Turkentafel
Gin Mooy

Illustratie: Heinrich Kley
Ik groeide op in Amsterdam Oost. Of mijn wijk destijds een ‘witte’ of een ‘zwarte’ wijk was, herinner ik me niet. Wel zat ik op de lagere school in een klas met veel kinderen van gastarbeiders.
Ik had één Surinaams vriendje, Jimmy, waar ik wel eens kousenband ging eten, en één Italiaans vriendje Giovanni, waar ik nooit bij ging eten, maar waar ik als zesjarige heimelijk verliefd op was. De rest van mijn vriendjes en vriendinnetjes waren wit als sneeuw. En hartstikke Nederlands.
Toch werd ik, ieder jaar weer, als vanzelfsprekend aan de groepstafel gezet met de Marokkaanse en Turkse kindertjes. Dat vond ik niet leuk, want ze woonden niet bij mij in de straat, ik kende ze helemaal niet goed, en de witte kindertjes uit mijn buurt mochten wel gewoon bij elkaar zitten.
Heel stiekem, als ik heel eerlijk ben, wat ik nog steeds nauwelijks durf te zijn overigens, vond ik het vreselijk om aan de ‘Turkentafel’ gezet te worden. Zo noemden mijn klasgenoten die plek. Zo jong als ze waren. Ik snapte niet echt wat het probleem was, maar omdat ik wist dat mijn klasgenoten op de ‘Turkentafel’ neerkeken en vonden dat mijn tafelgenoten stonken, er raar uitzagen en niet helemaal normaal waren, wilde ik er gewoon niet mee geassocieerd worden.
Hoewel ik als zesjarige weinig begreep van het racistische gedachtengoed waar ik me mee probeerde te verbroederen, begreep ik wel dat aan mijn eigen gedrag ook iets niet klopte. En dat misselijke gevoel van die mysterieuze tweestrijd die ik toen – aan de ‘Turkentafel’ – voelde, heeft me een groot deel van mijn leven achtervolgd.
Toen ik een jaar of acht was bekeek ik mezelf eens kritisch in de spiegel, nadat mijn moeder voor spleetoog en poepchinees was uitgejouwd door de buurtkindertjes, waar ik al jaren zo graag bij wilde horen. Ten koste van de ‘Turkentafel’.
Tot mijn schrik zag ik dat ik niet ‘wit’ was. Of wel? Het was maar een zweempje verschil, zeg maar. Nee, mijn moeder was inderdaad donkerder, ik niet, dus ze konden het onmogelijk over mij hebben. Of hoorde ik toch op zo’n negatieve manier bij mijn moeder? Ik was inderdaad een beetje anders dan de Nederlandse kindertjes. En ergens leek ik ook wel op de kindertjes van de ‘Turkentafel’. Mijn god! Het was een grote schok. Stonk ik dan ook? Was ik raar? ‘Anders’?
Toen we naar Almere gingen verhuizen, was het eigenlijk van hetzelfde laken een pak. Mijn zus en ik kwamen samen in een combinatieklas te zitten, en ook samen aan dezelfde tafel met twee andere zusjes, de ‘Vietnamese bootvluchtelingetjes’. Heel vanzelfsprekend. Hartstikke leuke meiden trouwens, veel plezier mee gehad en ambitieuzer dan de rest van de klas, dus eigenlijk was het een zegen.
Maar toch. Ik gaf de clue al: de vanzelfsprekendheid. Dat vond ik als kind al heel typisch. Uiteraard ‘mag’ ik dit geen racisme noemen. Ach nee. Het was gewoon onwetendheid. No harm done.
Ik ben dus nóóit met racisme opgegroeid. Of discriminatie. Alleen ‘maar’ met onwetendheid.
Het was waarschijnlijk ook onwetendheid, die die ene skinhead dreef om mijn moeder en mij in het botsautootje op de kermis, toen ik een jaar of tien was, zo agressief te ‘botsen’ en te achtervolgen dat ik er nu nog steeds een botsautootjestrauma van heb. Maar ach, een uitzondering. Geen racisme. Het bestond gewoon niet.
Tot mijn puberteit. Kleine vandaal die ik was, vond ik het leuk om met Eddingstiften mijn naam overal op te tekenen. Stoer vond ik dat. Maar dat kwam me op een dag duur te staan. Ik was een jaar of twaalf. Eén van mijn buurjongens, met wie ik een ruzietje om niets had, had op het bankje op het speelpleintje voor de deur onder mijn naam geschreven: ‘Ga terug naar je eigen land.’
Echt. De wereld werd zwart voor mijn ogen. Van shock. Van woede. Van onbegrip. Wat was dít nu weer? Mijn eigen land? Nederland was toch zeker mijn eigen land? Waar ging dit over? En dat heeft me lang aan het denken gezet. Tot en met nu eigenlijk, want het leven is daarna nooit meer hetzelfde geworden.
Toen ik een keer zo hondsberoerd was dat ik echt een keer aan bed gekluisterd was, heel lang geleden inmiddels, zette ik uit pure wanhoop eens de Oprah Winfrey-show aan. Ik haatte Oprah, maar er was niets anders.
En ja hoor, met mijn neus in de boter. Racismegezeik. En ik was het nergens mee eens. Want Oprah stelde dat onwetendheid erger was dan racisme op zich. De innocent bystander werd met de grond gelijk gemaakt. Want, zo stelden de gasten en La Winfrey herself: mensen die uit pure onschuld en een zelfovertuigde rechtschapenheid vooroordelen en racistische boodschappen laten doorsijpelen in hun gedrag en uitspraken, zijn het werkelijke probleem.
Door dat ene incident, met die buurjongen, heb ik juist lang gevonden dat openlijk racisme en openlijke discriminatie de grootste boosdoeners waren. Die ene zin op dat bankje had me immers tot diep in mijn ziel geraakt. En ach, dat Nederlanders vaak stigmatiseerden en discrimineerden, dat hadden ze zelf niet eens door. Ik zag er niets kwaadaardigs in.
Ik ben echt heel lang, geloof me, heel erg ‘Nederland über Alles’ geweest. Alles aan Nederland was goed. Zelfs als ik in Vlaanderen was, kon ik het niet laten andere volkeren te minachten. Al begreep ik dat zelf niet hoor. Ik lag gewoon in een deuk om kroegnamen als ‘Het Lambikske’ omdat het nou eenmaal idioot wás. En ‘naaigerief’ was helemaal hi-la-risch natuurlijk. Dat die mensen die dubbelzinnigheid daarvan niet begrepen! Welk een domheid.
Ik ging liever van Gent naar Terneuzen om èchte Nederlandse spulletjes te halen, zoals Pantène conditioner, in een èchte Nederlandse supermarkt, dan dat ik de Delhaize spekte. Die superioriteitsgedachte over Nederland en Nederlanders, die was er goed bij me ingegoten. Niet met de paplepel weliswaar, maar wel in het openbare leven. En op school. Op het werk. Via de televisie. Kranten. Tijdschriften. Radio. Vrienden. Waar niet eigenlijk?
Uiteindelijk ben ik andere volkeren juist heel interessant gaan vinden. Door het reizen. Er ging een wereld voor me open. Intussen was ik van de ‘Turkentafel’ verhuisd naar de ‘allochtonen’-niche, van “maar waar kom je nou echt, oorspronkelijk vandaan, bedoel ik”, het “lekkere bruine kleurtje” en de “tropische verrassing”. En van daaruit verhuisde ik in 2002, na de moord op Pim Fortuyn, naar de wereld van de ‘kanker Marokkaan’. Een tintje en krullen is uiteraard onmiskenbaar Marokkaans.
Ach, het was weer eens iets anders. Van Turk naar Marokkaan. Het deed me niet zoveel. Behalve toen ik eens in mijn gezicht gespuugd werd in de tram, door een mevrouw met henna-haar en een onverklaarbare woede over ‘haar zitplaats’, waar ik op scheen te zitten.
Goed. In 2006 ging ik naar Sierra Leone voor mijn veldwerk en legde het aan met een Sierra Leonees. Zo’n echte zwarte negerT weet u wel? En toen was ik ineens de “negerhoer” en werden er op internet discussies gevoerd of mensen zoals ik juist hoorden bij de ‘zwarte wereld’, of dat ik me netjes moest voortplanten met een witte man, zodat dat ‘buitenlandse’ eruit gefokt kon worden voor toekomstige generaties. I kid you not.
Mijn schouders ophalen ging niet meer. Zeker niet toen mijn mailbox en de reactieruimte op mijn blog volstroomden met dreigementen en racistische opmerkingen. Openlijke racisme, ik was er eens temeer van overtuigd, er bestond niets ergers.
Totdat ik zwanger werd. Van die Sierra Leonees. Of ik wel wist waar ik mee bezig was? Die vraag werd me uit alle uithoeken van Nederland gesteld. Op internet, in de reactieruimte van mijn blog, in mijn mail, maar erger nog, ook door kennissen, vrienden en bekenden. En van die laatste drie categorieën van mensen weet ik heus, honderd procent zeker, dat het goedbedoeld was.
Zegt u nou niet: dan ken je de verkeerde mensen. Het kwam echt uit àlle uithoeken. Van allochtonen en autochtonen trouwens. Er waren maar weinig mensen die geen vraagtekens zetten bij mijn keuze. “Dit is geen wereld voor ‘zwarte mensen’.” Wat deed ik zo’n kind aan? Wist ik wel zeker dat ik het niet weg zou laten halen? Waarom geen kind van een “leuke, witte Nederlandse man”? Zo’n kind zou gegarandeerd een goed leven krijgen. Mijn kind zou er ook pikzwart uit kunnen komen, realiseerde ik me dat wel?
En toen begreep ik Oprah Winfrey pas. Want ook al was het met de beste bedoelingen allemaal, het was ronduit kwetsend.
Juist omdat die innocent bystanders zelf niet begrepen wat ze verkeerd deden, kwam het extra hard aan. Zo ver zijn we dus al gekomen. Dat de doorsnee ‘Nederlander’ al zo ver is doordenkt, met de ‘allerbeste bedoelingen’. Dat niemand er meer het kwaad in ziet. Dat de superioriteitsgedachte zich al zo met ons verweven heeft, dat we ons er niet eens meer bewust van zijn wanneer iets racistisch of discriminerend is.
Maakt u zich geen zorgen, ik heb geen seconde getwijfeld of ik mijn ongeboren kind zou houden. Of ze nou een wit, een geel, bruin of zwart mopje zou worden, ze was mijn mopje, en meer dan welkom in mijn leven. Toch heeft het me aan het denken gezet. Vooral over mezelf. Want ik was heel lang heel erg ‘Nederland über Alles’ weet u nog? Hoezeer zat die superioriteitsgedachte over Nederlanders mijzelf in de weg eigenlijk? Want ik weigerde dat door te geven aan mijn dochter.
Ik beloofde mezelf de eeuwige uitspraken “goh, je lijkt qua doen en laten helemaal niet op een allochtoon” en “jij bent gewoon bijna een Nederlander” – ter vergelijking met andere (‘slechte’) allochtonen – nóóit meer als compliment te beschouwen. Ik zou van repliek dienen, andere mensen laten weten hoe kwetsend dat soort schijnbaar onschuldige opmerkingen eigenlijk zijn.
En toen stond ik een tijdje geleden in de bus met mijn dochter. Waar mensen steevast pas naar ons durven te lachen als ze ons Nederlands horen spreken. Een bejaarde dame complimenteerde me met een trotse blik in haar ogen dat ik mijn dochter “in het Nederlands opvoed”.
Ik wilde briesen, kwaad worden, mevrouw voor de voeten gooien dat ik drie boeken in het Nederlands heb geschreven en haar de vraag toewerpen in welke taal ik haar dan in godsnaam zou moeten opvoeden, in mijn gebrekkige Engels? En ja, eerlijk waar, ik had ook nog verontwaardigd willen zeggen: “We zijn toch Nederlands?”
Ik glimlachte schaapachtig terug. “Natuurlijk,” zei ik. “Waarom zou ik dat niet doen?” De deuren gingen open. Het was haar uitstaphalte. Ik keek haar na en besefte dat ik zelf nog een lange, lange weg te gaan had.
Jonge moeder Gin Mooy doet promotie-onderzoek naar ex-kindsoldaten in Sierra Leone. Ze zette het hulpproject Mind to Change op en schreef een boek. En nog een boek. Afgelopen zomer verscheen haar boek over Anorexia. Meer Gin op haar weblog.






RSS