danken hebben, onbruikbaar zijn. Zafar verzwijgt dat de Joodse heilige schriften volgens de Koran zijn vervalst (om te voorkomen dat de Joden Mohammed zouden aanvaarden als Profeet), en gaat slechts zijdelings in op de (on)betrouwbaarheid van het Nieuwe Testament. God, schrijft hij, beloofde de mensheid een profeet die Zijn woord zou spreken (Deut 18:8). Dat was niet Jezus maar Mohammed:

Dit kan niet verwijzen naar Jezus omdat de evangeliën van het Nieuwe Testament niet de woorden van God bevatten die in Jezus mond zijn gelegd. De evangeliën zijn verhalen en verslagen van het leven van Jezus en zijn apostelen zoals opgeschreven enkele decennia na de gebeurtenissen rond de kruisiging. Mohammed, daarentegen beweerde uitsluitend dat te zeggen dat hem door God was geopenbaard. De Koran was het directe woord ontvangen van God, en de bewering dat dit het woord van God is, is vastgelegd in de Koran.‘ (p. 24)

Kinderlijke redenering

De uitspraken van Jezus in de evangeliën zijn dus ‘slechts’ onbetrouwbare herinneringen; alleen de Koran is Gods Woord – want dat staat in de Koran. Het is een kinderlijke redenering. Zafar zwijgt blijkbaar liever over de algemeen bekende islamitische traditie dat de Koran na de dood van Mohammed door schrijvers verzameld werd op basis van citaten vastgelegd op bladeren en schouderbladen van kamelen (aldus het verhaal), en op basis van de herinneringen van zijn naaste verwanten en medewerkers. Leverde dat plotseling wél het zuivere woord van God? (En wat moeten we nu denken van Zafars verhaal, gebaseerd op de evangeliën, over de redding van Jezus van het kruis?)

Tackling the tough questions,’ luidt de ondertitel van het boek. Zafar gaat inderdaad in op de vele verwijten aan het adres van ‘de islam’, zoals het gebruik van geweld en de omgang met ongelovigen, afvalligen en vrouwen. Zijn verweer is steeds dezelfde: ja, er zijn veel misstanden in de islamitische wereld, maar dat komt doordat miljoenen moslims de Koran niet begrijpen. Hij (of beter, de Ahmadiyya-beweging) interpreteert de Koran wél juist. Alleen, de manier waarop hij dat doet (om de Koran progressief te doen lijken) is zacht gezegd niet altijd overtuigend.

Met respect behandelen

Zo beweert hij dat een moslimman zijn vrouw altijd met respect moet behandelen en haar nooit ergens toe moet dwingen. (Daarbij moet de vrouw natuurlijk wel respect hebben voor haar man.) Zafar weet heel wat verzen te citeren die zijn gelijk (zijn interpretatie) moeten bewijzen, en wellicht dat dat sommigen geruststelt, maar wat in dat hoofdstuk ontbreekt, is het heldere vers:

De mannen zijn verantwoordelijk voor de vrouwen omdat God de ene groep van hen boven de andere heeft begunstigd en omdat zij weggeven van hun vermogen. De rechtvaardige vrouwen moeten vroom zijn, zich niet uiten over wat verborgen hoort te zijn, omdat God dat ook verborgen houdt. En degenen van wie u opstandigheid vreest, waarschuwt hen, onthoudt u van hen in de slaapplaatsen en tikt hen op de vingers.’ (4:34 – vertaling Eduard Verhoef)

Een vers dat toch heel wat zegt over hoe de Koran aankijkt tegen de verhouding tussen man en vrouw. (De standaardvertaling van de laatste aanwijzing luidt trouwens: ‘en slaat hen’. Zo lezen miljoenen moslims dit vers.)

De vrouw als akker

Een ander vers dat Zafar (heel verstandig) weglaat, luidt:

Uw vrouwen zijn een akker voor u, dus komt tot uw akker zoals u wilt.’ (2:223)

De man heeft, met andere woorden, volgens de Koran wel degelijk het recht om zijn vrouw (tot seks) te dwingen.

Wanneer de Koran (volgens Zafar het perfecte boek) helaas toch onduidelijk is, ofwel écht over de schreef lijkt te gaan, heeft Zafar een speciale manier om de tekst onschadelijk te maken. Dan moet het leven van de Profeet uitsluitsel bieden. Om bijvoorbeeld aan te tonen dat moslims nooit gewelddadig mogen reageren op niet-gewelddadige (verbale, cartooneske) provocaties, verwijst Zafar naar de Koran, maar omdat deze op dat punt toch dubbelzinnig is, beweert hij dat de juiste handelwijze blijkt uit het feit dat Mohammed vaak werd bekritiseerd en bespot, maar ‘far from censoring such people or responding with threats, Muhammad responded with restraint and self-control.‘ (p. 111) God mag weten waar Zafar dat laatste vandaan heeft. De Sira (biografie van Mohammed) geschreven door Ibn Ishaak bevat namelijk meerdere voorbeelden van dichters en criticasters die op Mohammeds bevel door zijn strijders werden vermoord. Dat soort verhalen vormen juist een inspiratiebron voor moderne jihadisten.

Vrouwen slaan

Een tweede voorbeeld is Zafars interpretatie van het hierboven al geciteerde vers 4:34 (waar hij verderop in zijn boek alsnog aandacht aan besteedt – hij kan het moeilijk totaal negeren). Om dat ‘slaat hen’ onschadelijk te maken, wijst Zafar op het feit dat idriboe-hoena ook wel vertaald wordt als ‘splijten’, uit elkaar gaan. (Dat is waarschijnlijk bedacht door imams die het logischer vonden dat de lijst van maatregelen die de man kan nemen, afsluit met scheiding.) De betekenis zou dus dubbelzinnig zijn (niet echt best voor het perfecte boek) maar Zafar biedt uitkomst: ‘The Prophet Mohammad explained te meaning of this verse and word by his example. It is recorded in history that he never beat any of his wives. As the Prophet Muhammad is an example for all believers to follow, this profound display of restraint is al lesson for all muslims men on how to handle themselves in this situation.’ (p. 134)

Het is uiteraard een nobel streven om moslimmannen duidelijk te maken dat ze hun vrouwen niet mogen slaan. Maar de redenering waarmee Zafar komt is flinterdun, en eigenlijk onthutsend. Ten eerste, we weten helemaal niet of Mohammed nooit een vrouw heeft geslagen. Het feit dat de traditie zoiets niet vermeldt, betekent nog niet dat hij het niet heeft gedaan. Dit is ethiek uit het ongerijmde. En daarbij komt, dat wat de traditie wél heeft overgeleverd over het gedrag van Mohammed, maakt hem allesbehalve een voorbeeld.

Ethisch voorbeeld

Mohammed was geen heilige; hij was een meedogenloos leider. Hij heeft wellicht geen vrouwen geslagen maar wél hun mannen en familieleden vermoord (om daarna met ze te trouwen). Hij heeft moordenaars afgestuurd op tegenstanders, heeft stammen aangevallen zonder duidelijke aanleiding, en ongelovigen tot slaven gemaakt. Het leven van Mohammed is kortom volstrekt ongeschikt om als hoogstaand ethisch voorbeeld te dienen. Dat moslims zoiets desondanks vaak zeggen, vaak beweren dat Mohammed zo’n prachtig voorbeeld is, komt doordat ze geen benul hebben van het leven van de profeet zoals overgeleverd door de traditie. In plaats daarvan circuleren er omschrijvingen van Mohammed als een goeiige leider, een fijne vriend, een gezellige babbelaar, een ideale echtgenoot, et cetera. Die zoete Mohammed is een vroom verzinsel.

Zafars omgang met de Koran is niet echt origineel. Hij behoort tot de vele hele en halve Korangeleerden die controversiële verzen onschadelijk proberen te maken door de vermelding van alternatieve definities van lastige begrippen, in combinatie met het zogenaamde voorbeeld van het leven van de Profeet. Maar deze aanpak roept wel vragen op.

Gewelddadige lezing

Als dát het fundament is van de islamitische ethiek, als alles draait om de perfecte Koran en (als die tekst voor meerdere uitleg vatbaar blijkt te zijn) om het verzonnen ‘ideale’ gedrag van de Profeet, dan is het redelijk beroerd gesteld met de fundering van de islamitische ethiek. Dan is het, zoals Zafar doet, enerzijds mogelijk om de Koran te verzoenen met moderne waarden. Maar dan is het ook net zo legitiem om, met een beroep op het zuivere woord van God én het vaak weinig verheffende voorbeeld van de Profeet, de meest onmenselijke praktijken van een goddelijk stempeltje te voorzien. Kortom, met deze fundering van de ethiek staat de islam machteloos tegenover het extremisme. Zolang moslims de Koran als het letterlijke zuivere woord van God beschouwen, en het leven van de Profeet als het grote voorbeeld, zijn zij niet in staat een gewelddadige lezing van de Koran te verwerpen.

Marcel Hulspas (1960) studeerde natuur- en sterrenkunde te Nijmegen en Utrecht. Hij publiceerde vele boeken, waaronder enkele titels over UFO-onderzoek, ‘Tussen Waarheid en Waanzin‘, een encyclopedie van de pseudowetenschappen, en ‘En de zee spleet in tweeën‘, over de historische bronnen achter het Oude Testament. Vorig jaar verscheen van hem ‘Mohammed en het ontstaan van de islam‘.

boeken, Marcel Hulspas