Spionnen
Remco Breuker

Het is weer het seizoen waarin de spanningen tussen Noord- en Zuid-Korea oplopen. Noord-Korea, weet u wel, de laatste Stalinistische/communistische staat ter wereld met die onvoorspelbare en irrationele dictator aan het hoofd die de boel nu al twintig (dertig? veertig?) jaar lang westerse wetenschappers en hun analyses onbeschoft uitdaagt door de boel toch bij elkaar te houden.
Of zoals ik zelf denk: een vrij recent kapitalistisch geworden staat die alle retoriek ten spijt gegeven de situatie vrij rationeel wordt bestuurd, maar ook extreem repressief en voor het gewone volk funest. En ondanks alle capriolen uit Pyongyang en de vaak lachwekkende propaganda zijn de Noord-Koreanen geen hersenloze robots die het liefst in paradepas rondmarcheren. Het zijn gewoon mensen.
De media zijn gek op Noord-Korea. Het is immers de laatste Stalinistische staat ter wereld, het dreigt te pas en te onpas met een ‘zee van vuur’, het is afgesloten van informatie van rest van de wereld en wordt bestuurd door een onwaarschijnlijk mediagenieke familie. Toen recent de Facebook-account van de kleinzoon van de pater familias werd ontdekt, ging dat de wereld sneller over dan het veel belangrijker nieuws dat het geheime bevolkingsregister van Pyongyang in de handen van een Zuid-Koreaanse krant was gevallen.
Maar, ik heb het al vaker gezegd, er is meer nieuws over Noord-Korea dan kernbommen, het kapsel van Kim Jong Il of de verbijsterend goed gecoördineerde massaparades. En Noord-Koreanen zijn gewoon mensen. Die net als wij lachen en huilen. Hoe ik dat weet? Door met ze te praten en te lachen en (bijna) te huilen.
Net na de intrede van het nieuwe millennium studeerde ik nog Koreaanse geschiedenis in Korea. In Zuid-Korea wel te verstaan. Ondanks mijn warme gevoelens voor het Noord-Koreaanse volk an sich, sta ik zeer wantrouwig tegenover het regime en de wijze waarop deze het land bestuurt. Hierdoor houd ik mij verre van de Noord-Koreaanse staat. De mij meerdere malen aangeboden snoepreisjes naar het Arirang-festival op kosten van de Noord-Koreaanse staat heb ik dan ook altijd aan mij voorbij laten gaan. Maar Noord-Koreanen ontmoet men niet alleen in Noord-Korea. Wellicht juist niet als men een goed gesprek op prijs stelt.
Op een dag ging ik met een Koreaanse vriend mee om, naar zijn zeggen, “Noord-Koreaanse spionnen te ontmoeten.” Mijn ontzetting ziend (ik had namelijk de dag erna een gesprek bij de Zuid-Koreaanse IND om mijn verblijfsvergunning te verlengen, nooit een sinecure), haastte hij zich eraan toe te voegen: “Die na tientallen jaren net zijn vrijgelaten uit de gevangenis hier.”
Nieuwsgierig om deze aartsvijanden te ontmoeten van het land waar ik met zoveel plezier vertoefde, ging ik mee met het busreisje naar de zuidelijke stad waar deze oud-spionnen met elkaar een huis deelden. Het werd een gedenkwaardige ontmoeting, die voor mij niet geheel gespeend was van ambiguïteit (dit was anders voor mijn reisgenoten, allen overtuigde rooie rakkers van het eerste uur).
De Noord-Koreaanse spionnen die tussen de 25 en 45 jaar (!) vast hadden gezeten bleken, mijn romantische voorstellingen ten spijt, eigenlijk geen spionnen te zijn geweest. En nu zeker niet meer. Wat ik zag was een groepje mannen tussen de 65 en 75, getekend door jaren gevangenisleven en (gedurende bepaalde presidenten) dagelijkse afranselingen.
Deze mannen waren er na de Koreaanse Oorlog door het noorden op uitgestuurd om in het zuiden bekeerlingen voor het communisme te zoeken. Ze waren opgepakt en veroordeeld wegens spionage. De meesten waren toen jongemannen in de twintig of dertig, met een gezin in Noord-Korea. Dit waren degenen die nooit de beruchte ‘afvallingheidsverklaring’ hadden ondertekend, waarin de ondertekenaar publiekelijk afstand deed van het communisme in ruil voor onmiddelijke vrijlating. Om hen zo ver te krijgen deze verklaring te ondertekenen, werden ze in cellen gezet met leden van de georganiseerde misdaad die weekendjes vrij kregen als ze hun celgenoot elke dag in elkaar zouden slaan. Er zijn zo heel wat vrije weekendjes verdiend.
Deze mannen echter hielden vol. Amnesty International (dat altijd graag Zuid-Korea op de vingers tikte, maar tot vrij recent het noorden raar genoeg niet) bemoeide zich tevergeefs met hun zaak. Ook binnen Zuid-Korea waren er groepen (voornamelijk kerkelijk) die vonden dat deze mannen hun straf hadden uitgezeten en op humanitaire gronden niet langer vastgehouden konden worden. Uiteindelijk werden ze gefaseerd vrijgelaten tussen 1998 en 2000. En toen?
Zuid-Korea is een welvarende maatschappij, maar niet voor Noord-Koreaanse oud-spionnen met kip noch kraai in het zuiden. Dus deze pensioengerechtigde oude baasjes gingen vuilnis inzamelen en sorteren, schoonmaken of kruidenmedicijnen verkopen. Ze woonden in een commune en deelden noodgedwongen alles met elkaar. Ze hadden weinig contact met de buitenwereld die hen zag als gevaarlijke rooien.
En qua gedachtengoed waren ze dat ook. Hun enige houvast in de gevangenis al die jaren zonder contact met hun familie of vrienden was het geloof uit hun jeugd, het communisme. Zonder hun passie voor het communisme te kunnen delen, was ik onder de indruk van de standvastigheid van hun overtuigingen. Een leven in Noord-Korea had ironisch genoeg waarschijnlijk veel meer gedaan om hen hiervan los te weken dan tientallen jaren in een Zuid-Koreaanse gevangenis hadden gekund. Nog ironischer was het feit dat zij, gedwongen door hun uitsluiting van de Zuid-Koreaanse samenleving, strikt genomen een communistischer leven leidden (men werkte naar vermogen en nam naar behoefte) dan hun familie in Noord-Korea.
Wat de meeste indruk maakte, echter, waren de gewone verhalen die deze mannen vertelden. Over de gezinnen die ze hadden achtergelaten, hun fantasieën over nu volwassen kinderen, over hun frustraties en woede in de cel, de angst voor de afranselingen of martelingen, over hoe hun leven zou zijn na repatriatie naar het noorden. Zelfs over hoe ze vaak genoeg van elkaar hadden en hoe ze elkaar jenden.
Zo werd de jongste van hen (65) steevast aangesproken met ‘maagd’. Hij was maagd toen hij de gevangenis inging en, meesmuilden zijn vrienden, ‘nu zou het er wel nooit meer van komen’. Tot mijn verbazing werd er veel gelachen en ook om verduveld harde grappen. De tragiek van hun verloren levens (zelf zagen ze dat overigens niet zo; dat was mijn – aanmatigende – oordeel) hing bijna tastbaar in het kleine huis waar ze wachtten op repatriatie.
Nu is het gemakkelijk om hun ervaringen te bagatelliseren. Deze mannen zijn immers zelf naar het zuiden gegaan, ze geloofden in wat ze deden en ze betaalden daar de prijs voor. Ze hadden veel eerder kunnen vrijkomen als ze niet zo koppig waren geweest. Zuid-Koreaanse spionnen in Noord-Korea waren slechter af.
Dat is allemaal waar, maar na een paar uur gesproken te hebben met deze oude mannen, kon ik hun ervaringen daarmee niet zomaar afdoen. Ze hadden geleden zoals weinigen lijden en daar deed het feit van onze niet-gedeelde overtuigingen voor mij weinig aan af. Het was ook onmogelijk om hen niet ook te zien als slachtoffers van een van buiten (VS, Sovjet-Unie, Japan) opgelegde opdeling van de Koreaanse samenleving.
Eenmaal vrij, permitteerden ze zich weer te dromen over een ander leven. Een leven aan de andere kant van de 38ste breedtegraad, in een land waarvan ze zeker wisten dat het het socialistisch paradijs was. Niet veel later, een half jaar of zo, werden ze inderdaad gerepatrieerd naar Noord-Korea, waar ze zelf hebben kunnen zien wat er van hun jeugdige idealen terecht was gekomen.
Ik had ze beter gegund, maar zij waren uiteindelijk niet degenen die het slechtst af waren. Dat waren hun collega’s die wél bezweken waren onder de dagelijkse afranselingen en martelingen. Die, bebloed en kapot, wél de afvalligheidsverklaring ondertekend hadden. Die hetzelfde naamloze leven van de verstoteling leidden in Zuid-Korea. Die ook gezinnen in Noord-Korea hadden. En die niet gerepatrieerd werden omdat Noord-Korea alleen behoefte had aan onbezoedelde helden.
Op de weg terug in de bus, vergezeld door een aantal van de oude mannen, besloten mijn linkse reisgenoten dat er genoeg gepraat was over het neo-marxistische gedachtegoed en gingen we naar goed Koreaans gebruik over op het zingen van liedjes om de tijd te doden.
Nu kende ik alleen maar kapitalistische Zuid-Koreaanse deuntjes. Bovendien was ik niet dronken, wat voor mij een voorwaarde is om in het openbaar te zingen. Maar langzaam bezwijkend onder de verwachtingsvolle blikken van mijn nieuwe Noord-Koreaanse spionnenvrienden, barstte ik tot mijn eigen verbazing uit, hemeltergend vals, in het Wilhelmus, mijn reisgenoten verzekerend dat dit een oud Nederlands revolutionair lied
was.
Het Wilhelmus heeft nooit meer helemaal hetzelfde voor me geklonken. Maar ook Noord-Korea is nooit meer helemaal hetzelfde voor me geweest. Ik hoor altijd de verhalen van deze oude mannen of die van vluchtelingen die ik later tegenkwam, op de achtergrond gefluisterd worden als Noord-Korea weer in het nieuws is. Een absurd land misschien, maar menselijk, al te menselijk.
Remco Breuker is historicus en hoogleraar Koreastudies aan de Universiteit Leiden. Dit verhaal schreef hij vlak voor de dood van Kim Jong Il en heeft een tijdje in de mailbox van Uw Hoofdredacteur gezeten zonder door Hem te worden opgemerkt. Vandaar dat het lijkt alsof de dood van de Geliefde Leider helemaal aan de hoogleraar is voorbijgegaan. Maar dat is dus niet zo. Volg hem op Twitter.





RSS